Honderd jaar geleden werd het Drouwenerzand nog gezien als een enorme bedreiging. Men zag het als een volkomen nutteloos gebied waar men liever niets mee te maken had.

Ondertussen hebben duizenden mensen het gebied op een positieve manier leren kennen door de vele zondagse wandelingen en bovenal door de talloze schoolreisjes die naar dit fascinerende gebied zijn georganiseerd.

Het begrip ‘natuur’ heeft geleidelijk aan een stevige plaats verworven in het beleid en het beheer. De Stichting ‘Het Drentse Landschap’ beheert het gebied met zorg en waakt over de laatste restjes door de mens gemaakte woestijn.

Locatie

Kaart Drouwenerzand. Google Maps

Wandelroutes

Het Drents Landschap heeft twee wandelroutes uitgezet in het gebied, een van 5 kilometer en eentje van 9 kilometer. Deze zijn te vinden op hun website. Zie https://www.drentslandschap.nl/natuurgebied/drouwenerzand

Foto Jannes van Echten

Het verhaal

Het Drouwenerzand herbergt een grote diversiteit aan aardkundige waarden. Het is daarom niet verwonderlijk dat dit gebied op 1 oktober 2009 door de provincie is uitgeroepen tot het eerste aardkundige monument van Drenthe.

Stuifzand

Na de laatste ijstijd is het klimaat steeds milder geworden en ontwikkelden zich op de Hondsrug uitgestrekte loofbossen. Vegetatie bedekte het landschap en verhinderde het wegstuiven van het zand. Het ontstane dekzandreliëf werd geconserveerd.

Vanuit het Hunzedal begon de vorming van veen dat door het steeds vochtiger wordende klimaat overging van laagveenvorming in hoogveenvorming. Het hoogveen breidde zich sterk uit en leidde tot het ontstaan van het circa 160.000 hectare grote Bourtangerveen.

De lemige en daardoor relatief vruchtbare zandgronden op de Hondsrug veroorzaakten een uitbundige boomgroei. Waarschijnlijk hebben onze voorouders aan de vegetatie de meest vruchtbare plaatsen in het landschap kunnen aflezen en kozen deze plekken uit voor bewoning. Reeds in de prehistorie was de Hondsrug een favoriete woonplaats voor de mens.

Bossen werden gekapt en in de loop van de tijd werd landbouw bedreven via het zogenaamde potstalsysteem. Voor strooisel in de stallen gebruikte men eerst bosstrooisel en later veel heideplaggen. De mest werd opgepot in de stallen en schaapskooien tot het voorjaar, waarna het op de akkers van de es werd verstrooid. Op de essen is zodoende door de eeuwen heen veel zandhoudende mest opgebracht, waardoor dikke eerdgronden zijn ontstaan.

Dit zijn bodemtypen met een homogeen donkergekleurde bovenlaag, ook wel ‘plaggendek’ genoemd, van meer dan 50 cm dik. Deze zogenaamde enkeerdgronden vinden we onder andere op de Drouwener Oosteresch.

Door de intensivering van de landbouw, met name die van de schapenteelt – zo had Drouwen in de tweede helft van de negentiende eeuw 1300 schapen – werd de heide rondom de essen frequenter afgeplagd. De beschermende vegetatie werd steeds vaker van het dekzand verwijderd. Bovendien liep over de Hondsrug een belangrijke noord-zuid verkeersader.

Als voorloper van de A34 bevond zich hier een zandweg, in de vorm van karrensporen, die intensief bereden werd door karren en koetsen en die vanaf de zeventiende eeuw steeds belangrijker begon te worden.

Foto Jannes van Echten

Periodiek kon de bovengrond gortdroog worden, doordat het regenwater makkelijk van de hooggelegen Hondsrug afgevoerd kon worden en het door het, als gevolg van de invloed van de zoutpijler, ontbreken van de keileemlaag hier makkelijk kon inzijgen. Al deze factoren zorgden ervoor dat bijvoorbeeld in een droog voorjaar het overal losliggende zand vanuit de meest getergde plaatsen door de wind kon worden opgenomen en hiermee begon een proces dat plotseling niet meer te stuiten was.

De uitgestoven kuilen vergrootten zich en het weggeblazen zand bedekte de omgeving. Doordat de ondergestoven vegetatie verstikte, kon de zandverstuiving zich steeds verder uitbreiden. Het Drouwenerzand breidde zich in de achttiende en negentiende eeuw flink uit en groeide uit tot een honderden hectares groot stuifzandgebied. Recent geomorfologisch onderzoek heeft aannemelijk gemaakt dat uitbreiding van een stuifzandgebied niet alleen met de wind mee, maar juist ook tegen de wind in plaatsvindt.

Dit verklaart ook de uitbreiding van het stuifzandgebied westelijk van de intensief gebruikte karrensporen en de complete lamlegging van het stuifzand nadat in het westelijke gedeelte bos werd aangeplant. Aan de oostzijde van de Hondsrug werd ten tijde van de meest hevige uitbreiding een metersdik pakket stuifzand over het reeds eerder gevormde hoogveen afgezet.

Het was dus niet toevallig dat in de oostelijke rand van het Drouwenerzand omstreeks 1895 onder het stuifzand veen werd aangetroffen. Vele Drouwenaren wonnen, vooral in de oorlogsjaren, hier hun turf om ’s winters de kachel mee te stoken. Omdat brandstof erg schaars was, had iedereen in die tijd belang bij veen. Hierdoor werd de grond in kleine perceeltjes verdeeld en ontstond aan de oostkant van het Drouwenerzand een zeer versnipperde eigendomssituatie. De metersdiepe kuilen die zijn gegraven om de turf onder het stuifzand weg te halen, zijn nog steeds goed herkenbaar.

Bodemkundig wordt stuifzand gekenmerkt als een fijngelaagde grauwkleurige afzetting. Deze kleur is ontstaan door het mengen van bodemlagen bij de verwaaiing. Op sommige plaatsen werd het dekzand tot op de restanten van de keileem weggeblazen waardoor in een uitgestoven vlakte een mengsel van grote en kleine stenen aan de oppervlakte kwam te liggen.

Op andere plaatsen werd het zand door de vegetatie gevangen en vastgelegd, waardoor juist hoge duinen konden ontstaan. Dit grillige stuifzandreliëf is overal, ook in het beboste gedeelte van het natuurreservaat Drouwenerzand, waar te nemen.

Informatiepaneel over de bijzondere aardkundige waarden van het gebied. U komt het tegen tijdens de wandeling die is uitgezet door het Drents Landschap.
Bebossing

In 1903 werd een grootscheepse poging gedaan om verder verstuiven van het Drouwenerzand tegen te gaan. Er werd een bebossingsplan ontworpen, waarna de Oranjebond van Orde 300 ha grond, waaronder het gehele stuifzandgebied, aankocht voor in totaal drieduizend gulden. De Oranjebond van Orde werd financieel gesteund door de ‘Kwartguldenvereniging’ die in 1894 in Den Haag was opgericht met als doel het bijeenbrengen van gelden ten behoeve van heideontginningen.

Iedereen die een kwartgulden of meer bijdroeg, werd als lid ingeschreven. Haar naam heeft aanleiding gegeven om de grote stuifzandheuvel in het huidige bos ‘de Kwartjesberg’ te noemen.

De Nederlandsche Heidemaatschappij kreeg opdracht om het bebossingsplan uit te voeren. Vanaf 1915 begon men met bebossen aan de oostkant van de weg Borger-Gasselte, waar het huidige terrein van Het Drentse Landschap begint. Eerst werd een raster van loofhoutsingels aangeplant, waarna de zo ontstane vakken grotendeels met grove den werden opgevuld.

Men was van plan het gehele terrein te bebossen, maar de bomen ontwikkelden zich zo slecht dat er uiteindelijk weinig rendement van verwacht zou kunnen worden. Een gedeelte van de niet stuivende gronden van het aangekochte gebied, zoals het oostelijke gedeelte van de Kampenesch, werd daarom tot akker- en weiland ontgonnen en jaarlijks verhuurd. Van de grote zandzee is tegenwoordig nog slechts een heel klein stukje open stuifzand overgebleven.

Dit gedeelte, dat wij kennen van onze wandeling door het huidige natuurgebied, is slechts een klein rudiment van de ‘dorre en doodsche zandzee’ en heeft door de luwe ligging in de aangeplante bossen zijn oorspronkelijke bedreiging totaal verloren.

Harm Tiesing, altijd optimistisch over een zonnige toekomst voor de landbouw, schreef ongeveer een eeuw geleden: “Het Drouwenerzand was een geducht natuurverschijnsel. Onze eeuw heeft de bezwaren geheel overwonnen. Het terrein zal eenmaal, na den minder gunstigen boschgroei, geëgaliseerd worden en dan heerlijke Drentsche duinaardappels leveren. Zoo wacht Drenthe nog altijd in verschillende opzichten een betere toekomst.” Zijn voorspelling is echter niet uitgekomen…

Drouwenerzand nu

 In 1923 ging het Drouwenerzand over in handen van de Heidemij. Deze verkocht het gebied ten oosten van de weg Borger-Gasselte vervolgens aan Mr. J.A. Schreuder te Haren.

Nadat de zware storm van 1972 het bos hevig had toegetakeld, verkocht Schreuder op 20 december 1974 zijn bezit aan Het Drentse Landschap. Hiermee werd door deze stichting 200 hectare in één keer verworven.

Vanaf 1981 heeft Het Drentse Landschap een groot deel van het gebied omrasterd en laat hier sindsdien een kudde Drentse heideschapen lopen.

Het oostelijke gedeelte van het huidige Drouwenerzand is niet systematisch bebost. Het resterende stuifzand is in de loop van de twintigste eeuw weer begroeid geraakt. De zogenaamde successie (opeenvolging van vegetatie van kaal gebied tot bosstadium) in een stuifzandgebied begint veelal met pioniers als buntgras en zandzegge.

Al vrij snel beginnen zich tevens korstmossen te ontwikkelen. Korstmossen, ook wel lichenen genoemd, bestaan uit een combinatie van een schimmel en een wier.

Bij deze samenleving (symbiose) is het zo geregeld dat het bladgroen van de wier via grondstoffen uit de lucht organisch materiaal aanmaakt, dat als voedsel dient voor de schimmel. De schimmel levert het benodigde water en enkele essentiële voedingselementen aan de wier.

Door deze hechte samenlevingsvorm zijn korstmossen geknipt als pioniers in een stuifzandgebied. Tijdens inventarisaties zijn in het Drouwenerzand 25 verschillende soorten korstmossen gevonden. Als de omstandigheden rustig blijven, verschijnen na de korstmossen meerdere grassoorten en ook opslag van bomen en struiken.

Een kenmerkende struik in stuifzanden is de jeneverbes. Aan de oostzijde van het Drouwenerzand komen grote jeneverbesstruwelen voor.

Indien de successie doorzet, is na verloop van tijd een stuifzandgebied veranderd in bos.In het oostelijke heide-stuifzandgebied van het Drouwenerzand komen bijna alle successiestadia tussen open zand en heide nog voor. Dit is te danken aan de verwijdering van opslag, maar voor een groot deel ook aan de schaapskudde die hier voor Het Drentse Landschap beheerstaken uitvoert.Korstmossen zijn erg gevoelig voor betreding. Daarom heeft de introductie van de schaapskudde de successie enerzijds teruggezet, maar anderzijds komt in het terrein op de kapotgetrapte stuifzandgedeelten de successie weer opnieuw met de eerste pioniers op gang. In feite zorgen de schapen op heel kleine schaal voor een stukje dynamiek die vroeger op grote schaal door de wind werd verzorgd.Naast de schapen dragen ook de recreanten hun steentje bij. Het laatste restantje open stuifzand heeft vooral op gezinnen met kinderen een grote aantrekkingskracht.

 De hoge recreatieve druk heeft als positief effect dat dit terreingedeelte nauwelijks kans krijgt om begroeid te raken, waardoor het stuifzand nog enigszins als zodanig herkenbaar blijft. De verwijdering van een groep bomen aan de oostzijde heeft tot gevolg gehad dat het open stuifzand zich de laatste tijd weer uitbreidt.

Meer informatie:

Voor meer informatie over het Drouwenerzand en over de andere aardkundige monumenten in Drenthe zie https://www.provincie.drenthe.nl/onderwerpen/natuur-milieu/bodem/aardkundige-waarden/drouwenerzand/

Tekst Provincie Drenthe

Foto’s Provincie Drenthe, Gerrie Koopman en Jannes van Echten

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.