D45

De nacht haalt de dag in en in de schemering is het al duidelijk dat het een kille nacht zal worden. Kou trekt op van de grond en vormt een laaghangende mist. Aan het firmament worden de eerste sterren zichtbaar. Het pad in het bos is nat en glibberig van de regen die gedurende de dag gevallen is. Met behulp van een zaklamp zoeken we ons een weg naar de open plek die we willen bezoeken. Na enige tijd worden de contouren van een hunebed zichtbaar. De geluiden van de nabijgelegen weg worden gedempt door de bomen waartussen het eeuwen oude megalithische bouwwerk is gevestigd. Langzaam laat ik de zaklamp schijnen over het groepje stenen.

‘Hée, doe verdomme die rot lamp uit. Je schijnt in m’n ogen. Heeft een mens dan nergens rust? Doe uit die lamp!’, een schorre, vrouwelijke stem begint luidkeels het ongenoegen te uiten. Vervolgens gaat de stem verder met mopperen tegen degene die bij haar is.
Ik richt de lamp naar beneden en ga aan de zijkant van het hunebed staan. Verdorie, mensen bij het hunebed, denk ik nog. Dat gooit roet in het eten. Ik ben hier met een fotograaf en we zijn bezig aan een project om de hunebedden bij nacht te fotograferen en mensen in de buurt maakt het lastig. We besluiten even te wachten in de hoop dat deze mensen zullen vertrekken. We hopen erop dat het hangjongeren zijn die door ons worden gestoord en zullen vertrekken, maar na een kwartier blijkt dat ijdele hoop. Wat te doen? De weersomstandigheden zijn perfect om nu aan het werk te gaan dus de plek verlaten is geen optie. Ik besluit om naar de mensen toe te gaan en te vragen of ze hun medewerking willen verlenen. Het ongenoegen, hun boosheid en wantrouwen straalt op me toe als ik het stel benader. Rustig leg ik hen uit wat we hier komen doen en vraag hen of ze er geen bezwaar tegen hebben als we foto’s maken en met lampen rond het hunebed zullen gaan. Ze kunnen blijven zitten onder het hunebed waar ze zo te zien een plaats voor de nacht hebben gecreëerd. Ik vertel hen dat ik het vervelend voor ze vind dat ze gedwongen zijn om hier te moeten slapen. De vrouw kijkt me aan en laat op dat moment haar schild zakken.

‘Weet je dat je de enige bent die de moeite neemt om met ons te praten? De meeste mensen behandelen ons als uitschot. We zitten hier echt niet voor onze lol.’ Ze geeft me een hand en noemt haar naam: Anna, heet ze.
‘Hebben jullie dan geen recht op nachtopvang?’, vraag ik ze verbaasd. ‘Het is 2017, we leven in Nederland. Dit zou toch niet moeten hoeven?’
‘Mevrouw, we mogen wel in een opvang maar dan moeten we ons hondje naar het asiel brengen.’ Ik zie nu pas het kleine witte hondje dat zich op een kleedje onder het hunebed heeft genesteld.
‘We hebben samen al zo veel meegemaakt, we brengen hem niet weg.’ Met een bibberende hand aait de man het hondje liefdevol over de kop. ‘Heeft u misschien een beetje licht voor me? Ik moet mijn medicijnen nemen maar kan niks zien.’
Terwijl ik met het lampje op mijn telefoon bij schijn, haalt de man een potje uit een plastic tas. Er zitten meerdere pillen in, in verschillende kleuren. Er wordt wat in gerommeld en als hij de juiste heeft gevonden neemt hij hem met een sokje water in. Het lege flesje stopt hij terug in de tas. ‘Ik laat geen afval achter,’ zegt hij als hij me ziet kijken. ‘Weet u, ik heb altijd in de verpleging gewerkt. Jarenlang heb ik met hart en ziel voor anderen gezorgd maar toen ik Parkinson kreeg werd ik afgekeurd en nu kan ik verreken.’ Hij haalt zijn schouders er moedeloos bij op alsof hij de situatie al heeft geaccepteerd.
‘Maak je foto maar,’ zegt de vrouw ‘maar laat ons hier liggen, ik ga niet weer alles op opnieuw klaarleggen.’

Ontstemd kijk ik naar ‘alles’: een plastic zeiltje op de grond en een slaapzak, nauwelijks voldoende om een comfortabele nacht mee te hebben op deze koude en vochtige plek.
Ik loop terug naar de fotograaf en vertel hem wat er is gezegd. Stil en onder de indruk zetten we de spullen op en gaan aan de slag. We werken stil en snel om zo min mogelijk onrust te veroorzaken voor de mensen die gedwongen zijn onder het hunebed te slapen, maar in onze hoofden gaat het tekeer.

Als we klaar zijn loop ik even naar het stel toe om te vertellen dat we er weer vandoor gaan. Ik wens ze een goede nacht, geef ze een fles water en laat een zaklamp achter zodat het zoeken van de juiste medicijnen wat minder risicovol zal zijn.
Als ik wegloop word ik nageroepen: ‘Dag lieverd, het ga je goed. Ik hoop dat de foto’s gelukt zijn.’

Onder de indruk lopen we terug naar de auto en voor we de nacht in rijden praten we zachtjes met elkaar over hoe weinig we eigenlijk onze zegeningen tellen en te vaak dingen voor vanzelfsprekend aannemen.

‘Het ga je goed’, de woorden echoën na in mijn hoofd en in stilte retourneer ik de wens. Bedankt lieve mensen voor deze les.

Maar ik ben gelukkig
Ook al zie ik het niet
Teveel ontevreden met alles
Te weinig tevreden met niets

Stef Bos

Tekst Annemieke Witteveen

Vorig artikelDe steen van Roeg
Volgend artikelHunebed D6 near Tynaarlo English

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.