Om iets te kunnen zeggen over het eten in de prehistorie kunt u kijken naar de archeologische vondsten en naar het landschap met zijn flora en fauna. Daarnaast kan er gebruik worden gemaakt van etnografisch onderzoek wat soortgelijke culturen aten. Af en toe vinden archeologen concrete aanwijzingen voor bereidingen van voedsel of zelfs voedselresten. Dierlijke resten, plantenresten en houtskool wijzen op het bereiden en nuttigen van voedsel.

Onderzoek naar verkoolde etensresten op potten heeft al concrete aanwijzingen opgeleverd. Het gebruik van kruiden is lastig te bewijzen, maar dat de oermens deze gebruikte staat wel vast. De vraag is of deze speciaal gekweekt werden of dat ze gewoon uit de natuur werden verzameld en gebruikt tegen bepaalde ziekten en aandoeningen. Veel kruiden/planten (nu onkruiden) zullen zijn gegeten als groenten. Ook bomen en struiken zijn een bron van voedsel. Voor meer informatie over de planten, struiken en bomen verwijs ik u naar de artikelen op deze website.

oertijdpark1
Figuur 1. De Wilde Peen in het Oertijdpark.

Oerdieet of paleodieet

Tegenwoordig komt u veel de naam oerdieet en paleodieet tegen. Maar wat is dit eigenlijk? Met dit dieet gaat u terug naar de tijd voor de boeren dus geen granen of zuivelproducten of bewerkt voedsel. U eet wat u kunt verzamelen en jagen. Onderzoekers Thijs van Kolfschoten en John Speth (KEULEMANS, 2016) vertellen dat veel recepten uit de oude en midden steentijd ons niet zouden aanspreken. Volgens Speth zit er een limiet aan de hoeveelheid dierlijke eiwitten die een mens kan eten (35 procent). Je lever kan niet snel genoeg van de stikstofverbindingen afkomen. Recepten van de indianen en Inuit bieden een inzage wat de mensen hebben gegeten: pemmikan (vet, vlees en bessen), vet en gefermenteerde vis of vlees. Fermenteren oftewel rotten zal een standaard manier zijn om eten op te slaan bij jager-verzamelaars. Je begraaft de vis of vlees in de grond en wacht af. Fermenteren doet hetzelfde als koken en het conserveert het voedsel ook meteen. Archeologisch bewijs voor het fermenteren van eten is lastig, maar er zijn in het noorden van Amerika aanwijzingen voor fermentatie van vlees onder water tijdens de laatste ijstijd. Interessante onderzoeken zijn gedaan met paardenvlees onder water door Dan Fisher (POBOJEWSKI 1995).

Pemmican ball
Bij de oertijd denkt iedereen aan jagen, maar het verzamelen van voedsel was zeer belangrijk (misschien wel belangrijker). De vrouwen zullen paddenstoelen, knollen, planten, knaagdieren, vogels en insecten hebben verzameld. Er zijn vele soorten eetbare mieren, sprinkhanen, kevers, termieten, cicaden, libellen of motten (levend of dood). Het verzamelen hiervan zorgde voor de dagelijkse behoefte aan voedsel. Het jagen, vaak een mannentaak, zal vaak niks hebben opgeleverd. Van de Hadza (Tanzania) komen de mannen 97 procent van de keren met niks thuis, bij de Bosjesmannen van de Kalahari zo’n 70 procent. Dit is te verklaren doordat je goede wapens nodig hebt, maar ook moet je de dieren vinden en dichtbij komen en tot slot het dier vinden als je het geschoten hebt. De argumentatie dat jacht zo belangrijk gevonden werd, zou gezocht kunnen worden in het tonen van identiteit en status van de groep (KEULEMANS 2016).

Hadza montage

Children of the Kalahari

Nog iets wat de mensen in de oertijd hebben gegeten, is mensenvlees. Uit de grot van Gough (Somerset, Verenigd Koningrijk) zijn bewijzen voor kannibalisme (BELLO 2015).

Kijk dit filmpje voor inspiratie:
https://www.facebook.com/volkskrant/videos/1103468389674871/

Oude steentijd

Om iets over de oude steentijd te zeggen, is het lastigste van alle perioden in de prehistorie. Het is de langste periode waarvan we het minste weten. Zoals al eerder gezegd, is vet belangrijker dan vlees. De vondsten voor de laatste ijstijd zijn zeldzaam. De vindplaats Schöningen in Duitsland levert veel kapotgeslagen botten op (de merg was belangrijk) en is te plaatsen in de oude steentijd (ruim 300.000 jaar oud) (KEULEMANS 2016). Uit de analyse van voedselresten tussen de tanden van Neanderthalers blijkt dat zij groenten en bloemen aten, waaronder waterlelie (HENRY 2010). Ook de ontlasting van Neanderthalers toont aan dat wortels, noten en groenten werden gegeten (SISTIAGA 2014). Naar schatting aten Neanderthalers 20 procent planten net als andere mensen in de steentijd. Wat betreft het vlees aten ze voornamelijk plantenetende dieren, zoals de mammoet en neushoorn (NAITO 2016).

Nymphaea alba 26-8-2007 15-51-49 Over de periode van de rendierjagers die leefden in de laatste ijstijd is meer bekend. Deze mensen jaagden op zoogdieren (land- en zeedieren) en visten. Naast het jagen speelde het verzamelen een grote rol, denk aan het verzamelen van planten, korstmossen, paddenstoelen, eieren van vogels en schaal- en schelpdieren (KARG, 2011). Om meer te weten te komen van deze culturen is het belangrijk te kijken naar andere culturen die overeenkomsten vertonen. In het geval van de rendierjagers kunnen we veel leren van de arctische culturen. Vanuit historisch onderzoek is bekend dat de inuit veel voedsel rauw aten. Ze zullen ook eten hebben bereid in open vuur of in de kookkuilen. Water werd aan de kook gebracht met zogeheten kookstenen in leren containers of dierenmaag. Op platte stenen werd eten geroosterd en gebraden, denk aan vlees en vis. In Nederland zijn deze vondsten van stenen bekend uit Oldeholtwolde en van het Holtingerveld (NIEKUS & DE VRIES, 2013). Als brandstof zijn bij Oldeholtwolde wilgentakken gebruikt.

oertijdpark2
Figuur 2. Haardstenen van rendierjagers, vindplaats: Oldeholtwolde (FR), datering: ca. 9.600 v.Chr. Bron: Rijksmuseum van Oudheden, Leiden.

Om te weten welke voedselbronnen er waren, kunnen we kijken naar het klimaat, de flora en de fauna. Wat betreft de bomen en struiken zijn in de oude steentijd de volgende soorten in Nederland te vinden: esdoorn (Spaanse aak), berk (dwergberk en zachte berk), haagbeuk, hazelaar, meidoorn (eenstijlige en tweestijlige), beuk, es, wilde appel, gagel, wilde peer, eik (zomereik), wilg (schietwilg, boswilg, grauwe wilg, kraakwilg), vlier (gewone vlier), venijnboom (taxus), linde en iep (ruwe iep). Wat betreft de planten zijn de volgende soorten ter beschikking: agrimonie, melganzenvoet, borstelkrans, pastinaak, perzikkruid, spurrie, betonie, tijm en grote brandnetel.
De fauna in deze laatste ijstijd bestaat uit vogels, rendieren, etc.

Midden steentijd

Het landschap verandert, zowel de flora als de fauna. Het klimaat wordt definief warmer. Langzamerhand verandert het open bos met jeneverbes en berk naar naaldbomenbos. De hazelaar verspreidt zich snel en wordt intensief gebruikt. Door de tijd heen verandert het naaldbomenbos naar een grotere diversiteit, namelijk een loofbomenbos met iep, eik en linde met vennen en moerassen. Open plekken en randen van het bos vormen rijke voedselbronnen voor de mensen. De rendieren trokken naar het noorden en met hen sommigen van de rendierjagers. Anderen pasten zich aan hun nieuwe leefomgeving.

De dieren waarop gejaagd werd, waren vanaf de midden-steentijd: oerrund, vleermuizen, mol, bever, vos, wild varken/everzwijn, edelhert, ree, eland, otter, bruine beer en zeehonden. Ook werden vogeleieren, vogels (aalscholver, blauwe reiger, ooievaar, wilde eend, gans, grauwe gans, kolgans, rotgans, brandgans, zeearend, patrijs, zwarte kraai), vissen (steur, zalm, zeeforel, paling, snoek), reptielen, slakken en schaal- en schelpdieren (mossel, halfgeknotte strandschelp, tuinslak) gegeten. Visvangst werd belangrijker. De kooktechnieken bleven hetzelfde. Kennis van de natuur was onmisbaar.

Wat betreft de bomen en struiken zijn in de midden steentijd de volgende soorten in Nederland te vinden naast de eerder genoemde bomen en struiken van de oude steentijd: berk (ruwe) , rode kornoelje en hondsroos (rozebottel). Wat betreft de planten zijn de volgende soorten ter beschikking naast de eerder genoemde planten van de oude steentijd: struisgras (gewone), waterweegbree, zwarte els, bijvoet, gewone klit, haver, herderstasje, akkerdistel, waterbies, kleefkruid, waternavel, akkerkool, watermunt, akkermunt, waterlelie, riet (echt), smalle weegbree, grote weegbree, ruw beemdgras, fonteinkruid, melkdistel, vogelmuur, lisdodde, mannetjesvaren, waternoot en speenkruid.

Om te weten welke voedselbronnen er waren, kunnen we kijken naar het klimaat, de flora en de fauna. Voedsel was overal te vinden en lange afstanden hoefden niet worden afgelegd. Per seizoen werden verschillende voedselbronnen verzameld. In het voorjaar verzamelden ze eieren en groentes en in het najaar vruchten en noten.

De volgende vruchten werden verzameld: bramen, vlierbessen, wilde appels, sleepruimen (sleedoorn), bosaardbeien en frambozen. Wilde groenten en kruiden werden verzameld, denk aan melganzenvoet, zuring, bijvoet en brandnetel. Als noten werden de hazelnoten en eikels verzameld.

Nieuwe steentijd

Met de introductie van akkerbouw en veeteelt veranderde de levensstijl en levensonderhoud (KARG 2011). De menselijke invloed was nog onmerkbaar in het landschap. Door de vorm van akkerbouw “hakken en branden” (slash-and-burn) ontstonden in het dichte oerbos open plekken. De nederzettingen lagen hier met stal, tuin, boomgaard, vruchtbare akkers en weilanden. De bevolking groeit.

De eerste gewassen zijn gerst, eenkoorn, emmertarwe, erwten, linzen, vlas, maretak en papaver. De eerste huisdieren waren koe, varken, geit en schaap. Deze dieren leverden vlees op, maar ook grondstoffen (hoorn, leer, huid en melk). Ook verzamelen, jagen en vissen waren belangrijk. De oogst werd opgeslagen in huis en voorraadkuilen.

In de natuur werden knollen, wortels, bladgroenten, vruchten, noten en eieren (o.a. van ganzen) verzameld. De boeren jaagden op oerossen, edelherten, wilde zwijnen en vogels en visten.

Eten werd gekookt, geroosterd en gebakken op open vuur. Er is archeologisch bewijs voor broodovens, potten als bakplaten. Vis en vlees werd geroosterd boven het vuur. Vis en vlees werd gewikkeld in bladeren, om het pakketje werd leem of klei gewikkeld en dit pakket werd in het vuur gelegd om te garen, klik hier om meer te weten.

Als we het hebben over de nieuwe steentijd in Nederland gaat dit om meerdere culturen, zowel de Trechterbekercultuur (hunebedbouwers) als de Michelsbergcultuur, Touwbekercultuur (Enkelgrafcultuur) en Klokbekercultuur. Als we het over eten in de nieuwe steentijd hebben, is het interessant na te denken over de productie van melk. Door extra genen voor de afbraak van zetmeel kunnen de meeste volwassen Noord-Europeanen het melkeiwit afbreken, misschien al zo’n 6.000 jaar. Via onderzoek proberen onderzoekers iets te kunnen zeggen over of bepaalde culturen melk kunnen afbreken. De meningen hierover zijn verdeeld.

Nieuw onderzoek naar de nieuwe steentijd in het Verenigd Koninkrijk heeft aangetoond dat in ieder geval zo’n 5.000 jaar geleden woelmuizen werden gegeten naast dat zij een plaag waren (ROMANIUK 2016). Eerder is nooit onderzoek in Europa gedaan naar knaagdieren als bron van voedsel. Mogelijk hebben de knaagdieren in meerdere perdioden in de prehistorie een rol gespeeld.

De mensen in de nieuwe steentijd aten uit aardewerken bakjes, maar ook uit bakjes van gevlochten vezels en hout. Schelpen werden gebruikt als lepels en borden.

Bij op vuur koken met potten is het gemakkelijk soepen en stoofpotten te bereiden (minder snel aanbranden). Vooraf aan het koken in potten is het belangrijk een goed vuur te maken met veel kooltjes en het vuur moet zo blijven. Om breken van de potten te voorkomen zet je de potten in water vooraf aan de workshop en draai je de potten met regelmaat. Door de potten te draaien worden de potten en inhoud gelijkmatig warm. Tijdens het bereiden roer je af en toe net als we nu vandaag de dag doen.

Een goede kookpot is bol van vorm met een kleine opening, zodat niet veel warmte verloren gaat. De bolle onderkant is ideaal om de pot in de as te zetten.

Literatuur

BELLO, S.M., ET.AL., 2015. Upper Palaeolithic ritualistic cannibalism at Gough’s Cave (Somerset, UK): The human remains from head to toe. Journal of Human Evolution, Volume 82, Mei 2015, pp. 170–189.

HENRY, A.G., ET.AL., 2010. Microfossils in calculus demonstrate consumption of plants and cooked foods in Neanderthal diets (Shanidar III, Iraq; Spy I and II, Belgium). PNAS, vol. 108, no. 2, pp. 486–491.

KARG, S., ET.AL., 2011. A culinary journey through time. Communicating culture & museum für Urgeschichte(n) Zug.

KEULEMANS, M., 2016. Jammie! Stinkkop Aan het echte paleodieet zit een smaakje. De Volkskrant, zaterdag 9 april 2016.

NAITO, Y.I., ET.AL., 2016. Ecological niche of Neanderthals from Spy Cave revealed by nitrogen isotopes of individual amino acids in collagen. Journal of Human Evolution, Volume 93, April 2016, pp. 82-90.

NIEKUS, M.J.L.TH. & F. DE VRIES, 2013. Rendierjagers uit de laatste ijstijd in het Holtingerveld Voermans Hamburg-vindplaatsen in een actueel perspectief. In: NIEKUS, M.J.L.TH., ET.AL., 2013, In het spoor van George Hendrik Voerman archeologie & landschap van het Holtingerveld, p.p. 114-135.

POBOJEWSKI, S., 1995. Underwater storage techniques preserved meat for early hunters. The University Record, May 8, 1995, http://www.ur.umich.edu/9495/May08_95/storage.htm.

ROMANIUK, A.A., ET.AL., 2016. Rodents: food or pests in Neolithic Orkney. Royal Society Open Science, Published 19 October 2016.DOI: 10.1098/rsos.160514.

SISTIAGA, A., ET.AL., 2014. The Neanderthal Meal: A New Perspective Using Faecal Biomarkers. PLoS ONE 9(6): e101045.

WIßING, C., ET.AL., IN DRUK. Isotopic evidence for dietary ecology of late Neandertals in North-Western Europe. Quaternary International, In Press, Corrected Proof, 2015.

Auteur: Nadine Lemmers, september 2016

Save

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.