Harm Tiesing is een beroemde schrijver uit Drenthe. Hij heeft in de tweede helft van de 19e eeuw en begin 20ste eeuw meer dan duizend publicaties over het leven in Drenthe geschreven. De hunebedden kwamen regelmatig terug in zijn geschriften. Hieronder ziet u een artikel met als titel ‘Het Groote Hunnebed te Borger’.

24 aug. 1923 – Prov. Drentsche en Asser Courant.

H. Tiesing. (1853-1936)

Er is geen gemeente in Drenthe met zoo veel hunnebedden als de gemeente Borger.

Over de omgeving van het grootste hunnebed dat ten noordoosten van Borger ligt, en welk elk jaar in Juli en Augustus door honderden vreemdelingen bezocht wordt, heeft in de beide eerste decenniums van deze eeuw veel beweging van gedachten plaats gehad.

Dit hunnebed lag van 1850 geheel open in een omgeving van heideveld.

In 1851 werd aan den weg Borger-Bronneger in de nabijheid van dit hunnebed het armenwerkhuis gebouwd. De eerste armenvader, een ijverig boomplanter omgaf het hunnebed ter eene zijde met berkenboompjes en legde ter anderen zijde een klein dennenveldje aan. In dat boschje maakte hij wandelwegen, tegenover het hunnebed en bloemperkjes met enkele zonnebloemen, duizendschoonen, goudbloemen en een rustbankje werd geplaatst.

In de jaren 1860 tot 1870 hebben het rijk en de provincie getracht alle hunnebedden van Drenthe in eigendom te verkrijgen om deeze voor slooping te behoeden. Want met buskruit zou men deeze steenen kunnen doen springen. En de brokken uitvoeren. Het groote hunnebed ging toen aan het Rijk over.

Nadat de armenvader Eggens overleden was, werd aan de omgeving geen zorg meer besteed. Al het omliggende heideveld was langzamerhand bouwland geworden.

Het Rijk stond jaarlijks f 10 toe voor onderhoud van de omgeving  doch als er niets gedaan werd, werd ook die f 10 niet gevraagd.

In de tijd waarin de heer A. Olthof, burgemeester van Borger was, eerste decennium dezer eeuw, stierven vele goed opgegroeide  dennen wegens ouderdom en te dichten stand. In overleg met den toenmalige Min.van Binnenl. Zaken, dr. A. Kuyper, liet Olthof al die dennenboomen, wier aantal ook door diefstallen verminderde, in het openbaar verkopen. De opbrengst was voor het Rijk, dat ook het bosch ten geschenke had ontvangen.   Genoemde heer Burgemeester werd gemachtigd, dit geld tusschen f 200 en f 300 te besteden aan restauratie van de omgeving.

De grond werd diep omgewoeld (werkverschaffing)  en aan een bekend boomkweeker werd de beplanting met houtgewas opgedragen. Deze bracht er heesters en struikgewassen, waarvan geen gunstige verwachting was. Ruim de helft er van stierven omdat zij hier geen geschikten bodem vonden. De anderen kwamen hum kwijnend tijdperk te boven.

Nu was het wel of Holland in last zat. Een omgeving van heester paste bij dit hunnebed  als het vijfde rad in een wagen. Burgemeester Olthof zag te laat in, dat hij de beplanting aan een ander had moeten opdragen. De berkenboomen ten noordzijde bleven in stand, met de nieuwe beplanting ter zuidzijde was het misère.

Hierop werd de hulp der Ned. Heidemaatschappij ingeroepen. Deze adviseerde: Laat de nog in leven zijnde boomen door Mets geplant, bestaan, vul de ledige ruimte met dennen aan het bosch zal weer opgroeien. Die verwachting heeft niet gefaald en het dennenboschje met vreemde boomsooorten er tusschen, kreeg eene omheining die het van ’t omliggende bouwland scheidde. Het armbestuur der N.H. Gem. heeft er met vergunning een armenbusje in geplaatst. Aan den weg ter zuidzijde werd een toegangshekje geplaatst. De wandelpaden ook “slingerpaden” genoemd waren overeenkomstig het model van den armenvader in stand gebleven en nu komt de omgeving weer overeen met die van het jaar 1900.

Zoowel om het belang van het groote bezoek  van vreemdelingen aan het grootste hunebed, als om de oplossing der beplantingkwestie; wordt het bovenstaande hierbij gememoreerd.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.