Sicilië heeft een ingewikkelde prehistorie waardoor het moeilijk is te navigeren langs de mengelmoes van culturen die voorbij zijn gekomen. Deze rijkdom is te danken aan de geografische ligging in het centrum van de Middellandse Zee. De ligging heeft gezorgd voor een dynamische rol van het gebied met frequente migraties van volkeren, duizenden jaren lang. Deze rol is te verklaren als effect van twee invloeden: de Mediterrane oftewel oosterse invloed en de Europese invloed vanuit het noordwesten of het Italiaanse schiereiland.

Het gevarieerde landschap wordt meer rechtlijnig rond 2.000 v.Chr., wanneer het eiland in contact komt met een cultuur met nieuwe maatschappelijke, spirituele en artistieke ideeen vanuit de Egeïsche Zee en de Anatolische kust. De verandering is te zien in de necropolis van “Castelluccio” tussen Noto en Syracuse en deze naam is dan ook gegeven aan deze fase van 2.000-1.500 v.Chr. (bronstijd in Sicilie). De vele graven zijn gehakt als grotten in de kliffen van de omringende bergen en vertellen het verhaal van dodenverering, de collectieve begrafenissen en de verering van Moeder Aarde.

Gelijktijdig met de Castellucciana Cultuur zijn ook wat bouwwerken in de vorm van dolmens gevonden in verschillende delen van het eiland. Hun aanwezigheid kan nieuwe gegevens leveren om het oude Sicilië te begrijpen. De vorm van de hunebedden varieert van driehoekig tot veelhoekig oftewel vergelijkbaar met andere megalithische monumenten in het Mediterrane gebied, denk aan de Balearen, Sardinie, Malta en Puglia. Op Sicilie kennen we twee dolmens in het westelijk deel: de dolmen Sciacca en de dolmen Mura Pregne en vier andere dolmens in het zuidoosten: Monta Bubbonia, Cava dei Servi, Cava Lazzaro en Avola. De hunebedden zijn gebouwd van lokale kalksteen die voorkomt op dezelfde locaties.

Figuur 1. De locaties van Siciliaanse Dolmens (gemarkeerd met een rode stip).

De dolmen Sciacca ligt zeven kilometer van de stad Sciacca en werd in de jaren dertig van de vorige eeuw ontdekt onder tufsteen. De dolmen bestaat uit grote platte stenen die rusten op rechtopstaande platen op de grond. In de buurt werden veel fragmenten gevonden van aardewerk, daterend uit de bronstijd. In de buurt van de dolmen zijn een aantal gegraveerde stenen gevonden die een klein heiligdom suggereren.

Figuur 2. De dolmen Sciacca

De dolmen Mura Pregne, op de hellingen van de Monta Castellaccio, in de buurt van Termini Imerese, bevindt zich in een gebied van groot archeologisch belang. Lang werd niet ingezien dat het van groot belang was, de wetenschappers hebben aan deze prehistorische graven lange tijd weinig aandacht besteed. De dolmen heeft een rechthoekige plattegrond van bijna drie meter.

Figuur 3. De dolmen Mura Pregne (Sicilie)

De dolmen Monte Bubbonia ligt een paar kilometer ten noorden van Gela en heeft ook een rechthoekige vorm. Het kalkhoudende plaat (deksteen) rust op twee monolieten die evenwijdig aan elkaar lopen en leiden tot een ruimte van ongeveer 2,60 vierkante meter. De toegang is gericht naar het noordoosten, net als andere Siciliaanse hunebedden. De dolmen is dus een portaalgraf van kleine afmetingen (2,20 m. lang), vergelijkbaar met de dolmen van Sardinië en Apulië. Met de achterkant leunend op de helling om het begraven te vergemakkelijken.

Figuur 4.De dolmen van Monta Bubbonia (Sicilie)

Verder naar het oosten, in het bergachtige gebied van de Iblei, de bron van de rivier Tellesimo, ligt een steengroeve met de naam “Cava dei Servi”. Deze naam heeft de dolmen ook gekregen. De dolmen is eliptisch van vorm met vier rechthoekige platen (90 cm hoog en gemiddeld 20 cm dik).
In de grafkamer was de grote kalkstenen plaat op vier plaatsen gebroken. De bovenkant van de reconstructie zat tegen de grond aan als gevolg van een geleidelijke verschuiving van de constructie. De constructie heeft een lengte van ongeveer 3 meter en heeft de achterkant leunend op de helling zodat het begraven makkelijker wordt. Dankzij een recente ontdekking zijn inmiddels wat vondsten bekend: een aantal menselijke botfragmenten en sommige keramische fragmenten. Tot op heden zijn dit de enige biologische aanwijzingen uit mediterrane dolmens. Met deze vondsten is het mogelijk functie en geschiedenis vast te stellen.

Figuur 5. De dolmen Cava dei Servi (plattegrond)
Figuur 6. De dolmen Cava dei Servi (Sicilie)

Twintig kilometer ten zuid-oosten van de voormalige steengroeve, bevindt zich dan weer een andere dolmen genaamd “Cava Lazzaro”. Naar beneden toe loopt de heuvel via korte en steile natuurlijke terrassen. Op één van deze terrassen ontdekte Salvo Piccolo (schrijver van dit artikel) twee grote blokken steen die samen een halfrond gebouw vormen.  Rond de twee monolieten is nog steeds een cirkel van stenen zichtbaar die doet denken aan een gemeenschappelijk ruimte zoals we die veel zien bij dolmen langs de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee (Nederland, Spanje, Corsica, Sardinië, Apulië en Malta). Dit type dolmen is ook te vinden verder naar het noorden, in Cava dei Servi.

Figuur 7. De dolmen Cava Lazzaro.
Figuur 7. De dolmen Cava Lazzaro: detail van het blokken zagen.

De dolmen, of liever de pseudo-dolmen van Avola, bevindt zich in een randgebied van de gelijknamige stad. De constructie is ontdekt in 1961 door een archeoloog. Deze dolmen werd volledig bedekt met aarde, zodat het leek op een kleine constructie. Eenmaal opgegraven bleek dat de constructie bestond uit een deksteen van bijna 8 meter lang en 5,5 meter breed die op twee pijlers stond tegen een korte rotswand. Op het oppervlak werden tien kleine rechthoekige gaten van variërende lengte (niet meer dan 1,40 meter) opgemerkt en niet dieper dan 40 centimeter. Deze gaten zijn de graven van kinderen uit de Romeinse tijd en vroeg-christelijke periode. Inmiddels is duidelijk dat we hier te maken hebben met een natuurlijk verschijnsel.

Figuur 9. De pseudo dolmen Avola (plattegrond)
Figuur 10. De pseudo dolmen Avola.
Figuur 11. De dolmen Avola (detail van de linker pijler).

Wie waren de bouwers van de “dolmens” in Sicilie?

Aan het begin van het derde millennium voor Christus werd het westelijk deel van Sicilië beinvloed door culturele invloeden vanuit de kust van Sardinië. De gevolgen van deze invloeden zorgde ervoor dat er een nieuwe marktplaats voor handelaren moest worden opgericht. In het noordoosten was er al de grootste markt van Lupari. Deze nieuwe marktplaats zou het verkeer regelen tussen Sardinië en het Iberisch schiereiland aan de ene kant en het oosten aan de andere kant. Met de vooruitgang van de metallurgie zal de handel zijn toegenomen, met name door het arseen uit Sardinie en de grondstoffen uit Cornwall en Spanje. Aan deze handel zullen de bouwers van dolmens hebben deelgenomen. Tot voor kort werd gedacht dat de bouw van kleine megalieten van Malta moet worden toegeschreven aan een volk uit Puglia, de gelijkenis met die van Salento (zie J. D. Evans, Malta, 1959). Vandaag de dag, dankzij deze nieuwe ontdekkingen in Sicilië, is het legitiem om te veronderstellen dat de mensen van de Maltese dolmens afkomstig zijn van Sicilië. Deze bouwers kwamen terecht in het westelijk deel van Sicilië en gingen snel naar de overkant. De bouwers zullen gebruik hebben gemaakt van het feit dat een deel van dit eiland al  banden had met Malta. Daarna verdwijnt deze cultuur voorgoed.

Salvo Piccolo & Nadine Lemmers

De oorspronkelijke Italiaanse tekst van Salvo Piccolo

 

I DOLMEN DELLA SICILIA

La Sicilia ha avuto una Preistoria talmente complicata, che risulta difficile orientarsi nel guazzabuglio di “Culture” che ivi si sono succedute. Ciò per la sua posizione geografica, al centro del Mediterraneo, che le ha assicurato per millenni un ruolo piuttosto dinamico, fatto di frequenti ondate migratorie di cui è percettibile quasi sempre l’impatto tra due influenze: una mediterranea, di chiara matrice orientale, e l’altra europea, proveniente da nord-ovest e dalla stessa penisola italica.

Questo variegato panorama diventa più lineare a partire dalla fine del III millennio a.C., quando l’isola viene investita da un ulteriore movimento proveniente dall’Egeo e dalle coste anatoliche, portatore di nuove concezioni sociali, artistiche e spirituali. I segni di questo cambiamento sono riconoscibili nella necropoli di “Castelluccio” (tra Noto e Siracusa), che dà nome alla facies culturale più conosciuta e diffusa della Sicilia del bronzo antico (fine III millennio/prima metà II millennio a.C.). Le numerose tombe a “grotticella” scavate nelle pareti rocciose dei monti circostanti, documentano il culto dei morti, la pratica dell’inumazione collettiva e la devozione verso la Madre terra.

Sono di questo periodo anche alcuni piccoli edifici a forma di dolmen rinvenuti in diverse parti dell’isola, contemporanei alla Cultura Castellucciana ma comunque lontani da essa. La loro presenza potrebbe rivelare nuovi dati per la comprensione della Sicilia primitiva. Le forme da me riscontrate vanno da quella classica, cioè trilitica, a quella poligonale, simili ad altri sparsi in un’area ben definita del Mediterraneo, a partire dalle Baleari, la Sardegna, Malta e la Puglia. In Sicilia se ne contano due nella parte occidentale dell’isola, il dolmen di Sciacca e quello di Mura Pregne, e altri quattro in quella sud-orientale, Monte Bubbonia, Cava dei Servi, Cava Lazzaro e Avola,  prodotti con la roccia calcarica del luogo in cui sorgono.

Il dolmen di Sciacca, a sette chilometri dalla città omonima, fu scoperto negli anni ’30 del secolo scorso tra un gruppo di massi di tufo conchigliare. È formato da una grande pietra piatta poggiata su lastre grezze infisse verticalmente nel suolo; tutt’intorno furono rinvenuti frammenti ceramici risalenti al bronzo antico. Nei pressi della struttura possono ancora scorgersi alcuni massi incisi che fanno pensare a un piccolo sacello o a un pozzetto di raccolta.

Il dolmen di Mura Pregne, alle pendici del Monte Castellaccio, presso Termini Imerese, ricade in un area di grande interesse archeologico, ignorato per anni a causa della scarsa considerazione che gli studiosi siciliani hanno mostrato nei confronti di un fenomeno preistorico ritenuto mancante nelle esperienze culturali siciliane. Esso si presenta a pianta rettangolare, del tipo a corridoio, formato da quattro blocchi (due per lato) perfettamente sbozzati e infissi nel terreno, sui quali è posto un lastrone che lo copre per un terzo; un secondo gli si adagia accanto in posizione obliqua e un altro, che avrebbe concluso la copertura, potrebbe essere quello giacente davanti al suo ingresso. La costruzione raggiunge tre metri di lunghezza.

Quello di Monte Bubbonia, una collina a pochi chilometri a nord di Gela, ha anch’esso forma rettangolare. La piastra calcarea che funge da copertura (incassata posteriormente al rialzamento naturale del terreno), poggia su due monoliti che corrono paralleli tra di loro e determinano una camera di circa 2,60 mq. L’ingresso è rivolto a NE, come gli altri dolmen siciliani. Si tratta, quindi, di una tomba a camera di dimensioni esigue (2,20 mt. di lunghezza), come se ne trovano in Sardegna e in Puglia, con l’estremità posteriore poggiata al declivio del colle per facilitare la tumulazione, consuetudine basata sul ricoprimento con terra e pietrame riscontrabile ovunque si sia manifestata.

Più a est, nella regione montuosa degli Iblei, alla sorgente del fiume Tellesimo, sorge una cava, denominata “Cava dei Servi”, che ha dato nome a un dolmen intessuto in un suggestivo paesaggio “castellucciano”. Il monumento è a forma ellittica, costituito da quattro piastre rettangolari (alte mediamente 90 cm, spesse intorno ai 20 cm) infisse nel terreno, sulle quali se ne dispongono altre tre, inclinate quanto basta per ridurre la superficie di copertura e formare una “falsa cupola”. All’interno della camera, una grande lastra calcarea, fratturata in quattro punti, costituiva il tetto del monumento rovinato al suolo a causa del progressivo scivolamento della struttura. La disposizione delle lastre laterali dà forma a una costruzione di circa 3.00 mq., realizzata anche questa sul declivio del colle per facilitarne l’interramento. Grazie al rinvenimento, da parte mia, di numerosi frammenti ossei umani (che rappresentano gli unici indizi organici ritrovati all’interno di un dolmen mediterraneo) e qualche frammento di ceramica risalente al bronzo antico, si è in grado di stabilirne funzione e cronologia. La presenza di questo dolmen in un’area occupata da una necropoli “castellucciana” fa pensare che  si tratti di una creazione a sé stante, eseguita da un popolo diverso da quello che praticava i “fori” alle pareti delle montagne.

Venti chilometri a sud-est della precedente cava, ne sorge un’altra denominata “Cava Lazzaro”. Scendendo per le brevi e ripide terrazze naturali, si osservano anche qui i fori delle tombe dei “Castellucciani”. In una di queste terrazze, ho rinvenuto due grossi blocchi di pietra, disposti ad angolo convesso, che dovevano formare una costruzione semicircolare. I due macigni, sbozzati con la mazza, poggiano sul suolo calcareo e sono accostati al dislivello del terreno per facilitare, come già abbiamo visto, l’interramento dell’intero edificio. Un taglio obliquo percorre la superficie superiore di tutti e due i macigni. Questa sagomatura della pietra, ripetuta anche su altre ormai scomparse, fa ipotizzare la sovrapposizione di una sequenza ordinata di lastre, disposte in maniera obliqua per restringere la superficie di copertura e generare una “falsa cupola”. Intorno ai due monoliti è ancora visibile un circolo di pietre che ricorda una caratteristica comune a molti dolmen atlantici e mediterranei (Olanda, Spagna, Corsica, Sardegna, Puglia e Malta). Questo tipo di costruzione, già vista più a nord, a Cava dei Servi, si rifà all’opera di una stessa etnia, per adesso sconosciuta, sparsa per l’altipiano ibleo e convivente con quella che elaborava e utilizzava le tombe scavate nella roccia.

Il dolmen, o meglio lo pseudo-dolmen di Avola, si trova in una zona piuttosto periferica della cittadina omonima. L’edificio, scoperto nel 1961 da un appassionato di archeologia, era completamente ricoperto di terra, tanto da sembrare una minuscola cavità. Una volta ripulito, venne fuori quella che sembra un’enorme tavola di quasi otto metri di lunghezza e cinque metri e mezzo di larghezza, poggiata su due pilastri e leggermente discostata da una breve parete rocciosa. Sulla sua superficie si notano dieci piccole buche rettangolari di diversa lunghezza (non più di un metro e quaranta) e profonde meno di 40 cm., ricavate nella parte più spessa del calcare e orientate in maniera diversa per non indebolire la consistenza del piano; si tratta di tombe di bambini utilizzate in epoca romana e paleocristiana. Al di sotto della piattaforma si accede in una cavità di 30 mq. circa, aperta su due lati (nord-ovest e nord-est) e alta poco più di un metro e mezzo. Lo scopritore dell’epoca si convinse di aver trovato un vero e proprio megalite, come quelli atlantici, polemizzando con l’archeologia istituzionale che non volle mai suffragare quella tesi, anche se, ad onor del vero, quest’ultima non vi ha mai condotto indagini scientifiche. Quasi quarant’anni dopo, il sottoscritto ha appurato che la forma, in effetti, fu modellata artificialmente, con l’intento di ampliare e geometrizzare la cavità facendole assumere l’aspetto che oggi osserviamo. Le tracce di quest’azione sono identificabili nel contorno dei pilastri, ricavati dalle pareti dell’incavo, e nella parte superiore della volta, ripulita dai materiali arenitico-sabbiosi sottostanti. L’apertura su due lati escluderebbe un intervento a scopo abitativo, perché incompatibile con la logica del ricovero domestico che, anziché rinchiudere, tenderebbe ad aprire; l’accorgimento sembrerebbe invece il tentativo di conformare un’opera naturale a proprie tradizioni architettoniche.

Chi sarà stato il popolo costruttore dei monumenti appena accennati?

All’inizio del III millennio a.C. la parte occidentale della Sicilia fu interessata da un’ondata culturale proveniente dalle coste sarde, i cui effetti obbligarono alla creazione di un altro snodo mercantile  (a nord-est già esisteva il grande mercato delle Lipari) deputato a regolare i traffici tra la Sardegna e la penisola iberica da un lato, l’Oriente dall’altro. Si spiegherebbe in questo modo il passaggio nella Sicilia preistorica di aspetti culturali tipici dell’Occidente europeo, che confermano la centralità strategico/commerciale di quest’isola. Il progredire della metallurgia, anzi, allargò i traffici, facendo affluire anche materie prime come l’arsenico della Sardegna e, per la stessa rotta, lo stagno della Spagna e della Cornovaglia. Il popolo dei dolmen avrà partecipato a quest’andirivieni. Fino a qualche tempo fa si pensava che la costruzione dei piccoli megaliti di Malta poteva imputarsi a un popolo proveniente dalla Puglia, per la rassomiglianza a quelli salentini (vedi J.  D. Evans, Malta, 1959). Oggi, grazie a queste nuove scoperte siciliane, è legittimo presumere che il popolo dei dolmen maltesi sia giunto dalla Sicilia. Approdato nella zona occidentale della Sicilia si spinse ben presto verso il litorale opposto; qui beneficiò del circuito virtuoso che questa parte orientale dell’isola aveva già allacciato con l’arcipelago maltese, incrociandosi con la millenaria civiltà dei templi di Tarxien che forse in questo luogo andò incontro al suo destino, scomparendo poi definitivamente.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here