Eerder dit jaar ontving ik het bericht van het overlijden van de Amerikaanse indiaan Jay Mason (Mohawk), die twintig jaar geleden met een kleine groep Noord Amerikaanse indianen op mijn uitnodiging in Drenthe was. Ze noemen zich First Nations en ik vond het een goed idee hen die dag kennis te laten maken met onze First Nations: de hunebedbouwers en het grote hunebed in Borger. Het leek mij als geïnteresseerde in hun cultuur wel een gepast onderwerp. De groep bestond destijds uit vertegenwoordigers van verschillende volkeren: Mohawk, Coast Salish en Pima. We werden in het toenmalige museum opgewacht door gids Wim, die ons een rondleiding gaf en bij de maquettes van een hunebed, grafheuvel en hun inhoud vertelde over het volk van de Hunebedbouwers en hun meer dan 5000 jaar oude graven. De indianen reageerden met respect en vol verwondering dat er over deze oude cultuur zoveel bekend was. Daarna werden we meegenomen naar het grote hunebed. Buiten hoorden we het vrolijke lawaai van basisschoolkinderen, die met een schoolreisje met ouders en leerkrachten het grote hunebed bezochten. Bij het hunebed zagen we uitgelaten kinderen die op de dekstenen waren geklommen en daarop van de ene naar de andere sprongen. Ook een paar volwassenen in het gezelschap deden mee. Jong geleerd, oud gedaan. Mijn gasten stelden zich aan de rand van de open plek op en keken zwijgend naar het rumoer op en rond het hunebed. Na enige tijd luwde het lawaai toen de kinderen met hun begeleiders vertrokken. Ik merkte dat de indianen terughoudend reageerden op de uitnodiging van onze gids om bij het hunebed te komen staan. Ze bleven beleefd luisteren naar zijn verhaal en liepen onderzoekend om het hunebed heen.

Toen we na enige tijd vertrokken, zag ik dat twee indianen bij het hunebed waren achtergebleven. Ik besloot terug te gaan om hen op te halen en zag dat ze bij het hunebed iets deden dat op een of andere ceremonie leek. Ik bleef op een afstandje staan en besloot hen niet te storen. De Mohawk haalde een buideltje onder zijn t-shirt vandaan dat aan een koordje om zijn nek hing. Hij opende dat met zijn ene hand en haalde er met zijn andere hand iets uit dat hij op de deksteen van het hunebed strooide. Hij scheen iets te zeggen, maar wát kon ik niet horen. Ik besloot naar mijn gezelschap terug te keren.
Even later kwamen ze terug zonder iets te zeggen en we vertrokken uit Borger richting Gasselte. Onderweg wees ik hen op de grafheuvel die rechts van de weg van Borger naar Drouwen in het veld lag. Weer reageerden mijn reisgenoten met verwondering en respect.
Die avond aten we in een restaurant in Gasselte en ik zat toevallig naast de Mohawk. Nadat we het hoofdgerecht hadden verorberd besloot ik te vragen wat hij bij het hunebed deed: of het misschien een ceremonie was? Hij keek mij aan met zijn indringende gitzwarte ogen in zijn pokdalige gezicht. ‘Jullie blanken willen altijd alles weten’, begon hij. Ik wist iets van zijn militante verleden en voelde een confrontatie aankomen. Ik grijnsde en hij ging verder. ‘Je hebt me meegenomen naar het museum om het graf van de oorspronkelijke bewoners van dit gebied te laten zien. Ik neem aan dat je daar trots op bent?’ Hij keek me vragend aan. Ik knikte. ‘We hebben geluisterd naar wat de gids vertelde en we begrepen dat die mensen met die grote stenen een graf bouwden voor hun overleden stamgenoten.’ Ik knikte weer. ‘Maar, wat doen jullie met dat graf! Jullie laten kinderen erop klimmen en dansen en schreeuwen. Zelfs volwassenen deden mee!’ Hij keek me aan en zijn ogen leken vuur te spuwen. Ik voelde me in het nauw gedrongen en zei tegen beter weten in iets in de trant van dat we het niet meer als een graf zagen. ‘Vind jij dat ook?’, vroeg hij. ‘Nee’, zei ik, ‘het is nog steeds een graf.’ Zijn gelaatsuitdrukking werd iets milder en hij ging verder: ‘Wij indianen geloven dat als iemand wordt begraven, zijn geest daar aanwezig blijft. De geesten van de mensen die in het hunebed begraven liggen werden verstoord door kinderen en volwassenen die zomaar op het graf klommen en speelden. Wij vinden dat respectloos! Begrijp je dat?’ Ik begreep dat. ‘Daarom heb ik een offer van heilige tabak op de stenen gelegd en een gebed uitgesproken om de geesten tot rust te brengen.’ Ik besefte dat de indianen het hunebed als een graf zagen. Hoe anders was hun respect voor de mensen die in het hunebed hun laatste rustplaats kregen. En ook hun respect voor degenen die het hunebed bouwden en daar rouwden om hun doden. Ik had hen uitgenodigd om de hunebedden te zien als bewijs van onze duizenden jaren oude cultuur. En ze begrepen daaruit dat wij die cultuur als vanzelfsprekend respecteerden. Het tegendeel bleek in hun ogen echter waar en dat was een pijnlijke gewaarwording. Zowel voor mijn gasten als voor mij! Wij zien geen verbinding meer zien tussen de hunebedbouwer, een mens zoals wij, en het graf dat hij met grote toewijding en krachtsinspanning bouwde voor de overledenen. Het graf is ergens in onze tijd tot een klim- en klauterobject verworden en dat is gevaarlijk en kan leiden tot ongelukken.

Momenteel is er discussie over hoe de hunebedden te beheren. Dat is op zich goed. Er wordt wijsheid gevraagd om een antwoord te vinden op de vraag hoe we met meer respect met de hunebedden kunnen omgaan. Naar mijn idee moeten we over de eigen ‘piketpaaltjes’ heen kijken en streven naar een nieuw, breed gedragen, gezamenlijk beleid.

Misschien is het een idee aan dit onderwerp een symposium te wijden met terzake kundige inleiders van verschillende (wetenschappelijke) disciplines?
De hunebedden zijn onze oudste cultuurschatten. Die moet je koesteren en beschermen. Daar ligt een taak voor Het Drentse Landschap én het Hunebedcentrum. Maar zij niet alleen: Ieder mens dient te begrijpen dat hij daartoe moet en kan bijdragen. Het is ons aller cultuurgoed.

Beschermen kan zonder touwtje er omheen. Door te beginnen met het verhaal van de hunebedmens aan de kinderen te vertellen en in Borger te laten ervaren. Bijvoorbeeld door kinderen duidelijk te maken dat de hunebedmens net als zij, een mens van vlees en bloed was, die net als zij reageerde met verdriet en respect voor een overleden familielid, vriend of leider.

Wij leren onze kinderen hoe we ons gedragen op een kerkhof door zelf het voorbeeld te zijn. Als we een kerkhof binnengaan, beseffen we dat we een ruimte betreden waar we ons respectvol gedragen, waar we niet rondhollen en schreeuwen, waar we niet op een graf dansen of springen. Kinderen begrijpen dat, want (voor)ouders, opa’s en oma’s, ooms en tantes of vriendjes zijn er begraven. We ervaren de verbinding met hen.
Hunebedmensen zijn wellicht ook daadwerkelijk onze voorouders. Uit recent DNA onderzoek* blijkt dat huidige Europeanen verwant zijn met de Neanderthaler, die ook in Drenthe aanwezig was. We kunnen gevoeglijk aannemen dat wij, naast het DNA van de Neanderthaler, ook DNA van de veel recentere hunebedmens in ons meedragen. Sinds hun komst is er een constante bewoningsgeschiedenis van dit gebied en een link met ons. Hunebedden zijn -zo geredeneerd- graven van voorouders. Daar klim je niet op en ga je niet op staan schreeuwen. Dat is de les die ik leerde van een indiaan.

*(https://www.scientias.nl/neanderthaler-dna-nog-steeds-invloed-op-genen/)

Tekst Egbert Meijers

Vorig artikelD12 in Eext als pentekening door Arie Goedhart
Volgend artikelHunebed D8 in De Strubben/Kniphorstbos near Anloo English

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.