De Romeinse stad Pompeii, is een van de beroemdste en meest fascinerende oudheidkundige steden ter wereld. Deze stad kreeg op 24 en 25 Augustus in het jaar 79 een uitbarsting van de nabije vulkaan, de Vesuvius, over zich heen dat het einde van deze stad betekende.

Al honderden jaren lang wordt er gegraven in de dikke aslagen die de stad hebben bedolven. Eerst was er sprake van plunderingen, later werd er beter onderzoek gedaan waardoor er gelukkig veel bewaard is gebleven.  Tegenwoordig is een groot gedeelte van de stad opgegraven, maar nog lang niet alles. Archeologen doen nog steeds nieuwe vondsten. Wat wel is opgegraven is zeer indrukwekkend. We krijgen een kijkje in het dagelijks leven van het jaar 79.

Pompeii met op de achtergrond de Vesuvius

De inwoners van Pompeii

De vulkanische as die Pompeii in 79 heeft bedolven heeft ervoor gezorgd dat een gedeelte van de lichamen die bedolven zijn door het as als holtes zijn overgebleven. De lichamen zelf zijn compleet vergaan.  Deze holtes zijn later door archeologen opgevuld met afgietsels waardoor we ze nu als complete lichamen kunnen zien. We zien mannen, vrouwen en kinderen. We zien dat ze toentertijd zijn overvallen door de grote hoeveelheid as die de vulkaan heeft uitgespuwd. Het is allemaal in zeer korte tijd gebeurd.

Pompeii, afgietsels van lichamen

Pompeii en Herculaneum

Tegenwoordig is Pompeii een archeologische locatie waar geen mensen meer wonen, en hetzelfde geldt voor Herculaneum, een kleiner en iets minder bekend stadje dat zon 15 kilometer noordwestelijk van Pompeii ligt. Dit stadje werd eveneens getroffen door de uitbarsting van de Vesuvius. Pompeii telde zo’n 20.000 inwoners terwijl Herculaneum maar 5000 inwoners telde omdat het een buitenwijk was van Neapolis. ( Het tegenwoordige Napels). Maar toch hadden ze een grote overeenkomst, de abruptheid waarmee het bestaan eindigde. De archeologen vonden onder 8 meter gesteende een stilgezet leven in Pompeii, en onder 20 meter gesteente het stilgezette Herculaneum.

Door de stilzetting van de tijd was alles nog in goede staat en was het leven van de Pompejanen goed te achterhalen. Overal hingen de schilderijen nog aan de muur, en stonden de fruitmanden nog op tafel. Planten die werden gevonden konden gedetermineerd worden. Er is geen beter voorbeeld van de Romeinse cultuur te reconstrueren dan in Pompeii.

Er is veel tot in detail bewaard gebleven.

Pompeii, een rijke stad

Hoewel Herculaneum meer op handel en visserij was gericht was Pompeii veel commerciëler. Pompeii was een schakel in het handelsverkeer, en werd bewoond door tientallen ambachtslieden – onder andere metaalbewerkers, pottenbakkers en glasblazers. Er waren nog enkele sporen van andere culturen, maar de Romeinse gewoonten hadden de overhand. Naast een heleboel andere faciliteiten bezat Pompeii een groot amfitheater voor gladiatorengevechten. Dit amfitheater was gebouwd door een Romeins speculant en er pasten 20.000 mensen in. In twee andere theaters kon iedereen vermaakt worden door toneelstukken en muziek, ook waren er zo’n 100 kroegen en tavernes waar iedereen zijn dorst kon komen lessen. Pompeii bezat drie badhuizen. (Een vierde was in aanbouw) Verder had Pompeii minstens 10 tempels en – vlakbij het grote forum – een grote basilica.

De Pompejaanse straten waren geplaveid met vulkanisch gesteente, langs de straten liepen goten voor afvalwater. Op straat waren fonteinen aangelegd die de mensen en dieren van water voorzagen. De woningen waren zeer verschillend, van mooie gedecoreerde huizen met vele vertrekken en binnenplaatsjes, tot simpele appartementen en kleine kamertjes achter werkplaatsen.

De straten waren geplaveid met vulkanisch gesteente, er lopen sporen van karren door. Als het regent en de straten worden nat kun je via stapstenen van de ene kant van de straat naar de andere kant.

Terugkering van de bewoners

Een groot deel van de bevolking van Pompeii was op tijd gevlucht en keerde enkele weken na de ramp terug naar hun stad, waar ze niet meer dan een kale vlakte aantroffen. Sommige inwoners begonnen te graven aan de hand van de kleine stukjes die nog boven de lava uitstaken. De mannen groeven verticale gangen met zijgangen en gingen zo van vertrek naar vertrek en namen spullen van zichzelf en waarschijnlijk ook van vele andere mee.

Archeologen die later de huizen onderzochten kwamen een aantal huizen tegen waar het marmer van de muur was gehaald en waar de beelden en andere ornamenten waren meegenomen. Sommige tochten zullen inderdaad wat hebben opgeleverd maar er is ook een heleboel onheil bij gekomen want onder de aslaag waren nog veel giftige dampen aanwezig en ook stortten veel van deze tunnels in. Door deze gevaarlijke tochten liep het dodental van de uitbarsting weer op. Al snel gaven de inwoners de moed op en stopte ze met de opgravingen.

Goed bewaarde huizen

Opgravingen

Gedurende lange tijd ging het zoeken naar kostbaarheden in hoog tempo voort, en dat ging ten koste van de rest van Pompeii. Alcubierre, de man die van 1738 tot 1765 de leiding had over de opgravingen, was eigenlijk net als alle anderen een plunderaar. Hij stroopte de ene na de andere vindplaats af en liet dan in het wilde weg hier en daar tunnels bouwen. De vindplaatsen die niet snel genoeg wat opleverden gaf hij op, en als hij huizen of tempels tegen kwam roofde hij die leeg. Fresco’s werden van de muren gebikt, en vazen, munten, beelden en andere objecten werden afgevoerd naar andere opslagplaatsen.

Ook werden de opgravingen versneld met behulp van explosies. Deze technieken leverden voor Karel III veel op want heel Europa keek tegen hem op vanwege zijn groeiende collectie antiquiteiten. Als er hoog bezoek kwam kijken naar de opgravingen werden er van tevoren enkele vazen verstopt en deden de opgravers net of ze de hele dag door spullen vonden.

Het gebied kwam in 1798 in andere handen. Tien jaar later nadat Napoleon tot keizer was gekroond, liet hij zijn zus Caroline en haar echtgenoot Joachim Murat als koninklijk paar bij Napels wonen, om daar zijn bevelen uit te voeren. Hij voerde het werktempo nog verder op zodat er 500 werklieden werkzaam waren. Vooral Caroline was erg geïnteresseerd in de opgravingen, vanwege de sieraden en kunstwerken die er werden gevonden. Pas na 1860 werd er begonnen met serieus onderzoek. De grond was toen in bezit van koning Victor Emmanuel II, hij had een klein leger opgravers die onderzoek deden onder leiden van Giuseppe Fiorelli. Hij bleef leider tot 1875.

Fiorelli’s benadering was er een met discipline en ordelijkheid. Eerst liet hij al het puin wat zich de afgelopen jaren had opgehoopt opruimen, en liet hij een afvoer voor regenwater aanleggen. Nadat hij wist waar de buitenste stadsmuren lagen begon hij alles op een kaart in te delen in zones en wijken, waarbij hij alle huizen en gebouwen aangaf en alles een logische nummering kreeg. Bij ieder huis wat werd blootgelegd schreef hij op hoe alles eruit zag en waar het huis precies stond. Alles wat werd gevonden, dat heel kostbaar was werd overgebracht naar een musea of een speciale opslagplaats.

Zo kwam stukje voor stukje de oude stad weer naar boven en kreeg opnieuw leven. Omdat de steden en villa’s bijna helemaal heel waren bedolven, konden ze bijna ook helemaal heel weer worden blootgelegd. Fiorelli demonstreerde de mogelijkheden rond het opgraven en zijn voorbeeld werd door andere archeologen opgevolgd.
Dit leidde niet alleen naar een mooi beeld van een oude stad, maar ook naar een dramatisch beeld van alle skeletten en lichamen die werden gevonden.

Deel van de enorme hoeveelheid vondsten

De archeologen groeven niet alleen huizen en relikwieën op, maar men vond er ook een eettafel met eieren en vis; in potten waarin vlees was bewaard werden nog stukjes bot gevonden. In winkels werden verdroogde uien, bonen, olijven en vijgen gevonden. Ook in de gewone huizen werden sieraden, cosmetica, parfum, bronzen spiegels, ivoren kammen en gelukshangertjes gevonden in de vertrekken waar ze als laatste waren gebruikt. In Herculaneum was hetzelfde gebeurd, door het plotselinge einde had iedereen zijn spullen overal achter gelaten. Er stond in een van de huizen nog een maaltijd van brood, salade, cake, fruit op tafel.

Fiorelli wist dat er een gedeelte in de stad was waar de mensen niet op tijd konden vluchten. Hij ging op zoek en vond spectaculaire dingen. De laag as die naar beneden was komen vallen had niet alleen de huizen afgedekt maar ook de mensen toen zij in doodsangst op de vlucht waren. De as drong in het haar en tussen de vouwen van de kleren en zo moesten er holten achterblijven. Dat kwam omdat het as na een regenbui was gaan uitharden. Het werd dan ook per ongeluk ontdekt toen de werklieden aan het uithakken waren en ze ineens een hol stuk tegen kwamen. De lichamen die in die holten hoorden te zitten waren allang vergaan, maar Fiorelli liet daarom vloeibaar gips in de holten gieten. Nadat het gips hard was geworden, werd het omhulsel van as verwijderd, en zo bleef er een levensecht persoon over.
Nadat er steeds meer slachtoffers met deze methode werden gevonden, groeide de belangstelling voor de menselijke kant van het verhaal van Pompei. Door de afgietsels waren de bange gezichtsuitdrukkingen na al die jaren nog goed te zien. Zoals een vrouw die haar baby vasthoudt terwijl twee meisjes zich aan haar gewaad vasthouden, een jonge man en vrouw die naast elkaar neervallen terwijl ze proberen te vluchten en buiten de noordelijke muur vinden ze een man die sterft terwijl hij zijn geit voorttrekt.

Meer vondsten

Overal doken momenten op waarin mensen gezamenlijk waren gestorven. In het huis van een zekere Quintus Poppaeus, stierven 10 slaven op weg naar de tweede verdieping en hun leider hield een bronzen lantaarn vast. In het huis van Publius Paquius Proculus stierven 10 kinderen toen het dak boven hen onder het gewicht van het vallende puimsteen het bezweek. In een gebouw waar wijn werd verhandeld, scholen 34 mensen, ze hadden brood en fruit bij zich om het eind van de uitbarsting af te wachten. In een villa buiten de stad stierven 18 volwassenen en 2 kinderen in een kelder. De meester van het huis, stierf buiten met de zilveren sleutel in zijn hand. Hij was op weg naar de akkers, samen met een rentmeester die geld en andere kostbaarheden droeg.

Veel mensen die probeerden te vluchten hadden enkele bezittingen bij zich. De meesteres van een groot huis stikte buiten in gezelschap van drie dienstmeisjes, overal rond hun lichamen werden sieraden en geld gevonden. In de buurt van de kazerne van gladiatoren, bezweek een slaaf naast een paard waarop hij kleding en andere bruikbare spullen had neergelegd.

Het theater in Pompeii
Binnenkant theater

Meer onderzoek in Pompeii

Fiorelli was natuurlijk een van de belangrijkste initiatiefnemers geweest bij het opgraven van Pompeii. Zonder hem zou de stad waarschijnlijk van al zijn kostbaarheden zijn beroofd, en zou de sfeer die in de huizen, winkels en straten hangt verloren zijn gegaan. Na Fiorelli zijn er nog verschillende opvolgers geweest, maar de belangrijkste was de Duitse Archeoloog Augustus Mau.
Mau die het laatste kwart van de 19e eeuw in Pompei als archeoloog werkte, onderzocht bouwmaterialen en ornamentele details van gebouwen, om architectonische stijlen op het spoor te komen.

Zijn studie van de toepassing van grijze tufsteen, een vulkanisch gesteente, toonde aan dat deze steensoort vooral in de tweede eeuw voor Christus werd gebruikt. Met behulp van de onderzoeken van Mau konden andere onderzoekers een dateringsysteem maken waarmee je kon onderzoeken hoe Pompeii als stad was gegroeid. Zo tekende Mau ook plattegronden en breidde hij het stratenplan van Fiorelli uit.

Een van de straten in Pompeii

Beeld van Pompeii door archeologisch onderzoek

Pompeii was voor die tijd al heel erg welvarend. Het hele jaar door werd met boten vracht aangevoerd over de rivier de Sarno, waarna die goederen via Pompeii verder werden getransporteerd. Maar Pompeii leefde toch voornamelijk van de landbouw. Op de velden die net buiten de stad lagen graasden grote kudden schapen die zorgde voor een bloeiende wolnijverheid in de stad. Op de Vesuvius stonden wijnstokken rijen dik die voor zoete wijn zorgden waar het gebied bekend om stond. Nog hoger op de Vesuvius werden olijven verbouwd. Een gedeelte van die olijven werden verkocht om opgegeten te worden, maar het grootste deel van de oogst werd verwerkt tot olie. De Romeinse bouwkunst was overal in het gebied terug te vinden. Over de akkers en velden liepen bogen van een stenen aquaduct dat zo’n 40 kilometer verder in de bergen begon en zich in twee takken splitste. (een voor Pompeii, en een voor Neapolis)
Dit aquaduct voorzag bijna de hele stad van water wat nodig was voor de fonteinen en de thermae, de hete baden, die een centrale plaats van het Romeinse socialen leven innamen. Er waren ook enkele putten ter aanvulling op het aquaduct. In de stad stonden meer dan 12 watertorens die verspreid stonden over de hele stad en zorgde voor het water reservoir. Door de druk, opgewekt door de lange afdaling vanuit de bergen, kon het water via loden pijpen worden opgepompt naar de top van de watertorens die ongeveer 6 meter hoog waren. Doordat het water vanaf die hoogte weer door kleinere pijpen werd geperst konden de fonteinen in de stad spuiten.

Een van de straten van Pompeii

Mau was zeer onder de indruk van deze waterleidingen en hij nam aan dat er voor de hele stad dan ook voldoende water ter beschikking was. In werkelijkheid waren de meeste families (ook de rijkere) van de fonteinen afhankelijk. Ook werd er bij de openbare gebouwen via het dak regenwater opgevangen in cisternen, die zich onder het gebouw bevonden. Gewone huizen hadden soms bassins waarin regenwater werd verzameld.

De meeste mensen die Pompeii wilden bezoeken kwamen uit Neapolis of uit Rome en daarom had Pompeii aan die kant van de stad het aanblik goed versterkt. Die kant van de stad was in bezit van twee monumentale poorten, de Herculaneum-poort en de Vesuvius-poort, en de stadsmuur was aan die kant negen meter hoog, waarvan er drie vierkante torens uitstaken. Om de rest van de stad stonden nog tien torens die over de stad waakten.

De muur bestond uit aarde en puim, dat was afgewerkt met ruwe blokken kalksteen en vulkanisch gesteente. Deze muur was waarschijnlijk de 3e eeuw voor Christus gebouwd en had ooit de 65 hectare die Pompei toen groot was omsloten.

De stad had nog 6 andere poorten, waaronder de smalle, zuidelijke Stabiaepoort, de oudste toegang tot de stad, die vroeger langs de stadsgracht uitkwam. De tonvormige Maria-poort, die aan de Sarno lag, en met een steile weg en trap betreedbaar was. Iedere avond gingen de deuren van de poorten dicht, en
s’ochtends gingen ze weer open. In de latere dagen was dit gewoon een gewoonte, maar vroeger hadden de poorten wel degelijk nut gehad. De poorten hadden bescherming geboden aan aanvallers. De sporen van de schade uit 89 voor Christus zijn nog steeds te zien, en zeker bij de Vesuvius-poort. Maar toen Pompei steeds populairder werd bij de rest van de Romeinen werden er delen muur afgebroken om plaats te maken voor stadsuitbreiding.

Bij het bestuderen van de stad hebben de archeologen zich vooral bezig gehouden met de gebouwen en monumenten die binnen de muur lagen. Bij het blootleggen van de stad was het makkelijk uit te zoeken wat welk gebouw was, omdat er bij elk gebouw een uitgebreide inscriptie stond met daarop vaak de naam, het doel, de datum van constructie, en de opdrachtgevers van het bouwwerk. Ook als er een gebouw gerenoveerd werd kwam er een uitgebreide inscriptie bij te staan. Zoals toen er een muur werd toegevoegd om de zuilengang naast de Tempel van Apollo af te sluiten waardoor grenzende huizen geen uitzicht meer hadden stond er op de inscriptie: “3000 sestertiën koste deze vergunning die het stadsbestuur eiste voor het recht licht af te nemen en te bouwen, tot de hoogte van de tegels” oftewel het dak.

Een bezoek aan Pompeii is zeer aan te bevelen. Het is een van de best bewaarde steden uit de oudheid.

Locatie

MUSEO VESUVIANO “GIOVAN BATTISTA ALFANO”
Indirizzo: Via Colle San Bartolomeo, 10 – Pompei

http://www.pompei.it/pompeii/pompeii-excavations.htm

 

 

 

 

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here