“Etnografie is een bron die je niet moet onderschatten”

Twee maanden lang werkten studenten van de WEAG (Werkgroep Experimentele Archeologie Groningen) op het terrein van het Hunebedcentrum aan een experiment. Het onderwerp voor de experimenten is de haardkuil. Haardkuilen worden met honderden en soms duizenden samen aangetroffen op zandgronden in Nederland en voornamelijk in Noord-Nederland. De daadwerkelijke functie van deze kuilen is tot nu toe onzeker. Omdat er veel koolstof in zit, zijn deze kuilen te dateren en is gebleken dat ze behoren  tot de periode van de Middensteentijd (10.000 tot 5000 v.Chr). Jochem Dorrestein, Jeljer Huisman en Hester Kamstra reconstrueerden verschillende typen haardkuilen om te onderzoeken of deze haardkuilen kunnen zijn gebruikt voor de productie van teer. 

Hester Kamstra, Jochem Dorrestein en Jeljer Huisman



In het Oertijdpark van het Hunebedcentrum staan de drie archeologiestudenten rondom smeulende plaggen, alweer de zoveelste variant van hoe de haardkuil er mogelijk uit heeft gezien in de Middensteentijd. Eén van de studenten, Jochem, vertelt over het proces van experimenteren. ”In de eerste versie merkten we dat de temperatuur niet door de zoden heen kwam, dus hebben we kolen direct op het dennenhout geplaatst. In het dennenhout zit hars, dat teer op moet leveren.. Nadat het grootste gedeelte verkoold was, hebben we de luchtgaten gedicht. Nu is er geen open vuur op de den, maar als het goed is wel voldoende hitte.”

Terwijl de dennentakken langzaam smeulen en er pluimpjes rook uit de bodem komen, vertelt Jeljer Huisman wat er allemaal met houtteer gedaan werd zo’n 8000 jaar geleden. “Teer is verf, een soort conserveringsmiddel, maar ook een bindmiddel voor pijlen en werktuigen. Eigenlijk wat je maar aan elkaar wilt verbinden. Vloeibare teer met houtskool wordt een soort warme lijm, die keihard wordt wanneer het afkoelt.”

Jeljer wordt aangevuld door zijn medestudenten Jochem en Hester. “We weten van de Middensteentijd, dat de bewoning vooral afspeelt in de buurt van water, rivieren en waterwegen. Visserij heeft hoogstwaarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld in hun bestaan. Touw maken, bijvoorbeeld, kost ontzettend veel tijd en is lastig werk. Als je het organisch materiaal voor touw met teer insmeert, dan zorg je ervoor dat je die materialen beter conserveert.

Er zijn ook aanwijzingen dat teer medicinaal gebruikt werd, deze aanwijzingen vinden we, door naar volkeren te kijken die nog op een vergelijkbare manier leven als de jagers-verzamelaars uit de Middensteentijd. Deze mensen en hun handelingen noemen we etnografische bronnen. De studenten zijn het er over eens: “Etnografie is een bron die je niet moet onderschatten”. Zo maakt men in Centraal-Anatolië (Turkije) nog op een traditionele manier teer. Opvallend is dat men daar teer gebruikt als pleister en het in de oren wordt gesmeerd om oorpijn tegen te gaan. Koolstofconnecties die in teer zitten blijken namelijk antibacterieel. Een ander voorbeeld van een etnografische bron die in de experimentele archeologie tot nieuwe inzichten heeft geleid, zijn mensen uit Noord-Scandinavië, de Saami, die in vergelijkbare omstandigheden leven als de semi-nomadische mensen uit de Nieuwe Steentijd. Zo lijken de hutten van de Saami overeen te komen met verschillende archeologische vondsten uit die tijd.  

“Uit archeologische vondsten is ook een brokje teer naar voren gekomen met tandafdrukken erin. Na onderzoek bleek het vooral om tanden van jonge kinderen en oude mensen te gaan. Tandpijn hebben mensen natuurlijk vooral bij het krijgen van tanden en het verliezen ervan. Dit duidt op gebruik van teer als pijnbestrijding.”,  aldus Jeljer. 



Verder onderzoek
Vijf dagen experimenteren en negen kuilen verder, staan de drie er handenwrijvend en verkleumd bij. Hoe gaat het nu verder? Jochem antwoordt: “As is best wel reactief. Het kan zijn dat het effect op de graszoden pas later te zien is. Omdat het proces nog steeds doorgaat. En het is de vraag hoe graszoden verbranden. Daarom hebben we het zo gebouwd met de graszoden eromheen. We zullen de graszoden ook gaan vergelijken met de monsters van bodemvondsten. We zouden ook een gevulde haardkuil een jaar lang kunnen later zitten, om dat dan te gaan vergelijken.”

Op de Noord-Nederlandse zandgronden zijn duizenden haarkuilen gevonden, en er komen met opgravingen soms wel honderden tegelijk bij. Of deze allemaal gebruikt werden voor de productie van houtteer? Het zou zo maar eens kunnen. Zeker is dat experimenteren helpt in het begrijpen van onze voorouders en hun gebruiken. Het brengt ons steeds een stukje van de puzzel. Het Hunebedcentrum zal in de toekomst meer betrokken zijn bij dergelijke archeologische experimenten.



(Tekst en foto’s Gijs Klompmaker)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.