Draden spinnen in de prehistorie

deel 1

Een draad maken van vezels kun je op verschillende manieren doen: spinnen en `splitsen-en-draaien`, waarbij lange, plantaardige vezels gesplitst en om elkaar heen gedraaid worden tot één draad.
Splitsen is een van de oudste technieken, spinnen kwam later tot ontwikkeling en werd de meest gangbare.

Splitsen-en-draaien. Als de vezels bijna op zijn, wordt een nieuw stuk toegevoegd door de uiteinden om elkaar heen te draaien.

Een draad maken

Om te kunnen weven, naaien, sprangen, vlechten, knopen, twijnen en naaldbinden (alle technieken die in de prehistorie bekend waren) heb je draden nodig. Een van de manieren om een draad te maken, is het in elkaar draaien van vezels. Deze vezels kunnen plantaardig of dierlijk van oorsprong zijn.
In principe kun je alle vezels gebruiken die een lengte hebben van 5 cm en langer. Bij een kortere lengte is het moeilijk een gelijkmatige (wat dikte aangaat) en overal even sterke draad te spinnen.

Voorbeelden van plantaardige vezels zijn: vlas, hennep, lindebast en brandnetel. En van dierlijke vezels: zijde, wol, haren van andere diersoorten als b.v. geit.

Wat is spinnen ?

Bij het spinnen worden vezels in elkaar gedraaid waardoor ze onderling niet meer kunnen verschuiven en een draad vormen. Het om elkaar heen draaien, heet twisten.
Om een nog sterkere draad te krijgen, kunnen twee of meer draden nogmaals om elkaar heen gedraaid worden: twijnen van draden. Twee samen getwijnde draden noemen we tweedraadsgaren, drie getwijnde draden driedraadsgaren enz.

Ontwikkeling van hulpmiddelen

In eerste instantie hebben mensen alleen hun handen gebruikt om vezels in elkaar te draaien/in elkaar te rollen. Dit kan door b.v. grasstengels of wolvezels tussen de vingers of tussen handpalm en dijbeen heen en weer te rollen.
De productie van draden is op deze manier beperkt en het is lastig om op deze manier lange draden te maken.

Wol rollen tussen handpalm en dijbeen

Een volgende stap was het gebruik van een steen: aan liefst wat langere vezels werd een steen gehangen. Wanneer je de steen een zwieper geeft waardoor hij rond gaat draaien, draaien de vezels in elkaar en vormt zich een draad. Een deel van die draad kan om de steen gewonden worden waarna je nieuwe vezels toevoegt en de steen opnieuw laat draaien. Het toevoegen van vezels gaat op dezelfde manier als te zien is op de afbeelding (losse uiteinden met elkaar verbinden).

Steen, hangend aan een lange lindebastvezel

In plaats van een draaiende steen kun je ook een stokje gebruiken waar je na het in elkaar draaien van de vezels, de gevormde draad om het stokje wikkelt.

Stokje, hangend aan getwiste wolvezels

Uiteindelijk werden de hierboven genoemde manieren gecombineerd: aan het stokje werd een spinsteentje of spinschijfje van klei, bot, steen, hout of bijgewerkt stuk potscherf bevestigd. Het uiteindelijke resultaat is de spintol.

Spintolletjes met van links naar rechts 2 spinsteentjes van gebakken klei, bijgewerkte potscherf, hoorn en gewei

Het principe van alle soorten spintollen is hetzelfde, namelijk door met de hand het stokje (de spil) rond te draaien, draai je de vezels in elkaar en vorm je een draad.

Afhankelijk van het gebruiksdoel varieerden spintollen in grootte, vorm en plaats van het spinsteentje aan het stokje. Kleinere, lichte spintollen werden doorgaans gebruikt om korte of dunne vezels te verspinnen, zwaardere spintollen waren bestemd voor zwaardere, langere of grovere vezels, b.v. boombast.

Behalve gebruiksdoel, konden spintollen (sterk) van elkaar verschillen door de aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen, cultureel bepaalde gewoontes en de ontwikkeling van de spinners/sters zelf.

Naast de spintol werd ook gebruikt gemaakt van de spinstok. Spinnen met een spinstok is wat primitiever, wat niet wil zeggen dat de spinstok een voorloper van de spintol was. Mogelijk zijn ze naast elkaar gebruikt.

Vondsten van prehistorisch spinstokken zijn (mij) niet bekend.

Ook de spinstok kent verschillende uitvoeringen, van een eenvoudig recht stokje tot een spil met in het midden een verdikking (`Zwitsers model`).

Spinstokken, rechts `Zwitsers model`

Het spinnewiel dateert van relatief kort geleden: ongeveer 700 jaar terug.

Tot die tijd werd voor ieder gesponnen draadje een spinstok of spintol gebruikt.

Ook in onze tijd wordt met beide spinhulpmiddelen nog gesponnen, o.a. in Zuid-Amerika en India.

Vrouw achter spinnewiel

Archeologische vondsten van spintollen

De ontwikkeling van draaiende steen tot goedlopende spintol, speelde zich af vanaf het einde van de nieuwe steentijd – begin bronstijd (vanaf ongeveer 7000 jaar geleden).

Vondsten van complete spintollen uit die tijd zijn zeer uitzonderlijk. Een van de oudste vondsten is een spintol waarvan zowel de houten spil als het opgewonden garen nog aanwezig was. De vondst werd gedaan in Zwitserland (Arbon Bleiche).

Het gesponnen, opgewonden garen is geïdentificeerd als boombastvezel van hazelaar of viburnum. Spintol en garen dateren uit de Nieuwe steentijd (ca. 3370 B.C.).

Veel algemener zijn de vondsten van losse spinsteentjes. Deze zijn op diverse plaatsen in Noord-west-Europa gevonden en worden nog steeds regelmatig opgegraven, ook in Nederland.

De steentjes gemaakt van gebakken klei en potscherven, hebben de tand des tijds het best doorstaan.

Spinsteentjes van gebakken klei

Spinnen met wol

Omdat wol in Nederland niet moeilijk te verkrijgen is en makkelijker spint dan plantaardige vezels als b.v. boombast, vlas en brandnetel, volgt hier een beschrijving van de voorbewerking van wol.

In deel 2 wordt stapsgewijs beschreven hoe je wol kan spinnen met spinstok en spintol.

Voorbereiding

Als een schaap goed is geschoren, komt er een samenhangende wollaag vanaf. Deze wollaag wordt `vlies` genoemd. Het vlies bestaat uit ruwe (= vuile) wol en wordt gesorteerd op goede en minder goede delen. Delen van b.v. kop, staart en poten zijn van mindere kwaliteit dan van schouders en flanken.
Bij het sorteren van het vlies dienen het ergste vuil (ontlasting, zand, gras, zaden, takjes) en delen die sterk zijn vervilt of verklit, te worden verwijderd.
Te spinnen wol wordt niet gewassen omdat daarmee de natuurlijke vetten verdwijnen. Spinnen met schone wol is veel lastiger dan met ruwe.

Na het sorteren en schoonmaken van de wol volgt het kaarden. Dit houdt in dat alle vezels uit de war worden gehaald en min of meer evenwijdig aan elkaar gelegd. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht en geschreven, gebruikte men voor het wol kaarden geen kaardenbol (een distelsoort), maar o.a. bundels takken met grote doornen van planten en struiken.

Losse doornen konden ook zijn vastgezet op een plankje. Een dergelijk plankje noemen we een kaarde.

plankje-met-stekels (kaarde)

Verder werden er waarschijnlijk kammen gebruikt van hout, been of van gewei. `Waarschijnlijk` omdat we niet zeker weten welke functies opgegraven en gevonden kammen hebben gehad (haarkam? weefkam? wolkam?). Mogelijk waren de kammen multifunctioneel en zijn ze voor verschillende doeleinden gebruikt.

2 houten kammetjes en een van gewei
Gekaarde wol, klaar om te gebruiken

In deel 2: spinnen met spinstok en spintol.

Tekst Yvonne Ording

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here