Kunnen wegen mooi zijn? Kan een weg je ontroeren? Veel mensen zullen zich dat nauwelijks kunnen voorstellen, maar dat soort van wegen bestaan.

Denk maar aan Route 66. ‘’Go get your kicks on Route 66’’. Of in Frankrijk De ‘Route Napoleon’ of The Stephenson-trail in de Cevennes. Het zijn wegen, die je met de auto rijdt en waar een verhaal aan vastzit. Het is meer, veel meer, dan rijden van A naar B met of zonder file. Het is een stukje rijden, een terrasje pikken, een kasteel zien, een museum bezoeken, overnachten, ontbijten en, ja, zeker in vrijwel alle Europese landen, toeristenbelasting betalen. Kortom: voor je genoegen op stap zijn en de sfeer opsnuiven van een gebied, dat je niet kent. Het is voor mij een soort heimelijk genoegen, ‘a guilty pleasure’, want uitstoot van CO2 via de uitlaat van mijn auto is niet iets om trots op te zijn.

Autorijden ligt sowieso wat gevoelig in ons land. We willen eigenlijk allemaal wel stevig doorrijden en verlost worden van bumperklevers en – eigenlijk wel verlost worden van alle andere weggebruikers. Solo over een mooie asfaltlaag suizen is het ideaal. Maar vaak worden we door ons collectief – onze staat – afgehouden van onze heimelijke verlangens. En dat is maar goed ook. Anders zou het een zooitje worden.

Maar goed! Mooie wegen heeft Nederland ook, al zou je dat niet zeggen, als je de dagelijkse filemeldingen op de radio hoort. Maar we gaan er wat onwennig, stuntelig, ja soms onverbloemd klungelig mee om. Als er aan zo’n weg al een mooi verhaal vastzit, houden we dat eigenlijk het liefst geheim.

Zo is de N34 van Zuidlaren tot Coevorden eigenlijk de huidige asfaltvariant van de oorspronkelijke prehistorische A1en best een mooie weg. Maar liefst 47 van onze hunebedden, het enige archeologische reservaat van Nederland (bij Annen) en enorme aantallen grafheuvels en oeroude karresporen geven een beeld van de mobiliteit en sterfelijkheid van onze oer-voorouders. Allemaal aan weerszijde van de N34. Al enige tijd geleden is dan ook het pleidooi gehouden om de N34 een wat spannender imago te geven: Hunebedhighway. De N34 als beleefweg. Kennelijk een erg revolutionaire gedachte, want het komt er steeds maar niet van. Hoe kan dat toch? Verbinden is toch altijd beter dan verdeling zaaien?

Misschien zijn we er als volk – zeker ook in Drenthe – wel te nuchter voor. Een weg is immers meer een soort noodzakelijk geacht asfalt en daar is niks moois aan. Geen kunst, geen natuurbeleving, geen vervoering. Het is misschien van zichzelf al zo lelijk, dat we het het beste maar kunnen negeren. Misschien zijn er nog andere (en betere) socio-psychologische verklaringen voor onze weerzin tegen het idee van mooie wegen.

Het gekke is dat ‘routes’ wèl OK zijn. We hebben er in Drenthe zo veel van, dat er van een soort chaotische soep van routes over Drenthe is heengegoten. Elke bakker, elke slager op de hoek heeft zijn eigen route. Een route te fiets, te paard of met de benenwagen. Het wordt in allerlei varianten aangeboden, vaak is er sprake van goedbedoelde rotzooi, die mensen zou laten verdwalen, ware het niet dat ons landje zo klein is dat er altijd wel een weg of een dorp met een wegwijzer in de buurt is. Routes dus! Vroeger had de ANWB nog de ‘Hondsrugroute’ in Drenthe. Eerst wel 200 km, later teruggebracht tot 80 km. De borden staan nog langs de weg, maar de ANWB wil er van af. Routes voor auto’s zijn uit de tijd; ‘slow’ is het nieuwe ‘fast’ en past goed in onze tijdgeest.

Maar hoe kan het dan dat Route 66 (geen route, maar een weg!) een must is voor liefhebbers? De weg is duizenden kilometers lang en voor een heel groot gedeelte oersaai en super-eentonig. Maar als je een Harley Davidson bezit, dan moet je hem wel gereden hebben. Waarom? Omdat er een verhaal aan vastzit van vrijheid, wapperende haren, dicht bij de natuur, aanstekelijke bijpassende muziek. Daarom en nergens anders om.

In het geval van de Hunebedhighway komt een aantal ontwikkelingen op een – op het eerste gezicht – positieve manier bij elkaar: het verhaal (1); de regionale identiteit (2); gebiedspromotie (3) en economie (4). Voor de toerist gaat het om het hele plaatje. We moeten ons in zijn of haar wensen en gedrag verplaatsen, niet in eerste instantie verzanden in een eigen-belang-verhaal van instelling of bedrijf.

In de naam van Hunebedhighway is hèt icoon voor Drenthe (het hunebed) opgenomen. Iedereen kent of heeft gehoord van hunebedden en iedereen weet dat ze in Drenthe liggen. Laten we ook niet vergeten, dat ze in de zgn. Canon van de Nederlandse geschiedenis zijn opgenomen, zodat zo’n beetje elk basisschoolkind er mee geconfronteerd wordt. En later in het voortgezet onderwijs nog een keer. De naamsbekendheid is – zeker voor Drentse begrippen – ongekend hoog. Vele malen groter dan bijvoorbeeld De Hondsrug! Het is dan ook niet verwonderlijk dat het hunebed symbool staat voor de regionale identiteit. Voor het moeilijk te definiëren begrip identiteit is het hoe dan ook van belang, dat dit symbool een unique selling point is, dat los staat van de waan van de dag en dat duurzaam en toegankelijk is. Aan al die criteria voldoet het hunebed. Dat we in Drenthe er ook nog een specifiek museum voor hebben is niet essentieel, maar wel mooi meegenomen. Internationaal is er de organisatie Megalithic Routes, die in Europa megagrote monumenten, als hunebedden, met elkaar wil verbinden. In 2013 kreeg Megalithic Routes het certificaat ‘Cultural Route of Europe’. Met name in Zweden, Denemarken en Duitsland zijn ze op zoek naar de Nederlandse combi, die ze daar (nog) niet hebben: monumenten, routes en een museum. Hunebedhighway zou de Nederlandse ‘voorsprong’ in stand houden. Ook de verbinding met de UNESCO Geopark Hondsrugkwalificatie versterk de positie en kan de aantrekkelijkheid van de Hunebedhighway verder versterken door de samenwerking van bedrijven, instellingen en organisaties te bevorderen. Ook hiervoor geldt, dat verbinden het sleutelwoord is voor wat we gebiedspromotie noemen. Niet een dorp, een bedrijf, of een bos vormt de aantrekkelijkheid voor een toeristisch bezoek, maar het gehele gebied met enerzijds een onderscheidend karakter en anderzijds alle moderne voorzieningen die daar bij horen.

Waar toerisme en recreatie nu reeds 15-20% van de banen in Drenthe schept, is het zaak om dit goed vast te houden en waar mogelijk uit te breiden. Daarvoor is een gezamenlijke en eendrachtige aanpak noodzakelijk. Dat is goed voor onze regio en goed voor onze regionale economie. Te lang talmen, te veel beren op de weg zien, te veel nota’s en beleidsstukken pro en contra produceren, helpt niet. Voor je het weet, wordt je voorbijgestreefd en zien we de eerste beleefweg op de Veluwe, in Zeeland, of, erger nog, in Groningen.

Met een beetje goede wil, kunnen we er morgen mee beginnen. Doen zou ik zeggen!
En stiekem een beetje genieten van een toertje over de Hunebedhighway.

Oktober 2016

hunebedhighway2

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here