Klompje berkenteer gevonden bij opgravingen in Syltholm, Denemarken. Afbeelding: © Theis Jensen (JENSEN et al. (2019)

Hoe zagen mensen uit de prehistorie er uit? De stenen werktuigen en potscherven die de archeoloog opgraaft zeggen daar niets over. Een skelet is al beter: dat kun je reconstrueren en daarmee kun je iets te zeggen over lichaamsverhoudingen en postuur. De details van een schedel maken het zelfs mogelijk om conclusies te trekken over het gelaat van de persoon toen deze nog in leven was – iets waarvan bij politieonderzoek naar ongeïdentificeerde slachtoffers van misdrijven inmiddels dankbaar gebruik wordt gemaakt. Maar ook in de archeologie is dit toe te passen. Denk bijvoorbeeld aan de reconstructie van het slachtoffer van een tweeduizend jaar oude moordzaak: het meisje van Yde.

Maar recente ontwikkelingen in de biotechnologie, met name onderzoek op het gebied van erfelijk materiaal (DNA), maken het nu mogelijk om een schat aan informatie op te diepen uit minimale overblijfselen. Soms is daar niet eens skeletmateriaal voor nodig! Zo hebben onderzoekers een paar jaar geleden al DNA van Neanderthalers kunnen opdiepen uit het sediment in grotten (SLON et al. (2017)). En recentelijk (december 2019) is een onderzoek gepubliceerd naar DNA dat gevonden is in een gebitsafdruk in een 5700 jaar oud stuk berkenteer, met verrassende resultaten (JENSEN et al. (2019)).

Bijten in berkenteer?
In Syltholm, op het Deense eiland Lolland werd bij een opgraving een stuk berkenteer gevonden.

Dat is niet ongebruikelijk, omdat teer al in de oude steentijd door Neanderthalers gebruikt werd als lijm, bijvoorbeeld om stenen werktuigen op houten handvatten te bevestigen of om een stenen mesje beter te kunnen vasthouden. Teer werd gemaakt door hout en bast van de berk (Betula pendula) enigszins gecontroleerd te verhitten.

Zie ook:
https://www.hunebednieuwscafe.nl/2019/11/neanderthalers-gebruikten-teer/
https://www.hunebednieuwscafe.nl/2018/04/berkenteer-maken/ ]

Ook was uit tandafdrukken al langer bekend dat de mensen die berkenteer gebruikten er soms op hadden zitten bijten. Waarom? Eén hypothese is dat ze dat deden om het materiaal wat zachter te maken, zodat het makkelijker te gebruiken was. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat één van de bestanddelen van berkenteer, betuline, een ontsmettende werking heeft. Wellicht werd er op teer gekauwd als een vorm van mondhygiëne, of om ontstekingen te bestrijden. Of misschien was het gewoon prettig om te doen: prehistorische kauwgom dus.

Klompje berkenteer gevonden bij opgravingen in Syltholm, Denemarken. Afbeelding: © Theis Jensen (JENSEN et al. (2019)

DNA geheimen ontsluierd
Hoe dan ook: teer is een uitstekend conserveermiddel voor organisch materiaal – en dus ook voor DNA. Zo goed dat het mogelijk was om een compleet genoom te achterhalen, dat wil zeggen: het geheel van het erfelijk materiaal van een individu, in tegenstelling tot bijvoorbeeld DNA enkel afkomstig uit mitochondria, de energieleveranciers in de cellen die hun eigen, veel beperktere setje DNA hebben. De onderzoekers van het Syltholm-materiaal kwamen zo tot een aantal conclusies. Ten eerste was het menselijk DNA afkomstig van een vrouw. Ze was lactose intolerant, wat in overeenstemming is met het feit dat er ook verder geen genetische instroom van neolithische landbouwvolken werd vastgesteld. Lactose tolerantie, dat wil zeggen het vermogen van het menselijk lichaam om melksuikers af te breken door middel van het enzym lactase, is een mooi voorbeeld van een evolutionaire ontwikkeling waarin genen en cultuur elkaar wederzijds beïnvloeden. Normaal gesproken produceren alleen pasgeborenen lactase om borstvoeding te kunnen verwerken, maar dat vermogen verdwijnt naarmate het kind ouder wordt. Toen mensen vee gingen houden en melk en melkproducten gingen consumeren verspreidde het gen voor lactase persistentie (het gen dus dat ervoor zorgt dat lactase ook geproduceerd wordt na de vroege jeugd) zich door deze veeteeltculturen. Maar daarvan was bij de vrouw van Syltholm (die de bijnaam Lola heeft gekregen) nog niets van terug te vinden.

Ook werd duidelijk dat Lola meer verwant was aan groepen mesolithische jagers-verzamelaars uit West-Europa dan aan oostelijke groepen die ook noordelijker in Scandinavië vertegenwoordigd waren. Mogelijkerwijs was ze een verre verwant van Ava en Ynge, de moeder en kind uit een dubbelgraf dat in 2018 in Nieuwegein bij Utrecht werd gevonden. Deze laatste vondst, min of meer uit dezelfde tijd als het materiaal van Syltholm, behoort tot de zogenaamde Swifterbantcultuur die de overgang vormt tussen de jagers-verzamelaars culturen uit de late midden-steentijd en de nieuwe steentijd waarin landbouw en veeteelt voorzichtig hun intrede deden.

Zie ook: https://www.raap.nl/pages/RAAPnieuws_PERSBERICHT_30012018_oudste_babygraf_ontdekt_Nieuwegein.html]

DNA-analyse maakte verder duidelijk dat Lola een donkere huidskleur heeft gehad, donkerbruin haar en blauwe ogen. Dit komt overeen met andere gegevens van mensen uit de midden-steentijd, zoals de man van Cheddar uit het vroeg-mesolithicum van Zuidwest-Engeland.  Het vermoeden bestaat dat een blanke huidskleur pas typerend voor de bewoners van Europa is geworden toen in de late nieuwe steentijd landbouwvolkeren met hun typerende klokbekerculturen van de west-Russische steppe Europa binnentrokken en de oorspronkelijke bevolking verdrongen. Wellicht dat ook de hunebedbouwers als nazaten van Europese midden steentijd volkeren nog een donkere huidskleur hadden.

…en nog meer!
De mond omvat een maalinstrument, een gespierde tong die daarbij assisteert en smaakreceptoren bevat, speekselklieren die het begin vormen van het spijsverteringskanaal en nog vele andere anatomische details. Maar het is ook – net als trouwens de rest van het menselijk lichaam – een biotoop: een plek waar allerlei organismen, zoals bacteriën, virussen en schimmels een al dan niet voor ons nuttig bestaan leiden. Ook van dit microbiële leven troffen de onderzoekers DNA sporen aan, waaronder ziekteverwekkers die klierontstekingen (ziekte van Pfeiffer) en longontsteking veroorzaken. Daarnaast werden in het berkenteer sporen aangetroffen van hazelnoot (Corylus avellana) en wilde eend (Anas platyrhynchos) – waarschijnlijk onderdeel van Lola’s menu.
Bij de opgraving in Syltholm is geen menselijk botmateriaal gevonden. Maar met behulp van geavanceerde technologie blijkt het mogelijk om alsnog een fascinerend en gedetailleerd beeld te schetsen van mensen uit de midden-steentijd.

Bronnen:
JENSEN, T.Z.T. et al. (2019), A 5700 year-old human genome and oral microbiome from chewed birch pitch, in: Nature Communications 10, 5520 (2019) doi:10.1038/s41467-019-13549-9
SLON, V. et al. (2017), Neandertal and Denisovan DNA from Pleistocene sediments, in: Science  12 May 2017: Vol. 356, Issue 6338, pp. 605-608 DOI: 10.1126/science.aam9695

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.