Bij archeologisch onderzoek vinden archeologen grondsporen en vondsten. Bij vondsten moet je denken aan (vaak kapotte) potten, gebruiksvoorwerpen, stukken kleding,  munten en botten van dieren en mensen. Het onderzoek naar menselijke botten wordt fysische antropologie genoemd. De onderzoekers zijn specialisten en kunnen veel vertellen over de mensen zelf, denk aan leeftijd, geslacht (man of vrouw), lengte en ziektes of aandoeningen.

Antropolozi u grobnici 2
Onderzoek naar menselijke resten. By Amiskov [CC BY-SA 4.0 (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0)], from Wikimedia Commons.

Bottenonderzoek – stap voor stap

Het vondstmateriaal bepaalt welke onderzoeken kunnen worden gedaan, denk aan het onderscheid tussen een heel skelet en losse botten, maar ook of de schedel, hele pijpbeenderen en bekken aanwezig zijn. Als eerste worden de botten onderzocht en verdeeld in dierlijke botten en menselijke botten. De botten van dieren worden verder onderzocht door een andere specialist: de archeozoöloog. Ook is het belangrijk vast te stellen of het gaat om verbrande botten door bijvoorbeeld crematie. De botten zijn dan vaak vervormd, maar toch is er soms best nog informatie te vergaren door te kijken naar specifieke kenmerken.

Op basis van de aanwezigheid van botten kan de onderzoeker de volgende vragen proberen te beantwoorden:

1. Wat is de leeftijd?

Op basis van groeikenmerken (grootte van de botten of schedel) en slijtage van botten kan de onderzoeker een leeftijd vaststellen. De schedel kan belangrijke informatie geven op basis van de tanden (wisselen van tanden) en de schedelsuturen (bij hoge leeftijd zijn de naden tussen de botten van schedel niet meer zichtbaar). De lengte van de pijpbeenderen kunnen een indicatie geven net als de slijtage van botten en tanden en het dichtgroeien van de groeischijven.

Crane1
Replica van een schedel. Muséum de Toulouse [CC BY-SA 4.0 (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0)], from Wikimedia Commons.

2. Is het een man of vrouw (geslachtsbepaling)?

Om het geslacht te bepalen kun je kijken naar de bekken (heupbotten), de schedel en de dijbeenbotten. Als deze botten niet zijn gevonden kun je kijken naar de spieraanhechting, maar op basis van alleen deze spieraanhechting zijn de resultaten niet altijd betrouwbaar. Door te kijken naar spieraanhechting in combinatie met het bekken, de schedel en de dijbenen kan een betrouwbare bepaling plaatsvinden.

Bij kinderen is het geslacht niet vast te stellen, omdat de botten pas na adolescentie mannelijke kenmerken vertonen.

Bekken

De bekkenbeenderen zijn voor geslachtsbepaling het duidelijkst. Bij vrouwen is de vorm van de bekkeningang meer afgerond en ovaal. Het verschil in vorm zorgt voor een groter geboortekanaal bij vrouwen. De onderzoeker kijkt naar een aantal kenmerken en geeft daar punten aan. Deze punten bepalen via een berekening het geslacht. Aan de bekkenbeenderen is ook te zien of een vrouw een kind heeft gekregen.

Schedel

Op basis van de schedel is vast te stellen met zo’n 95 procent betrouwbaarheid of iemand een man of vrouw is. Bij de mannelijke schedel zijn de botten grover. Bij de schedel worden net als bij de bekkenbeenderen op verschillende kenmerken gelet en aan deze kenmerken worden punten gegeven. De punten geven door middel van een berekening aan wat het geslacht is. Een aantal botten zijn makkelijk te voelen en aan te wijzen, denk aan de wenkbrauwbogen (bij mannen hoger), het voorhoofd (bij vrouwen rechter) en de botjes achter het oor en aan de achterkant van het hoofd zijn grover.

Mastoid process - lateral view
Het botje achter je oor (Processus Mastoidius) is groter bij mannen.

3. Hoe lang is de persoon geweest?

De lengte van een persoon is te berekenen door de lengte op te meten van de pijpbeenderen, met name het dijbeen. Op basis van de lengte van het pijpbeen wordt de lengte van de persoon berekend. De onderzoeker houdt hierbij rekening met een marge van 10 cm voor het bindweefsel. Bij de vondst van een heel skelet is het gemakkelijker om de lengte vast te stellen uiteraard.

4. Waar komt de persoon vandaan?

Op basis van de schedel kan iets worden gezegd over het gebied waar de persoon vandaan komt. Bijzonder is dat mensen uit het Mediterrane gebied verschillen met de mensen uit het noorden van Europa.

5. Welke aandoeningen of ziektes heeft de persoon gehad? Is de persoon gezond geweest? Is de persoon in aanraking geweest met geweld?

Aan het skelet zijn sommige ziektes en afwijkingen te zien. Ook kun je zien of iemand botbreuken, slijtage of artritis heeft gehad. Hierdoor krijg je te zien wat voor soort leven de persoon heeft gehad.

Aan botten is te zien of iemand gezond was, maar ook of zijn dieet goed was. Botontkalking kan wijzen op ondervoeding, maar ook ziektes.

Botten kunnen ook vertellen als iemand in aanraking is geweest met geweld of hier zelfs mee om het leven is gekomen. Denk aan klappen, haksporen of zelfs een gat van een pijlpunt.

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.