De achterkant van het hunebed nauwkeurig bekeken

In de categorie ‘mijn hunebed’ nodigen we mensen uit te schrijven over hun persoonlijke ervaringen met hunebedden. Hier een verhaal van Pierre van Eijl.

De grondsporenkaart van het verdwenen hunebed bij Mander

In Overijssel is er ooit een hunebed geweest in Mander, in de buurt van Tubbergen. Maar deze is in het verleden gesloopt waarbij alle stenen zijn weggehaald om ze waarschijnlijk elders her te gebruiken. Bij archeologisch onderzoek in 1957 zijn toch nog sporen van het hunebed teruggevonden, zoals de scherven van driehonderd potten (waarschijnlijk trechterbekers). Het hunebed kreeg volgens het coderingssysteem van hunebedonderzoeker professor Van Giffen, de code O2. Bij vervolgonderzoek in 1996 zijn ook de plekken gevonden waar de stenen van het hunebed stonden. Daar is door de onderzoekers een grondsporenkaart van gemaakt (zie figuur 1).


Figuur 1: Grondsporenkaart van het verdwenen hunebed van Mander (J.N. Lanting van het toenmalige biologisch-archeologisch instituut te Groningen)

Het hunebed is ongeveer 3200 jaar voor Christus gebouwd en heeft volgens archeologen drie eeuwen dienst gedaan, dus tot 2900 jaar v. Chr. Na het archeologisch onderzoek is het hunebed, waarvan de bovengrondse draag- en dekstenen ontbraken, weer met een zandheuvel bedekt (zie figuur 2).

Figuur 2: Zandheuvel op de plek van het verdwenen hunebed

Bij de heuvel is in 1997 een bord geplaatst met informatie over het hunebed (zie figuur 3). Dit ter gelegenheid van het 1200 jarig bestaan van Mander. Op het bord wordt meer informatie over het hunebed gegeven. Er staat vermeld dat de zandheuvel een reconstructie is van de dekheuvel die ooit over dit hunebed heeft gelegen. Het hunebed was 13 meter lang en 2,5 meter breed. De opgraving is gedaan door de Oudheidkamer van Twente. Verder wordt vermeld dat er 5000 jaar geleden in Twente een landbouwende bevolking leefde die de trechterbekercultuur wordt genoemd. Die naam komt van de potten die ze gebruikten en enigszins trechtervormig waren. Van deze bevolking heeft men in Twente ook nederzettingen, graven en offers opgegraven. Het hunebed bestond uit twee rijen staande stenen die in de bodem waren ingegraven. De stenen waren van binnen min of meer vlak zodat een rechthoekige ruimte ontstond. Daar bovenop waren dekstenen. De ruimte tussen de grote staande stenen was opgevuld met ‘stopstenen’. De vloer in het hunebed bestond uit kleine keitjes. Op het informatiebord wordt het hunebed beschouwd als een grafkelder hoewel daar geen menselijke resten zijn gevonden. In eerdere publicaties over het metafysische onderzoek van hunebedden komt echter nooit naar voren dat de hunebedden bedoeld waren als grafkelder maar als een rituele krachtplaats die voor de toenmalige bevolking van zeer groot belang was. We zullen een voorbeeld van dat belang zien bij onderstaand verhaal.

Figuur 3: Informatiebord bij het verdwenen hunebed van Mander

Heldervoelend energie waarnemen

Tijdens een kleine kampeervakantie in Twente vroeg ik me af of er energetisch nog iets terug te vinden was van het verdwenen hunebed van Mander. Samen met een wandelvriendin ben ik daarom op zoek gegaan naar de plek van dit hunebed. Via een zijweg van de Streuweg, daar ter plaatse, kwamen we aan bij een rechthoekig terrein waar bovenstaand informatiebord stond ( zie figuur 3).

Lopend naar de hunebedheuvel voelde ik bij de rand van de heuvel metafysische energie. Het waren de energiepunten die door de hunebedbouwers geïnstalleerd waren voor het plaatsen van de staande stenen van het hunebed. Op die manier kon de metafysische energie van de punten door de staande stenen omhoog stromen en door de dekstenen gaan. Het hunebed vormde zo een energiecocon waar de toenmalige natuurpriesters in trance konden gaan en contact konden maken met hun geestelijke begeleiders die ze als hun goden beschouwden. Wij noemen in onze cultuur deze begeleiders uit de geestelijke wereld beschermengelen, geestelijke gidsen, healing masters of lichtende intelligenties.

Via hun geestelijke gidsen kregen de priesters informatie voor het genezen van zieken en het oplossen van conflicten. Verder waren de hunebedden belangrijk voor speciale gebeurtenissen zoals het sluiten van een huwelijk, zegenen van pasgeborenen en de inwijding van stamhoofden en priesters.

De energiepunten van het hunebed

Bij het energetisch onderzoeken van de hunebedheuvel waren niet alleen de energiepunten bij de dragende stenen waarneembaar maar ook de energiepunten bij de ingang van het hunebed (zie figuur 4). De ingang is weergegeven als een instulping in de hunebedheuvel. Hier waren drie energiepunten waarneembaar die ik heb gemarkeerd (zie de foto). Achteraan staat mijn groene waterflesje, in het midden de zonnebrandcrème met gele dop en vooraan het doorzichtige anti-teek flesje. Het belang van deze punten zal straks duidelijk worden. In het midden van het hunebed, over de lengteas, waren nog zes energiepunten waarneembaar. Verder was ongeveer twee meter rondom de heuvel een rand van energie te voelen op de plekken waarop vroeger de kransstenen moeten hebben gelegen. Waarschijnlijk eindigde de oorspronkelijke dekheuvel van het hunebed bij de kransstenen. In een aantal Deense hunebedden die nog intact zijn is te zien dat die heuvel niet ophield bij de staande stenen maar ruim daarover heen doorliep.

Figuur 4: Markering van de drie energiepunten bij de ingang van het hunebed

In eerdere publicaties ben ik al ingegaan op energiepunten in hunebedden, het belang ervan en hoe ze geïnstalleerd werden.

Helderziende indrukken van het gebruik van het hunebed

Maar wat gebeurde er zo’n 5000 jaar geleden toen het hunebed in de toenmalige stam nog functioneerde zoals bedoeld? Ik stel me in op een aura-reading van het hunebed en zie even later helderziend beelden van een feestelijke groep mensen. “Ons stamhoofd wordt ingewijd!” hoor ik. Muziek klinkt en getrommel. In het midden van de menigte loopt het aspirant-stamhoofd. Hij voelt zich gesteund door de mensen om hem hen, maar is van binnen eigenlijk nogal zenuwachtig, want wat staat hem te wachten? Hij is een beetje bang voor de priesters van het hunebed want je weet nooit waar je met ze aan toe was omdat ze met de goden contact hadden. Het hunebed heet in zijn taal Praviatoestri wat ‘de plek van kracht’, betekent, ‘waar de stem van de goden door de mensen gehoord wordt’.

De natuurpriesters van het hunebed zijn ook wat zenuwachtig want een inwijding van een stamhoofd is heel belangrijk en komt maar weinig voor. Ze moeten het aspirant-stamhoofd op een goede manier ontvangen, maar ook duidelijk maken dat zij als priesters een bijzondere autoriteit hebben en direct contact met de goden kunnen hebben. Dat valt buiten de macht van het stamhoofd. Het aspirant-stamhoofd is zonder inwijding nog niet echt als stamhoofd geaccepteerd door zijn volk. Hoe onzeker het ook is wat er bij een inwijding gebeurt, een aspirant-stamhoofd kan daar niet onderuit.

Bij het hunebed

Het aspirant-stamhoofd komt aan bij de priesters en zegt: “Priesters van het hunebed, mijn tijd als hoofd van de stam is gekomen. Het volk wil mij als stamhoofd. Ik kom om de zegen van de goden te vragen. Sta mij toe in het hunebed contact te maken met de goden.” De hoofdpriester heet hem welkom: “Welkom hier bij het hunebed. Wij zijn vereerd dat u ons komt bezoeken voor de goddelijke inwijding. Wij kunnen voorspraak doen bij de goden, maar alleen zij en zij alleen beslissen over de definitieve inwijding als stamhoofd.”

“Ik ben er klaar voor,” zegt het aspirant-stamhoofd. “Dan is de tijd aangebroken voor de voorbereiding van de ontmoeting met de goden,” antwoordt de hoofdpriester. “Dit gebied van het hunebed mag tijdens de inwijding niet ontheiligd worden door de mensen die meegekomen zijn. Zij moeten terugkeren naar het dorp en wachten tot er een teken is van de priesters om terug te komen. Het aspirant-stamhoofd vraagt de mensen terug te gaan naar hun dorp, een eindje verderop, waarna ze langzaam weer teruglopen. Eén van de priesters heeft als speciale taak de omgeving van het hunebed in de gaten te houden.

De godendrank voor de inwijding

De hoofdpriester neemt het aspirant-stamhoofd, Oesef geheten, wat ‘de krachtige’ betekent, mee naar een kleine hut vlakbij en geeft het stamhoofd een drankje “Deze drank van de goden moet u opdrinken. Het opent de poort naar de godenwereld en laat uw tong de waarheid spreken.” Het aspirant-stamhoofd aarzelt wat want hij had over dit drankje gehoord dat dan je hele wereld om je heen kon veranderen en er allerlei angstige dingen konden gebeuren. Maar hij begrijpt dat er geen keuze is, want zonder inwijding zal hij niet als stamhoofd door zijn volk geaccepteerd worden. Hij zet de beker de beker aan zijn mond en drinkt het bitter smakende drankje snel op zodat hij het zo min mogelijk proeft.

De hoofdpriester blijft nog bij hem, totdat het drankje begint te werken. “Ik voel me zo vreemd in mijn hoofd” zegt Oesef “alsof ik af en toe in een andere wereld ben.” ”Kom mee”, zegt de hoofdpriester en leidt Oesef naar de ingang van het hunebed.

De drie geloften bij de ingang van het hunebed

Bij het eerste energiepunt van de ingang wachten twee priesters Oesef op. “Welkom geëerd aspirant-stamhoofd, alvorens u de krachtplek van de goden kunt betreden, zult u de goden moeten beloven uw stam trouw te zijn, zich voor uw volk in te zetten en ook de zwakken en zieken te steunen zodat ze niet verkommeren.” Staande op dit eerste energiepunt hoort Oesef onverwachts duidelijk dat hij de zwakken en zieken moet ondersteunen. Daar heeft hij niet op gerekend, want hij ziet zich eerder als trotse aanvoerder van de stam. Maar hij begrijpt dat hij ook de zwakkeren moet steunen anders gaat de inwijding niet door. Hij stemt toe en herhaalt de belofte die de priesters hem hebben gevraagd.

Oesef mag gebukt een eindje verder de lage gang van het hunebed inlopen. Bij het tweede energiepunt staat weer een priester die hem tegenhoudt. “Aspirant-stamhoofd” spreekt hij, “uw kracht als stamhoofd zal groot zijn, maar ook de verleiding om door die kracht uw wensen door te drukken ook al is het niet in het belang van uw volk. Beloof de goden altijd met beleid en voorzichtigheid van uw macht gebruik te maken, gericht op het belang van de hele stam, op goede contacten met naburige stammen en niet alleen op het belang van uzelf.”

Weer voelde Oesef zich overvallen. Hij had ernaar uitgekeken het voor het zeggen te hebben en daar gebruik van te maken. Hij beseft andermaal dat hij toch moet instemmen en legt zich neer bij deze gelofte door hem voor de priester te herhalen.

Hij kan een eindje verder door de ingang van het hunebed en komt bij het derde energiepunt waar eveneens een priester staat in de nauwe doorgang. “De goden vragen of u er zult zijn voor uw gezin zodat uw kinderen kracht, doorzettingsvermogen en bescheidenheid ontwikkelen. Zult u ervoor zorgen dat uw familie zich niet laat voorstaan op uw positie, maar het volk van de stam ten voorbeeld is?” Weer voelt Oesef zich wat ongemakkelijk want hij wil met zijn familie een voorname rol spelen in de stam en bescheidenheid past daar slecht bij. Maar opnieuw stemt hij in, met de gedachte dat als hij eenmaal ingewijd is, zijn eigen koers kan varen.

Het inwijdingslied

Gebukt in de kamer van het hunebed wordt hij in het flakkerende licht van enkele vetlampjes naar een vacht geleid die op de grond was uitgespreid. Hij ruikt de geur van kruiden die daar gebrand zijn speciaal voor zijn inwijding. Hij moet op de vacht gaan liggen wat hij maar al te graag doet nu het vreemde gevoel van het godendrankje sterker aan het worden was en hij niet meer goed overeind kan blijven. Zelfs het kruipen in het lage hunebed gaat maar moeizaam. De hoofdpriester komt bij zijn hoofdeinde zitten waar een energiepunt is, een andere priester bij zijn voeteneinde, eveneens bij een energiepunt en dan nog een priester links en rechts van hem. Hij weet dat zij voor zijn geestelijke bescherming zullen zorgen tijdens zijn inwijding door de goden.

Nu hoort hij hoe de hoofdpriester een lied van inwijding begint te zingen:

“Stamhoofd uit het geslacht van Psaia

Uw naam en roem zijn bij ons allen bekend

Ze wisten vijanden te verslaan

en in barre tijden de stam te verenigen

om zich te weer te stellen tegen roofzuchtige bendes

Zij wisten dat ook zwakken in de stam meetelden

want eens zouden die wel eens de sterken kunnen worden

Als de goden dat behaagden.

Stel uw voorgangers niet teleur aspirant

En schaar uzelf in de rij van helden

Die de stam groot gemaakt hebben

En bijzondere dingen gedaan hebben

waar ook nu nog over gepraat wordt.”

Dit lied gaat nog enkele coupletten en met wat herhalingen door. Bij het horen van alle verwachtingen die over hem als toekomstig stamhoofd leven, begint Oesef zich wat benauwd te voelen. Het wordt hem duidelijk dat er heel wat van hem verwacht wordt.

Figuur 5: De achterkant van het hunebed nauwkeurig bekeken

De inwijdingsreis begint: licht en donker

“Ga nu” hoort Oesef de hoofdpriester zeggen, “Ga en sluit uw ogen, uw tijd is aangebroken, de goden verwachten u.” Ineens ziet Oesef hoe hij door een zonovergoten landschap loopt. Overal staan mensen hem toe te juichen: “Leve het stamhoofd!” roepen ze. Hij voelt zich trots worden en laat zelfgenoegzaam en blij de toejuichingen over zich heen komen. In gedachten voelt hij zich groeien en voelt zich uittorenen boven al die juichende mensen.

Hij is zo vol van zichzelf dat hij niet gemerkt heeft dat de grond wat drassig is geworden. Ineens zakt hij met één voet in de drassige grond en kan er ook niet meer uitkomen. Zijn voet zit vast! Hij roept om hulp naar de juichende mensen, maar die zijn verdwenen. Het weer is ook veranderd: de zon is weg, het regent en is kouder geworden. Weer probeert hij zijn voet los te krijgen, maar het lukt niet en er is geen hulp aanwezig.

De drenkeling

Ineens hoort hij vlakbij iemand roepen: “Help, redt me, ik verdrink bijna!” Het moet iemand dicht in de buurt zijn. Hij roept terug: “Ik kan je niet helpen want mijn voet zit vast!” “Probeer het”, hoort hij, “Ik steek mijn hand uit zodat je die kan pakken”. Vaag ziet Oesef voor zich een hand uit de nevelen steken. Hij gaat op zijn knieën zitten en rekt zich uit maar het lukt niet om de hand te pakken. Dan ziet hij een stok liggen, pakt die en houdt het andere einde bij de hand van de drenkeling. Die grijpt de stok vast. Oesef trekt aan de stok en langzaam sleept hij een man naar zich toe. “Ja, het lukt, hoort hij hem zeggen. Ik begin uit het water te komen”. Oesef trekt de man nog iets verder en merkt ineens dat zijn voet losgekomen was. “Dank je, dank je” zegt de man die hij gered heeft. “De goden zullen je zegenen. Ik zal je belonen! Maar ik moet wel verder.”

De boomwortel op zijn pad

Oesef ziet de man verder gaan en merkt dat het weer is opgeklaard. De regen is opgehouden en het is ook minder koud geworden. In de verte ziet hij een licht gloren aan de horizon. Daar moet ik naar toe, bedenkt hij, maar waar zijn de juichende mensen gebleven? vraagt hij zich af. Misschien zijn ze wel bij dat licht. Hij begint zich eraan te ergeren dat ze niet hier zijn en hem toejuichen. Hij wordt immers hun stamhoofd! Hij zit zich zo te ergeren dat hij de knoestige boomwortel niet opmerkt die over zijn pad loopt. Hij struikelt erover en valt hard op zijn rechterknie. De pijn ervan schiet door hem heen. “Verdorie, zit nu ook alles tegen?” moppert hij terwijl hij probeert op te staan. Dat lukt maar net en hij moet zijn handen op zijn knie houden om de pijn wat te dempen.

De verlaten vrouw

“Je hebt me in de steek gelaten” hoort hij ineens een stem verderop. Ergens komt die stem hem bekend voor. Hij wil eigenlijk om de plek waar de stem vandaan komt heen lopen, maar dat verhindert zijn pijnlijke knie. Hij kan maar hele kleine en pijnlijke stapjes maken. “Wie ben jij?” vraagt hij, want hij wil weten wie hij tegenover zich heeft. “Ik ben het, de vrouw die je verliet omdat je mij niet mooi genoeg vond.” Het schaamrood stijgt Oesef naar zijn kaken en hij begint zich steeds ongemakkelijker te voelen. “O, Stavia” stottert hij, “soms kan dat gebeuren.” [Stavia betekent ‘de geliefde’] Hij probeert zich eruit te redden maar het lukt niet erg. Hij was inderdaad in de verleiding geraakt om een relatie met een andere vrouw aan te knopen die hij mooier vond en ook representatiever als vrouw van een stamhoofd. Maar daardoor zette hij zijn eerste vrouw aan de kant terwijl hij heel goed met haar geweest was. Hij voelt zich steeds ongemakkelijker worden en hij realiseert zich dat hij de relatie met haar blijkbaar minder belangrijk had gevonden dan zijn ambities. Als hij voor zich naar de nevelen kijkt die daar hangen, lijkt het of daar een figuur opdoemt. Maar dat is niet goed zichtbaar.

Hij mompelt een excuus “Sorry”, maar voelt dat dat niet voldoende is. Het wordt steeds onrustiger in hem en de emoties worden sterker en sterker. Ineens barst hij los: “Ik wilde hoe dan ook stamhoofd worden en had een mooie representatieve vrouw nodig!” Dan klapt hij in tranen in elkaar en mompelt “wat ben ik toch een rund geweest!” en daarna “Stavia vergeef me, ik had dat niet zo moeten doen”. Een geluid als van een stormwind klinkt. Hij voelt die wind om hen heen waaien en ze neemt de nevelen mee. Maar het uitzicht op de horizon is ook verdwenen en hij staat in een dal, een diepe kuil bijna, met voor zich een steile helling. Zijn knie doet nog pijn, maar hij kan weer lopen. “Ik ben stom geweest,” gaat het door hem heen, “Ik had dat anders moeten doen, Stavia was goed voor mij.” Even later voelt hij dat het tijd is om verder te gaan.

De steile, gladde helling

Hij gaat langzaam tegen de steile helling op lopen, zigzag, anders lukt het niet. Het is lastig want de helling is nat en hier en daar glad. “Waarom moet ik dit verdorie doen?” verzucht hij en waar zijn de mensen gebleven die me toejuichten? Ik ben toch hun aspirant-stamhoofd” Ik heb er recht op dat ze me bijstaan!” Ineens glijdt hij uit en schuift een paar meter omlaag. Hij schrikt ervan. ”Verdorie, nou schiet het helemaal niet op!” Langzaam realiseert hij zich dat hij het echt zelf moet doen en niet kan terugvallen op anderen. Hij beseft dat het op deze tocht om hem gaat en hem alleen. Hij klimt weer omhoog, moeizaam. Soms moet hij struiken of graspollen vasthouden om zijn evenwicht niet te verliezen.

De fluistering

Als hij bijna boven is, hoort hij vaag een vrouwenstem fluisteren “Ik wacht op je!” Ergens komt die stem hem bekend voor. Als hij boven is, ziet hij in de verte weer het licht aan de horizon en rechts een huis. “Daar zal de stem vandaan komen” bedenkt hij. Bij het huis aangekomen ziet hij dat alles donker is. “Is er iemand?” roept hij. Zachtjes hoort hij “Ik wacht op je, kom maar binnen”.

Hij schuift een doek die voor de deuropening hangt, opzij. Binnen is het schemerig verlicht. Hij kijkt rond en daar is het of hij iemand in de schemering ziet zitten. “Ken je me nog?” hoort hij zacht een vrouwenstem. Nu ziet hij duidelijk dat daar een jonge vrouw zit. Hij heeft het gevoel dat zijn maag een kwart slag draait als hij zich realiseert dat daar de vrouw zit die hij zocht, maar die hij niet kon vinden.

Hij groet haar verbaasd, want dit was wel het laatste wat hij verwacht had. “Kom bij me zitten,” zegt de vrouw zacht. Oesef gaat naast haar op de bank zitten. “Ik wil bij jou zijn” fluistert zij. Oesef is helemaal bevangen door een gevoel van verlangen. Dit is de vrouw die hij in zijn fantasieën zag als zijn ideale geliefde. Hij voelt haar aantrekkingskracht. Zij strekt haar armen naar hem uit: “Zou je met me willen slapen?” vraagt ze zacht. “Ja met jou wil ik samen zijn,” antwoordt Oesef en strekt zijn armen uit. Ineens verandert het hele beeld dramatisch. Het huis lost op voor zijn ogen. De vrouw is plotseling doorzichtig geworden en haar beeld vervaagt. Verderop ziet hij zijn huidige vrouw die roept: “Oesef, je bent me ontrouw, hoe kun je!” Hij schrikt en voelt zich betrapt en weet zich geen houding te geven. Hij verontschuldigt zich en beseft dat hij zijn trouwgelofte serieus moet nemen. Het beeld van zijn vrouw vervaagt weer. Hij voelt zich nog steeds betrapt en zijn knie doet nog steeds pijn. Het verder lopen gaat moeizaam en hij pakt daarom een stok die op de grond ligt en gebruikt die om hem te ondersteunen bij het lopen. Maar waar moet hij heen? Het licht aan de horizon is niet goed te zien. Dan ruikt hij de geur van versgebakken brood. “Heerlijk”, denkt hij, “Misschien kan ik een stuk brood krijgen”.

Kralen voor brood

Hij loopt de kant van de geur op en ziet even later een huis opdoemen. “Is daar iemand?’ roept hij. ”Ja” hoort hij, “ik sta hier brood te bakken.” Oesef loopt het huis binnen en ziet iemand bij een vuur staan en brood bakken. “Wat heerlijk ruikt dat,” zegt Oesef, “mag ik er één hebben?” “Wel betalen, je mag niet zomaar een brood pakken.” Oesef is even teleurgesteld. “Ik ben het stamhoofd”, zegt hij, “ik wil een brood”. “Eerst betalen”, herhaalt de man, “aan schooiers hebben we niets hier!” Oesef voelt zich vernederd, hij een schooier! Hij is nota bene het stamhoofd! Maar hij wil toch een brood hebben en voelt in zijn zakken naar een betaalmiddel. In een buideltje aan zijn riem vindt hij prachtige kralen die hij gekregen heeft toen hij uitverkoren werd om stamhoofd te worden. Hij aarzelt of hij deze kralen wil geven. “Als er geen betaling is, moet je weg!” zegt de man. Oesef geeft hem een kraal. “Nee,” zegt de man, “alle kralen!” Dat vindt Oesef het niet waard en probeert de ander te overreden: “Deze kralen zij heel kostbaar en één kraal is eigenlijk al teveel betaald.” De man reageert pas na enige tijd. “Alle kralen, anders geen brood!” Herinneringen schieten door Oesef zijn hoofd van de keren dat hij anderen iets niet gaf omdat ze naar zijn smaak te weinig betaalden. Anderen die zijn producten hard nodig hadden, maar niet meer hadden om te betalen. “Verdorie, ik heb ze meer willen laten betalen dan ze hadden,” bedenkt hij, “Met minder had ik ook genoegen kunnen nemen en dan had ik ze geholpen” Eigenlijk had hij meer willen hebben dan hem toekwam. “Hier heb je al mijn kralen,” zegt Oesef en geeft ze aan de man. Die geeft hem nu alle broden en verdwijnt als bij toverslag en ook het huis verdwijnt. In de verte ziet Oesef weer het licht aan de horizon. Hij neemt een hapje van een brood wat heerlijk smaakt. Alle broden waren nu van hem. “Ik heb honger,” hoort hij. Hij ziet een magere hand uit de nevelen steken, vlak bij hem. “Geef me wat te eten!” Oesef drukte in een reflex de broden tegen zich aan, want daar had hij net veel voor betaald. “Ik heb honger” hoort hij een schorre stem, “ik kan niet meer!”

Bij Oesef schieten de herinneringen weer te binnen van de mensen die hij dingen geweigerd heeft, terwijl ze die hard nodig hadden. Hij breekt een stuk van een brood af en legt dat in de magere hand. “Ik wil dat ook!” hoort hij en ziet nog meer handen. Hij breekt nog meer stukken af van zijn broden en deelt die uit. Het geeft hem tot zijn verbazing een warm, goed gevoel. Hij deed nu iets voor een ander, of beter gezegd, voor een aantal anderen dat hem voldoening gaf.

Muziek en onweer

Gelukkig is het lichter geworden en ziet hij de weg lopen naar het licht aan de horizon. Hij neemt zelf nog een hap brood en geeft de rest weg. Zijn knie doet geen pijn meer zodat hij zijn stok kan wegdoen. Stap voor stap gaat hij in de richting van het licht. Het landschap verandert gaandeweg van donker en nevelig naar groen en zonnig. “Ik moet het anders aanpakken als stamhoofd” bedenkt hij, “ik moet zorgen dat iedereen goed kan leven en niet hoeft te verkommeren. Als stamhoofd zal ik stimuleren om aan armen en behoeftigen te geven.”

Verderop in het landschap ziet hij huizen en klinkt er muziek. “Dat is zeker welkomstmuziek” bedenkt hij. Nu ziet hij ook andere mensen. Ze juichen hem niet toe, maar vragen hoe het met hem gaat. “Weet je wel wie ik ben?” zegt Oesef “Het aspirant-stamhoofd. Je bent me ontzag schuldig”.

Een knallende donderslag dreunt door de lucht. Oesef schrikt “Hij ziet mensen naar hun huizen vluchten voor het onweer dat nu losbarst. In een mum van tijd is het donker geworden en wordt Oesef kleddernat van de stromende regen. “Wat is dat nu?” vraagt hij zich verbaasd af, maar ook geschokt. “Hoe kan dat? Ik zag die bui helemaal niet aankomen”.

“Ik heb kennelijk iets verkeerd gedaan” bedenkt hij, “Ik heb me erop voor laten staan dat ik stamhoofd ben. Ik moet wat nederiger zijn en proberen wat normaal met anderen om te gaan, alsof ze mijn gelijken zijn”. Hij voelt dat dit niet gemakkelijk voor hem zal zijn. Hij kan ervan genieten zichzelf als groots te zien, ver verheven boven de anderen. Hij heeft het ondertussen koud gekregen, en staat daar kletsnat in de stromende regen.

Figuur 6: Maïsveld op de rand (de twee houten paaltjes vooraan) van de oorspronkelijke dekheuvel van het hunebed

Ik ben Oesef

Hij loopt naar het eerste het beste huis om te schuilen. “Mag ik binnenkomen” vraagt hij bij de deuropening. “Wie ben jij?” hoort hij. “Ik ben Oesef het aspirant-stamhoofd” antwoordt hij. “Nee, dat gaat niet” hoort hij, “er is hier geen plaats voor een stamhoofd”. Oesef kan zijn oren niet geloven. Een stamhoofd zou toch altijd welkom moeten zijn. Maar weer realiseert hij zich dat hij voor zichzelf een extra voorrecht probeert te krijgen, als aspirant-stamhoofd.

“Ik ben Oesef en kletsnat, mag ik binnenkomen?” vraagt hij nu. “Kom maar binnen” hoort hij. Hij komt binnen en ziet dat er een vuur brandt en dat er verderop kinderen spelen. Een vrouw komt naar voren en heet hem welkom en vraagt of hij een warme drank wil. “Graag” zegt Oesef. “Bedankt dat ik hier kan schuilen” Hij gaat naar het vuur om zich op te warmen en wat te drogen.

“Ik zal je helpen”

Even later krijgt hij een kom met een warme drank. “Bedankt, heerlijk” zegt Oesef. Hij praat wat met een man en een vrouw over hun kinderen en het onverwachte onweer. Ineens kijkt de vrouw hem recht aan “Weet je waardoor dat komt?” De vraag is zo direct dat het Oesef overvalt. Hij heeft het gevoel dat deze vrouw tot in zijn ziel kan kijken. Hij aarzelt of hij een nietszeggend antwoord zal geven of iets zal zeggen over zijn gemoedstoestand. “Het weer sloeg ineens om. Misschien had ik daar wat mee te maken”. Maar de vrouw is duidelijk nog niet tevreden met dit antwoord. “Vertel” zegt ze en weer ziet Oesef haar blik die hem een gevoel geeft eerlijk te moeten zijn. “Kijk” zegt Oesef, “ik weet het niet zeker maar toen ik zei dat ik het aspirant-stamhoofd was, ging het mis”. ”Wat was er mis aan dat je dat zei” dringt de vrouw aan. “Ik denk” aarzelt Oesef, “dat ik extra respect wilde omdat ik het aspirant-stamhoofd ben” Het voelt nu heel raar aan bij Oesef. De eerlijke Oesef en de Oesef die zich voor liet staan op zijn stamhoofd-zijn lijken van binnen met elkaar te vechten. De vrouw blijft hem aankijken en de uitstraling van haar ogen dringen diep in hem door. Hij beseft dat hij geen schijnleven moet leven, maar op voet van gelijkwaardigheid met mensen moet omgaan. Iedereen weet wel dat hij het aspirant-stamhoofd is, dat hoeft hij niet te zeggen. Het gaat er ook niet om zijn positie uit te buiten, maar om mensen waar nodig te leiden, samen te binden en te inspireren. Soms moeten ook de zwakkeren geholpen worden. “Ik zal proberen een goed stamhoofd te worden” zegt Oesef terwijl de vrouw hem blijft aankijken op haar bijzondere manier. “Ik zal me inzetten voor alle mensen van mijn stam en hen vrede en veiligheid bieden”.

De blik van de vrouw is nu zo sterk dat het brandt en golft in hem. Hij lijkt wel in brand te staan en licht uit te stralen. “Ik zal je helpen” hoort hij haar zacht zeggen, “ik zal je helpen” hoort hij nogmaals, terwijl hij de geur van de kruiden in het hunebed ruikt.

Bijkomen van de reis

Hij hoort de stem van de hoofdpriester “Welkom Oesef, het nieuwe stamhoofd. De goden hebben het behaagd hun zegen te geven. Welkom terug in de stam!”

Oesef knippert met zijn ogen en komt langzaam weer bij terwijl de priesters om hem heen zijn handen en voeten gaan masseren. “Vertel over je reis Oesef” hoort hij de stem van de hoofdpriester, “Alles wat je ervaren hebt, is belangrijk”. Eerst vertelt hij met veel moeite, want de godendrank is nog niet helemaal uitgewerkt, over zijn tocht met de juichende mensen, de donkere nevels, de moeizame klim omhoog en zo verder. De priesters stellen hem vragen zodat ieder detail naar voren komt. Hij krijgt ook een drankje om hem te helpen weer helder te worden in zijn hoofd en zich fit te voelen. Een priester gaat alvast naar buiten om het volk te vertellen dat Oesef terug is van zijn reis in de godenwereld en weer aan het bijkomen is. Mensen komen toegelopen, want iedereen wil horen wat er gebeurd is en wat ze voor stamhoofd zullen krijgen. Binnen overlegt de hoofdpriester met Oesef over wat hij gaat vertellen aan zijn volk zonder dat hij hun respect verliest.


Figuur 7: Bloeiende boekweit vlakbij het hunebed

De drie geschenken

Dan wordt Oesef naar de uitgang geleid om naar buiten te gaan. Maar hij wordt tegengehouden door een priester bij het eerste energiepunt. “Oesef, stamhoofd van ons volk. U hebt de inwijdingsreis gemaakt en goed doorstaan. Om dat te vieren krijgt u dit zoete kruid, symbool voor de zoetheid van uw inwijding.” Oesef bedankt de priester. Als Oesef verder gaat, wordt hij bij het tweede energiepunt opnieuw opgewacht door een priester. Hij krijgt een kleine houten ingewikkelde constructie. “Oesef, als stamhoofd is uw oordeel van belang, maar neem eerst deze constructie ter hand. Het zien van deze ingewikkelde constructie zal helpen om ingewikkelde kwesties eerst goed te besturen alvorens tot een mening te komen”. Opnieuw bedankt Oesef. Ook bij het derde energiepunt staat een priester. “Oesef, wij aardse mensen zijn beperkt in ons denken en oordeel. Daarom moeten we soms de goden raadplegen zodat hun wijsheid ons deelachtig kan worden. Houd bij het overdenken van moeilijke kwesties deze grote schelp aan uw oor en stel u in op de goden en hun hulp. Zij zullen er altijd voor u zijn”. Oesef moest meteen aan de vrouw met de bijzondere ogen denken en hij realiseerde zich ineens dat dat zijn begeleidende godin moest zijn. Zij zou hem bijstaan in zijn werk als stamhoofd. Met tranen van ontroering neemt Oesef dit geschenk aan en bedankt de priester.

Boodschap voor de stam

Samen met de hoofdpriester stapt hij uit het hunebed en loopt de grote groep mensen tegemoet die zich verderop heeft verzameld. “Stamleden” begint Oesef, “Ik heet u welkom. Lang was mijn tocht door de godenwereld met zijn licht en zijn duister. Maar de goden hebben mij aan het einde van mijn tocht gezegend voor mijn taak als stamhoofd”. Gejuich klinkt op uit de menigte. Deze woorden betekenen dat de inwijding geslaagd is. Oesef is een goed verteller en hij beschrijft zijn tocht door de godenwereld en maakt die hier en daar wat spannender en wat mooier. Iedereen leeft mee en de oudere stamleden met meer ervaring met inwijdingsverhalen, horen met blijdschap dat hun stamhoofd voor vrede is en ook voor de behoeftigen in de stam wil zorgen. Ze zullen een stamhoofd krijgen die hen ondersteunt en niet gaat uitbuiten.

Later die dag zijn er nog feestelijkheden met een gemeenschappelijke feestmaaltijd. Daarna gaat iedereen weer verder en vertelt het inwijdingsverhaal door aan anderen die er niet bij zijn geweest.


Figuur 8: Omgeving van de hunebedheuvel met een eikenboom, rechts een maïsveld en linksachter een boekweitveld

Later

In de jaren die kwamen, moest Oesef herhaaldelijk aan zijn inwijding denken. Hij bood zijn ex-vrouw een geschenk aan als dank voor haar goede zorg, wat ze verbaasd en verrast accepteerde.

Bij lastige problemen in de stam had hij de neiging snel knopen door te hakken, maar dan pakte hij de kleine houten constructie die hij gekregen had. Dat hielp hem om de problematiek eerst eens goed te overdenken alvorens te beslissen. En bij conflicten gebruikte hij de schelp en in gedachten zag hij dan weer die bijzondere ogen van zijn begeleidende godin. Dat gaf al wat rust, maar ook volgden vaak ideeën die hem te binnen schoten en hem verder hielpen.

Dit het verhaal van de inwijding. Nu rest van het hunebed slechts een heuvel en een informatiebord, maar de energiepunten  van 5000 jaar geleden zijn er nog. Een tijd waarin het hunebed voor de toenmalige bevolking de contactplek met de goden was, het spirituele hoogtepunt in hun cultuur.

Ter relativering

De beelden die ik kreeg waren helder genoeg om dit verhaal te kunnen opschrijven. Daarbij werd ik ook geholpen door geestelijke begeleiders zonder wie dit niet tot stand had kunnen komen. De vraag is natuurlijk hoe waar dit is. Als ik niet de stellige overtuiging had dat dit een reële weergave is van wat ooit gebeurd is, zou ik niet publiceren. De functie van dit hunebed komt overeen met die van de hunebedden die ik elders in Drenthe, Denemarken, Duitsland, Frankrijk en Portugal (met een andere bouwvorm) gezien heb. Toch zal het voor de huidige wetenschappers die onbekend zijn met metafysische energie niet zonder meer aannemelijk zijn. Mijn voorstel is om deze functie van het hunebed als een alternatief verklaringsmodel voor het grafmonument te beschouwen. Aanknopingspunten zijn te vinden in de Griekse oudheid met verhalen over het orakel van Delphi. Maar ook voor archeologen die zich trainen in het voelen van metafysische energie zou een wereld open kunnen gaan.

Dank tot slot

Erna, dank voor je gezelschap bij de zoektocht naar het verdwenen hunebed van Mander.

Meer informatie

Meer informatie over de metafysische aspecten van andere hunebedden is te vinden op deze website van het Hunebeddencentrum en op die van het KoendalinieNetwerk.

Meer informatie over aura-reading en -healing is te vinden in de rubriek ‘aura-reading’ van de website van het KoendalinieNetwerk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.