Willempje is net wakker geworden en ze wrijft zich in haar ogen. Haar drie zusjes liggen nog rustig naast haar te slapen. De meisjes liggen samen in een bedstee, dat is een bed dat in een kast ingebouwd is. De deurtjes van de bedstee zijn dicht waardoor het pikdonker is in het kleine hokje, en lekker warm.

“Het is zes uur!! Zes uur!”, klinkt de stem van de armenmoeder. Willempje zucht en kreunt. Ze is nog moe en heeft geen zin om op te staan. Ze rekt zich eens flink uit. Haar voeten komen nu bij het hoofdeind van Geertje, die naast haar ligt in de smalle bedstee, onder de dekens vandaan. Haar teen zit zowat in Geertje haar neus! Willempje draait zich gauw om. Ze gluurt door een kier in de deurtjes van de bedstee. De armenmoeder steekt de petroleumlamp aan met een lucifer. Hè, dat ziet er een stuk gezelliger uit! Willempje springt uit de bedstee. Brrr, wat is het koud. Snel stapt ze van de stenen vloer op de mat. Die prikt in haar blote voeten. De armenmoeder, mevrouw Walda, staat al klaar met een klusje voor Willempje.

“Ga eens gauw die sok van Wander stoppen,” zegt ze, “dan kan hij hem straks aan naar school. Hij zit in het naaikistje.”

“Ja vrouw Walda,” zegt Willempje, en schiet in haar wollen hemd en onderbroek. Hup, de blauwe jurk aan, met daaroverheen een schoon wit schort, en Willempje is klaar. Ze pakt het kistje met verstelwerk en gaat ermee bij de kachel zitten. Erg warm is die nog niet, want de oude Jan, die ook in het Armenwerkhuis woont, is nog bezig hem op te poken. Jan zegt niks. Hij kauwt zijn pruimtabak en af en toe maakt hij een slurpend geluid, als het bruine spuug uit zijn mondhoek dreigt te lopen. PRRT! Met een boog spuugt Jan de uitgekauwde pruim in een aardewerken spuugbakje (het kwispedoor). Meteen steekt hij een nieuw stuk tabak achter zijn kiezen en het kauwen gaat verder.

Willempje is 10 jaar en woont met haar drie zusjes en nog ongeveer 20 andere mensen in het Armenwerkhuis van Borger. In het Armenwerkhuis zijn een armenvader en een armenmoeder de baas. Zij moeten zorgen voor het eten en voor kleding. Ook moeten zij ervoor zorgen dat de mensen in het Armenwerkhuis op een nette manier leven. De bewoners mogen niet vloeken of lelijke woorden gebruiken. De bewoners van het Armenwerkhuis zijn oude mensen die niemand hebben die voor hen kan zorgen, zoals de oude Jan. Er wonen kinderen die geen ouders meer hebben, zoals Willempje en haar zusjes. Ook wonen er kinderen van wie de ouders niet goed voor hen kunnen zorgen, zoals Wander. En soms wonen er mensen die ziek zijn of gehandicapt.

Armenhuis vanaf de Bronnegerstraat in dejaren tachtig voor de verbouwing.

Willempje helpt haar zusjes met aankleden. De armenmoeder heeft de kleine Berend in zijn kinderstoel aan tafel gezet. Ze maakt een bordje pap voor hem op het petroleumstel. Ze kijkt om als Wander uit zijn bed stapt.

Wander is 11 en woont alweer een jaar in het Armenwerkhuis. Zijn moeder is heel arm en kan niet goed voor hem zorgen. Wander zijn vader is overleden.

“Heb je het een beetje warm gehad vannacht, jongen?” vraagt de armenmoeder. Wander schudt zijn hoofd van nee.

”Ga maar even water halen voor de koffie,” zegt ze. “En daarna moet je twee emmers water halen bij de pomp”. Wander stapt in zijn klompen, met maar één sok aan. Om zijn hals wikkelt hij een oude sjaal.

De waterpomp is vlakbij, aan de Bronnegerstraat.  Hij moet opschieten want het is al bijna zeven uur. Hij zwengelt zo hard hij kan aan de pomp en sjouwt dan zijn volle emmers terug naar het Armenwerkhuis. 

De armenmoeder doet het water in een grote ketel. De ketel zet ze op de kachel. Als straks het water warm genoeg is, doet ze het water in een tobbe met luiers en lakens, die ze straks gaat wassen.

Van al dat geklots van het water moet Willempje plassen. Ze loopt meteen door naar het huisje achter het Armenwerkhuis. Daar staat de poepdoos.

In de verte kun je het grote hunebed zien liggen. Soms als ze geen klusjes hoeven te doen en vrij zijn van school gaan Willempje en de andere kinderen uit het Armenwerkhuis daar verstoppertje spelen.

Willempje gaat het huisje binnen en haalt de deksel van de ton en doet een plas. Als ze uit het huisje komt ziet ze Wander op het plaatsje. Hij haalt turf van de turfbult en doet ze in een mand. Als Willempje hem aankijkt, moet ze lachen: Wander heeft  een grote bruine veeg over zijn gezicht.

“Piet de Smeerpoets, Piet de Smeerpoets,” zegt ze pesterig. En dan, met een deftig stemmetje:

“Piet was een smeerpoets op en top,

Die schrikte voor een waterdrop.

En als een dwaze om zich greep

bij ‘t zien van waskom, spons en zeep.

Zijn hoofd was als een ragebol,

Met stof en spinnenwebben vol:

Zijn nagels, foei om van te gruwen!

Wie zou zoo’n vuile knaap niet schuwen?”

Dit versje heeft ze op school gelezen in het prentenboek van meester Walda. “Stomme schooljuf, hou je mond!”, snauwt Wander. Met zijn vieze handen omhoog loopt hij dreigend op Willempje af. Willempje rent lachend naar binnen. Wander gaat haar achterna en botst tegen de kleine Hilligje aan. Die begint te gillen van opwinding. Leuk, stoeien! Ze rent Wander achterna. Met z’n drieën rennen ze rondjes om de tafel. Dan draait Hilligje zich om. Ze wil Wander tegenhouden en ze gaat met haar hele lijf aan de zak van zijn korte broek hangen. KRRAAKKK!! de zak van de broek scheurt uit. Hilligje laat meteen los en loopt geschrokken achteruit. Wander en Willempje staan tegelijkertijd stil. Ze kijken elkaar aan. Heeft de armenmoeder het gehoord? Ze staat met de rug naar de kinderen toe. Langzaam draait ze zich om.

“Wat is er in jullie gevaren?”, vraagt ze streng. “Eerst maken jullie een hels kabaal. En nu heerst hier een stilte als op het kerkhof. Wat is er gebeurd?”

Willempje begint te stotteren: “Nou, eh, we doen een nieuw soort van tikkertje, enne eh, als je iemand op z’n oor tikt moet iedereen stil blijven staan en zijn mond dichthouden … ja zo gaat het, hé Wander?” Wander knikt hard van ja.

De armenmoeder heeft gelukkig niet gehoord dat zijn korte broek gescheurd is. En dat hoeft ze ook heus niet te weten. Het is niet de eerste keer. Er zijn al heel wat gaatjes en scheuren gerepareerd. Het is Wanders enige doordeweekse broek, hij draagt hem zomer en winter. Eigenlijk moet hij er heel zuinig op zijn. Fronsend kijkt de armenmoeder hen aan, ze gelooft het verhaal maar half. “Jaja, wat de kinderen van tegenwoordig allemaal voor gekke spelletjes verzinnen. Maar nu is het afgelopen. Jullie mogen niet rennen in huis. En
Willempje, schiet nou eens op, de koffie is nog niet gemalen.”

Wander gaat zijn gezicht schoonmaken en Willempje pakt stilletjes de koffiemolen. Ze doet er koffiebonen in en begint te draaien. Ze denkt: “Ik ben blij dat het voorjaar wordt, dan hoef je tenminste niet altijd met zijn allen binnen te zitten. Dan kunnen we weer buiten spelen en zit de armenmoeder er ook niet altijd bij. Ze ziet ook alles. Behalve nu met die scheur. Maar hoe moet het nu verder met die broek?” Met een zucht staat ze op en geeft de armenmoeder het laatje van de koffiemolen met de gemalen koffie erin.

De armenmoeder giet het water op en al snel ruikt het hele huis naar verse koffie. Ze heeft de pannenkoeken al gebakken. Het is tijd voor het ontbijt en iedereen gaat aan tafel. Ze bakt de pannenkoeken met een beetje spekvet. De armenmoeder heeft nog wat melk over. Ze doet er water bij en verdeelt het over de vier jongste kinderen. De oude Jan slurpt zwijgend zijn koffie. Willempje helpt Berend met zijn pap, en heeft Hilligje op schoot genomen. Wander zit zo ver mogelijk van de armenmoeder, dan ziet ze de scheur in zijn broek niet.

Na het ontbijt gaan de mannen en oudere jongens aan het werk op boerderij van het Armenwerkhuis waar groenten en aardappels en graan verbouwd worden. Het Armenwerkhuis heeft ook een paar koeien, schapen, varkens en kippen. Op de boerderij van het werkhuis is altijd veel te doen. In die tijd waren er nog geen tractors of andere landbouwmachines. Er was alleen een werkpaard om de kar en de ploeg te trekken. Soms werkten de mannen op het land van boeren uit de omgeving. De oudere meisjes en vrouwen gaan bij rijke mensen in de huishouding werken als dienstmeisje. De oude Janna blijft in het werkhuis om garen te spinnen van wol en vlas. De kleine zusjes van Willempje blijven ook de hele dag in het Armenwerkhuis.

Willempje en Wander gaan iedere dag naar school maar eerst moeten ze nog helpen met wat klusjes. Willempje heeft een emmer water gepakt en een sopje gemaakt. Ze is druk bezig om het poephuisje en het plaatsje achter te schrobben. Ze moet opschieten want om acht uur begint de school.

Samen lopen Wander en Willempje die ochtend naar school.

Wander mag dit jaar voor het eerst naar school en dat vindt hij heel leuk. Voordat hij in het Armenwerkhuis ging wonen, moest hij iedere dag werken en mocht hij niet naar school.

Onderweg zegt Wander: “Jij ook met dat stomme versje over Piet de Smeerpoets. Nou heb ik een scheur in mijn broek.” Oei, dat was
Willempje alweer helemaal vergeten. “Als je maar niet denkt dat ik die scheur ga naaien, dat is meidenwerk!” bromt Wander. Willempje denkt even na en zegt: “Nou goed, ik naai hem vanmiddag, als ik straks in de pauze met jouw hoepel mag spelen.” Wander kijkt opgelucht. “Goed, dat is dan afgesproken!” 

Plattegrond armenhuis Flint’nhoes oftewel het gebouw Kenniscentrum voor de verbouwing.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.