Samen met collega Harrie Wolters bezocht ik een Deens collega museum in Moesgård bij Århus. Een zeer inspirerende en leerzame twee dagen trokken we op met Niels Anderson, bijzonder hoogleraar in de prehistorie van het Neolithicum, en twee van zijn medewerkers. De Deense hunebeddentijd is in vergelijking tot de Nederlandse vooral veel gevarieerder, veel omvangrijker en veel meer onderzocht. Niels Anderson vertelde bijvoorbeeld, dat hij in zijn lange archeologische carrière zo’n 32 ‘passagegraves’ en ‘dolmen’ heeft opgegraven. Zet dat af tegen één hunebed (Drouwenerveld) 40 jaar geleden in Nederland en iedereen zal begrijpen, dat de Nederlandse archeologische kennis over de hunebedden schril afsteekt bij de Deense. In de twee dagen dat we te gast waren, hebben ze ons zo’n 30 dolmen, nederzettingssporen, palissadesporen en een verbluffende hoeveelheid artefacten laten zien, die het verhaal van de hunebedbouwers een bijzondere kleur geven. We spraken af, dat eind 2011 – begin 2012 een tentoonstelling over Deense dolmen naar het Hunebedcentrum zal komen. Een mooie gelegenheid om te beoordelen, of ik heb overdreven of niet. Het leukste van ons tripje was misschien wel, dat we de werking van een magnetometer in het veld hebben mogen meemaken. Zo’n magnetometer is enigszins te vergelijken met onze GroundTracer: Ook met dit apparaat wordt de grond gescand op ‘anomalieën’: afwijkingen van het geijkte patroon in de bodem. Tatjana, de ‘piloot van de magnetometer’ formuleerde het als volgt: “The machine is always right, the only thing that can go wrong is our interpretation of the data.” Het leuke is echter, dat er eigenlijk meteen gezorgd wordt voor bewijs. Stel even, dat de machine aangeeft dat er een spoor van een dolmen in de grond zichtbaar is. Dan gaan ze precies op de coördinaten van de ‘verstoring’ meteen graven om te bezien of het klopt. En jawel hoor: in “all cases” – in de woorden van Niels – blijkt de ‘verstoring’ te duiden op de verwachtte sporen uit de prehistorie. Juist in de week van ons bezoek ‘ontdekte’ Niels op deze wijze tien verdwenen hunebedden. Tien! Zouden wij ook moeten doen. Toetsen of de GroundTracer gelijk heeft door te graven. Iedereen weet inmiddels zo’n beetje wel, dat daar veel archeologisch-behoudzuchtig verzet tegen is, dus kunnen we eerst misschien beter een ‘tussenbewijs’ gaan zoeken. We scannen het hunebed en de omgeving ook nog eens met een magnetometer en vergelijken de uitkomsten met die van de GroundTracer. Door beide non-destructieve methoden aan elkaar te ijken, kunnen we meer zekerheid verkrijgen. Daarmee zou de ontwikkeling van het non-destructieve onderzoek in de archeologie vooruit kunnen worden geholpen. Nog beter: daarna gaan we opgraven om het ultieme bewijs te leveren.

anderson-en-hein

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.