Residuanalyse wordt gebruikt in diverse werkgebieden, waaronder archeologie. Bij het onderzoek wordt gekeken naar de samenstelling, de aard en de hoeveelheden van organische residuen van zowel planten als dieren. In de archeologie moet je denken aan residuen aan het oppervlak of inmiddels geabsorbeerd in een poreus materiaal, denk aan schelpen, aardewerk, botten, etc. Aardewerk vormt een interessante informatiebron voor het gebruik van natuurlijke producten, de eetgewoontes en de gebruiken. In de residuen zijn biomoleculen te vinden, denk aan lipiden, polyfenolen, proteinen en DNA. De manieren van analyseren zijn zeer divers.

Resultaten

Archeologen proberen het dieet vaak te reconstrueren om het verhaal compleet te maken. In de uitzonderlijke situatie dat de ingewanden blijven bewaard weten we wat de persoon heeft gegeten, maar verder wordt vaak gekeken naar onderzoek naar plantenresten, waaronder stuifmeel. Onderzoek naar residuen geeft echt inzage wat de mensen gebruikten in hun recepten en wat voor recepten.

Onderzoek in de omgeving van Oldebroek heeft nieuwe gegevens opgeleverd door residu-analyses naar scherven van de trechterbekercultuur en de bronstijd (KUBIAK-MARTENS & OUDEMANS, 2011.). Wat betreft de trechterbekercultuur lijken de residuen aan te tonen dat dierlijk voedsel met plantendelen werden gekookt:

  • dierlijk vet: residu van gekookt vlees;
  • eiwit van dieren of planten (peulvruchten);
  • resten van groene plantendelen, denk aan stengels, bladeren en knoppen;
  • resten van knollen en wortels.

In de bronstijd zien de onderzoekers een verandering: een scheiding tussen koken van plantendelen en dierlijk voedsel. Meer onderzoeken zijn nodig om dit te kunnen bewijzen, maar het resultaat is interessant. De analyse toont ook aan dat planten belangrijk waren waaronder de verwerking van zetmeelrijke wortels en knollen.

Dit voorbeeld toont aan dat residu-analyse een unieke kijk kan geven op het leven (en het dieet) van de mensen in de prehistorie. Het onderzoek is gedaan met behulp van Directe Temperatuur-opgeloste MassaSpectrometrie (DTMS) en Rasterelectronenmicroscoop (SEM). Het chemisch onderzoek (DTMS) maakt met behulp van chemie organisch materiaal zichtbaar. 

Lipiden

De belangrijkste bron voor archeologisch onderzoek zijn de lipiden. Lipiden blijven het beste bewaard en worden niet uitgespoeld door grondwater (niet oplosbaar in water). Lipiden zijn vetten en vetzuren. In het verleden zijn vetten en vetzuren gebruikt in dieet, maar ook als middel om te polijsten, smeren, binden of vernissen, als basis voor zalf en parfum, als grondstof voor kunstwerken en als brandstof. Harsen behoren ook toe tot de lipiden en de harsen zijn gebruikt als geurstof, als grondstof voor sieraden of teer en pek.

Birkenpech
Berkenteer. By Jorre [GFDL (http://www.gnu.org/copyleft/fdl.html) or CC BY-SA 3.0 (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0)], from Wikimedia Commons.

Polyfenolen

Polyfenolen zijn een groep van chemische verbindingen die voorkomen in planten. Deze groep is lastiger te analyseren en lost op in water. Deze groep verbindingen komt voor in vruchten, groenten, wijn, bier, olijfolie, granen en noten. in de archeologie zijn al resultaten geboekt. Dankzij deze stoffen is aangetoond dat farao Toetanchamon in zijn graf zowel rode als witte wijn had.

Detail of Tutankhamun's middle coffin
Toetanchamon. By A. Parrot [CC BY-SA 4.0 (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0)], from Wikimedia Commons.

Proteïnen of eiwitten

Bij eiwitten zijn de kans groot op afbraak groter, maar in sommige omstandigheden blijven de proteïnen bewaard voor analyse. In aardewerk, botten en op het oppervlak van stenen artefacten kunnen eiwitten worden aangetroffen. Bij een analyse is het eiwit dan gedetailleerden dan de lipiden en kan het eiwit verwijzen tot zelfs het kenmerkende soort. 

DNA

DNA is een macromolecuul wat fungeert als belangrijkste drager van erfelijke informatie. DNA zit in alle organismen. Nieuw is het onderzoek naar DNA binnen residuen, maar de eerste resultaten zijn indrukwekkend. Bij analyses is het dan mogelijk om tot individueel niveau te komen. Uiteraard moeten de monsters van voldoende kwaliteit zijn om het succesvol te analyeren.

Bronnen

KUBIAK-MARTENS, L. & T.F.M. OUDEMANS, 2011. Voedselresiduen in Trechterbeker- en bronstijdaardewerk, pp. 453-468. In: HAMBURG, T., ET.AL., 2011. Bronstijd opgespoord: Archeologisch onderzoek van prehistorische vindplaatsen op Bedrijvenpark H2O – plandeel Oldebroek (Provincie Gelderland). ARCHOL BV & ADC Archeoprojecten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.