De Ferry van St. Malo (Bretagne, Frankrijk) brengt je in een kleine twee uur naar het Kanaaleiland Guernsey en in een andere wereld. Je passeert een tijdlijn en wint een uur, je moet op het eiland links rijden, want je bent in het Verenigd Koninkrijk. Bovendien moet je met ponden betalen. Dat is allemaal door de Brexit-plannen niet veranderd, dus wat verandert er dan wel, vraag je je wel eens af.

Ga je op Guernsey op zoek naar één van de beroemdste ‘passage graves’, dan ben je dat uur voorsprong door de tijdlijn al gauw meer dan kwijt. Ondanks de bekende Perry-kaarten reed ik er zeker vier keer op een metertje afstand bij langs vóórdat ik in een muur langs de weg een gietijzeren hek ontdekte. Achter dat hek was waarachtig het beroemdste dolmen op nog geen meter afstand te zien. Het kan natuurlijk aan mij liggen, maar Déhus lijkt me ook voor de betere spoorzoeker een echte uitdaging. Wat is dat toch? Bijna overal in Europa heb je slechte bewegwijzering naar prehistorische hunebedden of dolmen (hoe je ze ook maar definieert of pleegt te noemen). In Frankrijk zoek je je een ongeluk en op Guernsey ook. Of ze trots zijn op hun Déhus? Ik weet dat niet zeker. Er is in het Guernsey Museum in Saint Peter Port een gidsje te koop van 64 pagina’s, daterend uit 1983. (!)

Dat is overigens een prima gidsje met relevante informatie, ook over Déhus, passage grave. Geen kaartje overigens in het gidsje te vinden. Er wordt verwezen naar de Perry-kaart-coördinaten. Ze vertellen er ook niet bij, dat er bij het hunebed niet geparkeerd kan worden. Ik heb tegen deze regel gezondigd door een oprit naar een weiland geruime tijd in beslag te hebben genomen. Niet verder vertellen!

Het belangrijkste verhaal van Déhus is dat er een gegraveerde steen is gevonden, die onderdeel moet zijn geweest van de bouw van het monument. Het gaat om een bebaarde man, die ‘Le Gardien du Tombeau’’ (de hoeder van het graf) wordt genoemd. Als je de houten deur binnen gaat kun je gewoon het licht aan doen om de afbeelding te zien. Het is al heftig anachronistisch om in de kamer van een hunebed het licht aan te doen, maar vervolgens zie je eigenlijk niks van dat beroemde gezicht. Op internet kun je een betere afbeelding zien. Als je de boel gezien hebt, word je geacht het licht uit te doen en de houten deur te sluiten. Dat heb ik braaf gedaan. Rustig verder vertellen, zou ik zeggen!

De beroemde oudheidkundige verzamelaar F.C. Lukis, een archeoloog avant le lettre, was de eerste die er opgraving heeft verricht. Deze F.C. was de vader van de eveneens bekende archeoloog-dominee William Collins Lukis die in Drenthe in 1878 samen met baron Henry Dryden 40 hunebedden in kaart bracht m.b.v. een camera lucida. Ook een mooi verhaal, maar daar gaat het nu niet om. F.C. en W.C. Lukis groeven dus op en vonden in één van de kleine zijkamers twee botoverblijfselen van skeletten, die in een geknielde houding zouden zijn bijgezet. Ze maakten er een tekening van, die o.a. ook door de Deense archeoloog Worsaee in zijn werk werd gebruikt. Mooi zou je zeggen. Bijzonder ook, maar het tragische is dat beide de Gardien du Tombeau over het hoofd zagen. De steen lag met het gezicht naar beneden in de kelder. Pas in 1915 kwam men op het idee de steen om te draaien. En pas in 1917 zag men de afbeelding.

Zo misten de vader en zoon op een haar een wereldberoemde status. Er zijn bijna geen gegraveerde stenen in hunebedden bekend en dit is de enige die een man-figuur lijkt uit te beelden. Tragisch voor de Lukis-familie, maar ook wel weer grappig. De hoeder die er voor zorgde dat hij niet gevonden werd. De hoeder die zichzelf behoedde of gelooft u daar niet in?

Je moet er even naar zoeken, maar dan heb je ook wat. Een hunebed met elektrisch licht, waarin je kunt staan. Volledig gerestaureerd. Of dat goed gebeurd is, weet ik niet. Het voelt niet echt authentiek.

St. Peter Port, 15 augustus 2017
Hein Klompmaker

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here