Schijf van vijf van de hunebedbouwers

0
1587
Prehistorische schijf van vijf

De natuur en eten lagen in de prehistorie dicht bij elkaar. Vandaag de dag is de natuur meer een ontdekking, een vorm van ontspanning en een belevenis, maar in de prehistorie moesten mensen altijd terugvallen op de natuur als bron van voedsel, grondstoffen en medicijnen. Vanaf de nieuwe steentijd ging de mens zelf eten produceren, maar hij bleef de natuur nog steeds als voedselleverancier zien. De mens heeft diverse voedselbronnen nodig, denk maar aan de huidige schijf van vijf.

Hunebedbouwster aan het verzamelnen in het bos.

Eerste vak: groente en fruit

In het eerste vak van de schijf van vijf: groente en fruit als eerste voedselbron. We schatten dat de mens als jager-verzamelaar net als de boeren in de nieuwe steentijd al ca. 20 procent planten aten. Zelfs de Neanderthalers, in de oude steentijd, aten de wortels van waterlelies naast andere bloemen en groenten (dat weten we door voedselresten in hun tandsteen). Van de vrouw van Huldremose (2de eeuw v.Chr., ijzertijd) weten we dat ze rogge met spurrie at als laatste maaltijd. Veel voorkomende  wilde groenten zijn: brandnetel, paardenbloem, herderstasje, perzikkruid, vogelmuur, weegbree, etc. De onkruiden van nu waren de groenten in de prehistorie. Van sommige huidige groenten is de wilde voorouder nog steeds in de Nederlandse natuur te vinden. Archeologisch onderzoek kan aantonen welke planten in een gebied in een bepaalde periode groeiden, maar dit bewijst niet dat ze werden gegeten. Verkoolde etensresten en veenlijken met geconserveerde maaginhoud laten zien dat de mens gedurende de prehistorie wilde planten gebruikte als kruid en groente. Vruchten uit de natuur zijn: wilde aardbeien, bramen, diverse bessen, wilde appels etc.

Brandnetel.

Tweede vak: olie en vetten

Het tweede onderdeel van de schijf van vijf: olie en vetten. In de vegetatie zijn deze lastig te verzamelen. Reuzel en talg kunnen via de jacht verkregen worden en vanaf de nieuwe steentijd worden lijnzaad en maanzaad verbouwd.

Vlas en lijzaad: plant met vezels en olie.

Derde vak: zuivel en peulvruchten

Zuivel en peulvruchten (derde onderdeel) zijn pas vanaf de nieuwe steentijd voorhanden, maar in de natuur vind je noten, vlees, vis en eieren. Hazelnootdoppen vinden we veel op midden steentijd-locaties. De hunebedbouwers verbouwden erwten en waren waarschijnlijk lactose intolerant. Melk van de huisdieren zal zijn verwerkt tot zuivelproducten, denk aan yoghurt, boter en kaas. Bewijs is hier echter tot op heden niet.

De erwt.

Vierde vak: graan, brood en aardappels

Het vierde vak bestaat uit graan, brood en aardappels. In de natuur zijn er planten met vergelijkbare voedingsstoffen, denk aan de wortels van waterlelies, wilde peen en lisdodde. Vanaf de nieuwe steentijd werden granen verbouwd en aten de hunebedbouwers pap en waarschijnlijk een soort brood en koeken.

Deeg van grof gemalen meel.

Vijfde vak: voldoende drinken

Hunebedbouwers zullen thee en water hebben gedronken en misschien ook vruchtensappen. Schoon water was geen probleem door de dunne bevolkingsdichtheid.

Appelsap, zullen de hunebedbouwers dit hebben gedronken?

Schijf van vijf

Uiteraard waren de hunebedbouwers niet bekend met de schijf van vijf, maar deze manier van denken maakt wel duidelijk wat een mens nodig heeft. Desondanks zullen de hunebedbouwers mogelijk giftige en schadelijke planten hebben gegeten en niet duidelijk hebben geweten wat iemand nodig heeft aan voedingsstoffen. Veel ongezonde stoffen waren niet tot de beschikking: zout was zeer schaars (uit botten), suikers (honing, fruit en bloemen waren de enige zoetstoffen), kunstmatige E-nummers waren er niet, en ga zo maar door. Hunebedbouwers konden een zekere leeftijd bereiken, maar kindersterfte en kraamsterfte zorgden ervoor dat de gemiddelde leeftijd slechts 35 jaar was.

 

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.