Het is nu twee manen geleden dat ik nog bij mijn moeder was. Ze is nog bij het grote kamp. Daar, ver in het oosten. Ze is oud. Ze kan niet meer met ons mee. Zou ze nog leven? Als ik deze winter weer in het grote kamp ben, dan kan ik met haar praten over wat ik heb meegemaakt. Ik voel in mijn buik het trappelen van een de zoon of de dochter die hier, aan de stroom, geboren zal worden. Ik hoop dat ik haar dit kind kan laten zien. Als mijn moeder er nog is en als dit kind overleeft. We zijn langzamerhand naar het oosten getrokken. Hier een paar dagen blijven, daar een paar dagen blijven. Wortels zoeken, bladeren en planten keuren, straks als het fruit weer aan de bomen hangt zal dat makkelijker voedsel opleveren. De mannen zijn overal waar we zijn geweest op zoek gegaan naar wild, vogels, vissen, wat ons tot voedsel kan zijn. Sinds enkele weken hebben we ons zomerkamp weer gevonden. Hier aan de stroom. Hier aan de rand van een veenmoeras. Open water. De wereld van de goddelijke krachten en de voorouders. Ze zullen ons de-ze zomer rijkelijk van eten en drinken voorzien. En hier zal mijn kind wor-den geboren. Ik ben blij dat ik hier ben. Ik ben moe. Het lopen valt me steeds zwaarder. Dat hoeft nu niet meer, al blijf ik natuurlijk zoveel mo-gelijk mee helpen bij het verzamelen van voedsel.

In de vitrines van het Drents Museum ligt een uitgeholde boomstam. Het is de oudste boot ter wereld. Hij werd gevonden in 1955, tijdens werkzaamheden in Pesse, nu gemeente Hoogeveen.

De bedompte lucht van het veen en de rook van het vuur, mengen zich in de hut, tot een voor de bewoners vertrouwde aroma. Zo ruikt het leven, hier, bij de stroom, aan de rand van het moeras. Hoe anders is het ver-derop, bij de bossen, in het veld achter het bos, of bij het grote zoute water. De mensen kennen ze allemaal, de geuren, de winden, het wild, de wortels en de knollen die ze er vinden. Dan weer zijn ze een tijdje hier, dan weer daar. Hoe dat hier en dat daar ook maar heet, dat doet er niet toe. De wereld is één groot door-trekgebied, zolang de winter niet dwingt om ergens op een hogere, veilige, vaste plek te blijven.

Een oude grijze man stopt droog gras in de huiden die zijn voeten beschermen. Het houdt hem warm. Zijn hertenleren broek is even vet als zijn handen. Het houdt beide soepel. De tuniek van vervlochten brandneteldraden is op de schouders bedekt door een flinke varkenshuid, waterdicht, en een tweede tuniek van in-middels onherkenbaar materiaal. Het is zo oud als zijn gebruiker, lijkt het, zo vaak versteld dat er voor iedere zomer dat hij al leeft wel een stuk in is gezet, maar functioneel als de oude verzamelaar zelf. Een muts van schapenleer bedekt zijn hoofd, zodat de grens tussen muts en haar even ongemerkt in elkaar overgaat als die van veen en land. Hij kijkt uit over de door nevels begrensde ruimte voor zich. Hij groet zijn beide kinderen en hun partners, haalt een aai over het hoofd van een van de kleinkinderen, en stapt naar buiten. “Mag ik mee?”, vraagt een jongen met een open, sproetige blik? Hij wil graag, maar is eigenlijk nog te jong om het veen in te trekken. Ach, wat doe je, hij moet het toch leren. Vallen en strikken maken, eieren uit nesten halen, vissen spiesen, fuiken laten verzinken en leeghalen. Wat zo’n dagelijkse tocht over water en planten op kan leveren, voor wie de kneepjes van de jacht en de visserij heeft leren kennen. Er zijn niet zoveel woorden nodig. Ieder doet zijn eigen route, en de jongen kan met zijn grootvader mee. “In de boom!”, is dan de reactie, van de lachende jongen. Niet langs de oevers dus vandaag. Grootvader ziet het al voor zich. Straks gaan ze beiden het water in, want zo stabiel is hij ook niet meer, maar wat maakt het uit, ze weten zich wel te reden. Ook goed dus. Samen stappen ze in de uitgeholde dennenboom. Zijn dochter geeft de boot een flinke duw, opa glijdt de stroom op, zijn kleinzoon voor zich. Zijn doch-ter, dat ben ik, en die jongen, dat is mijn oudste zoon.

Als ze thuiskomen zijn de schaduwen al flink vergleden. De koude ochtend heeft plaats gemaakt voor een stralende zon, die blinkt op de open delen van de stroom, en dampen laat opstijgen waar het moeras zijn gassen prijsgeeft. Veenpluis danst in de zachte bries. Grootvader en zijn kleinzoon brengen bij het vuur wat ze die dag hebben opgehaald. Ze hadden geluk, die dag, de goden waren hen goed gezind. Het eten wordt klaar gemaakt. Een deel ervan gaat als dank terug naar die goden, in het veen. Een ander deel wordt gerookt. Het is voorraad voor als ze over een paar nachten weer verder trekken. Als grootvader met een goed gevulde maag de rand van het water opzoekt, om zijn blaasinhoud toe te voegen aan de eindeloze watermassa……. mist hij de boot.

“Jij zou de boot toch vastleggen?” De kleinzoon laat verbaasd en stuk gerookte vis uit zijn mond vallen. Hij kijkt zijn grootvader aan en …..de woorden vervagen in de opmerkingen van zijn moeder. Ik zeg: “Vader, je weet toch wel dat jij baas blijft, als je met een jochie op stap gaat?” Ik daarbij de oude man aan met een blik die niets te raden overlaat. “Dat wordt dus weer een nieuwe boom omhakken en een week uithollen”, verzucht de oude grootvader. “Ach, we gaan over een paar manen toch verder, en we weten toch nooit zeker of de boom er een volgende keer nog wel ligt”, relativeert zijn schoonzoon, mijn man. “En of ik dan nog kan hakken!”, voegt de oude grootvader er aan toe. “Onze toekomstige clanleider heeft vandaag meer ge-leerd dan velen in één dag hebben willen leren”, en dan schaterlacht grootvader.

De oude grootvader weigert om zich erbij neer te leggen. Zover kan die boomstam-kano niet zijn. Hij maakt samen met mijn man een gevlochten stelsel van wilgete-nen en andere takken, vlecht ze aan elkaar met braamstengels, trekt er aan elkaar genaaide huiden overheen en dicht de kieren met berkepek. Ik zeg het nu wel zo gemakkelijk, maar ze zijn er een week mee bezig geweest. Er moesten genoeg hui-den zijn, het kost nogal wat moeite om voldoende berkepek te maken en in de tus-sentijd moet er ook nog gewoon gevist worden. Om maar niet te praten over alle vallen en strikken waar we dagelijks bij langs moeten. Grootvader neemt de tijd en weet ook heel goed waarom hij dat doet. Zo leert mijn zoon namelijk ook meteen hoe hij een boot kan maken van huiden en tenen. Er wordt een plank op gezet van gespleten boomstam. Een andere plank wordt tot peddel gemaakt.

Na een week is het bootje klaar. Grootvader probeert hem uit en mijn zoon kan er in zitten om het water te verkennen. Omdat een zoektocht stroomafwaarts niets heeft opgeleverd, vermoeden we dat de boomstamkano ergens tussen het riet ligt. Er is veel water in de beek. Hier en daar staat het als een meertje op het anders droog-liggende land. Grootvader, mijn man en nog enkele mannen van onze clan begelei-den mijn zoon aan beide kanten van de stroom, als ze op zoek gaan naar de boom-stamkano. Het is al tegen de avond dat ze hem vinden. Mijn zoon bindt er een touw aan en sleept hem naar de wal. De peddel ligt er gelukkig nog in. Maar tegen de stroom op peddelen als de zon al onder begint te gaan, dat doen we niet. De man-nen zullen die nacht slapen in de open lucht. Ze voeden ’s avonds zich met forellen, gespiest in het heldere water van de stroom. De snelle bewegingen van hout op hout, een tondelzwam en pluis, het zorgt voor de eerste vonken. Voor je het weet ruik je de heerlijke geur van vers geroosterde vis. De andere morgen worden ze gewekt door de zon. De sterksten gaan in het bootje van huiden en tenen en de ka-no. Onderweg zullen ze zoveel mogelijk voedsel verzamelen. Ze hebben op de heenweg nesten gezien, met eieren waar je het water van om de tanden loopt. Ze komen dan ook thuis met een flinke lading voedsel. Eieren en vis. De andere man-nen zijn over de wal gegaan, via het bos. Vallen leeghalen. We hebben het druk, als iedereen thuis is. Er moet vlees worden gerookt, de huiden moeten schoon wor-den gemaakt en op een raamwerk worden gespannen, zodat we ze kunnen looien.

We hebben schrapers nodig. Voor een tweede boomstamkano – we krijgen nu echt de smaak te pakken – worden bijlen gemaakt. Er is al een boom uitgekozen. Hij zal na zijn val een jaag blijven liggen, om het hout te drogen. Volgend jaar gaan we hem met vuur uitbranden en de verkoolde resten met vuursteen verwijderen. Dit land geeft ons alles wat we nodig hebben. Daarom zijn we hier ook. Genoeg vuur-steen, aan deze stroom. Samen met de vis, het wild en de vele eetbare planten en wortels is dit een van de mooiste plekken die de clan zich kan herinneren. Zelf ben ik hier nu voor de 20e zomer. Twee handen vol, zoveel zomers. En iedere keer is het weer een tijd van eten en drinken in overvloed. Veel gevaar is hier niet. Tegen de tijd dat de wolven weer brutaler worden, zijn we weer in ons winterkamp. Op de vlakten tussen het riviertje en de bossen zien we soms oerossen. Zo nu en dan we-ten onze mannen er eentje klem te zetten in een bospartij. Ze lokken hen met de roep van een hoorn, weten ze tussen wat palissaden te krijgen en steken hen dood met een flinke essenhouten lans, waarvan de punt is gehard in het vuur. Zo is het goed leven. Als we ons allemaal inzetten.

Ik begrijp het allemaal. Er moet wat gedaan worden. Maar ik ben zo moe. Het lukt mij niet meer. Het kind in mijn buik is groter en groter geworden. Mijn zuster is alle dagen bij me. Er worden nog wel wortels en planten gezocht, maar mijn zoon moet maar meehelpen. Ik kan het niet meer. Een paar passen lopen, dat is alles wat ik nog kan. Zo gaat het nog een dag, nog een dag, nog zeker 10 dagen. En dan krijg ik zo’n kramp in mijn buik…. Ik weet dat het gaat gebeuren. Mijn zuster en de vrouw van mijn broer helpen me. Onze mannen zitten buiten de hut. Een hut van kromge-trokken boompjes met huiden erover beschut ons tegen wind, regen, zon en onge-diertje. Tegen de ogen van de mannen en de kinderen op de achtergrond, maar niet tegen het geluid. Een met vel bespannen houten ring wordt beslagen met een stok van gewei. Het ritme en de zich herhalende zang van keelklanken van de man-nen werkt als een roes. Het brengt me zo nu en dan rust, tussen de krampen door. Zo breng ik een volle dag door. Tot er op de avond een stralende gezonde dochter wordt geboren. Als het kind bij me drinkt, is het deel van de clan geworden. Ik ben mijn vorige dochter verloren. Haar geest is terug naar de voorouders. Mag deze blijven?

Zo vergaan de manen, daar aan de stroom. Ik voel me langzamerhand weer sterker worden. Mijn dochter lijkt te mogen blijven. Maar mijn schoonvader, de oude clan-leider mocht niet blijven. Hij heeft zijn been gebroken bij het omhakken en laten val-len van de boom voor de volgende kano. We hebben hem nog een paar manen bij ons gehad. Hij werd zwakker en zwakker. Lopen ging erg moeilijk. We waren bang dat hij achter zou moeten blijven, als we weer naar het winterkamp zouden gaan. Zover is het niet gekomen. Een paar dagen van te voren heeft hij zijn adem uitge-blazen en werd verenigd met de natuur. We legden hem in een kuil op een bed van  herfstbladeren en overdekten hem met wat late bloemen, fruit, een peddel waar hij mee bezig was, en legden zijn vuursteengereedschap naast hem. Zijn grafheuvel zal ons volgend jaar wijzen waar we zijn moeten. We weten niet of de geesten van de natuur ons goedgezind zijn. We hebben dan ook besloten om hen een offer te brengen. De oude boomstamkano wordt onder gezang verzonken, door hem in een veenpoel onder water te drukken en vast te zetten met takken. Moge de geest van mijn schoonvader er nog veel mee rondvaren over het visrijke water en door de zo voedselrijke natuur.

De hut wordt uit elkaar gehaald. Mijn man legt de huiden op twee berkebomen, die hij over zijn schouder legt, en als een slee over de grond laat slepen. Het is een he-le last. Mijn zoon draagt gerookt en gedroogd vlees. Ik heb een kookpot en andere spullen bij me. Op mijn rug draag ik mijn dochter. Zo heeft iedereen het hare en het zijne. We gaan naar het winterkamp. Naar mijn moeder. Als ze nog leeft. Ik hoop dat ik haar mijn dochter kan laten zien. Wie weet staan de kromme boompjes van de hutten er nog, volgend jaar. Dan kunnen we die weer opknappen. En zo niet, dan maken we daar, of in de buurt, gewoon nieuwe. De boomstam ligt te drogen. Daar maken we de volgende kano van. Zo gaat het leven verder. Zolang het leven verder gaat………

Een  replica van de boot van Pesse lag  enige jaren in de kelder van het Museum de 5000 Morgen te Hoogeveen. Nu is de replica te zien in de tentoonstelling van de Verhalenwerf aldaar. Men voer ook in boten van huiden.

De boomstamkano werd uitgehold door kooltjes vuur in te laten branden, en vervolgens de verkoolde laag te verwijderen.

In september 2011 werd een replica van de boot van Pesse getest in de recreatieplas Schoonhoven. Zondag 23 juni 2013 was er een boomstamkano-race bij Erm. De winnaars, enkele fanatieke Friese dames, met hun houten beker.

Niemand weet hoe het precies is gegaan, maar 10.000 jaar geleden, is een boom-stamkano uit de stam van een grove den, blijven steken in de bedding van een stroompje bij Pesse. In augustus 1955 werd er druk gewerkt aan de A 28. Ten zui-den van Pesse, zo’n 4 kilometer ten noorden van Hoogeveen, kwamen de wegen-bouwers een met veen gevulde kom tegen. De vier meter dikke veenlaag werd ver-wijderd, zodat er een stevige ondergrond voor de weg verkregen kon worden. Twee draglines haalden de blubber naar boven. Het werd op karren gegooid, om afgevoerd te kunnen worden. Het gat werd opgevuld met zand. Op 2-2 ½ meter diepte kwamen de draglines een horizontaal liggende boomstam tegen. Hij werd met de smurrie op een kar gegooid. Dat zou het einde zijn geweest, als het ‘ding’ er niet ‘toevallig’ af was gerold en ter plekke bleef liggen. Enkele dagen later kwam het hout onder ogen van Hendrik Wanders. Hij woonde ongeveer 300 meter van de vindplaats. Hij zag er iets bijzonders in. Hij haalde een kruiwagen op en nam het hout mee naar huis. Het werd in de tuin gelegd. De voorzitter van de Drentse Pre-historische Vereniging en de penningmeester van de Stichting Vrienden van het Drents Museum werden gewaarschuwd. Ze adviseerden het hout nat te houden. Professor Waterbolk van het Biologisch Archeologisch Instituut uit Groningen werd gewaarschuwd. Enkele dagen later kwam een medewerker van dit instituut langs voor een eerste onderzoek. Wanders ging akkoord met verder onderzoek. Zo kwam de boot terecht in de koelcel van een vishandelaar in Groningen, waar het bij 20 graden onder nul werd bewaard, tot beslist was hoe het verder geconserveerd zou worden. Er was al een stuk hout afgebroken, dat gelukkig in de boomstam was blij-ven liggen, maar bij gewoon drogen zou het nog verder vernietigd worden.

Uiteindelijk verwierf het Drents Museum in Assen via deze weg de oudste boot ter wereld. Het is een 3 meter lange en 45 centimeter brede kano, gemaakt van een grove den, door middel van het gecontroleerd laten inbranden van vuur. De date-ring is officieel gesteld op ‘ergens tussen 8040 en 7510 voor Christus. Oftewel, kort door de bocht, ongeveer 10.000 jaar oud. Dat het gaat om een boot, en niet om een voerbak (zoals ook wel is verondersteld) is inmiddels glashelder. Er was in die tijd geen voerbak nodig in Drenthe, om de simpele reden dat er geen boerderijen en gedomesticeerde dieren waren, en een replica van de boot bleek prachtig te varen. Dat bleek toen op 11 april 2001 deze replica bij Witten in een vennetje werd uitgeg-probeerd. Later werd dit in het water bij Schoonhoven, Hollandscheveld, nog eens overgedaan met een vergelijkbare boot. Wanneer de passagier op zijn knieën of half gehurkt aan boord zit, kan hij of zij met het bootje vrij goed manouvreren. Een mooi hulpmiddel bij jacht of visserij. Een knipoog van de tijd. Want wat we er ook bij denken of reconstrueren, we weten niet meer dan DAT hij gemaakt is, en DAT men er iets mee bedoeld en gewild heeft. Alles is anders geworden, maar die ene boot, die is er nog………

©Albert Metselaar, Hoogeveen 2019 albertmetselaar@home.nl

2 REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.