In onze collectie zijn meerdere pijlpunten te vinden. De pijlpunten op de foto’s zijn afkomstig uit hunebed D26. Er zijn wel meer dan 100 van dit soort pijlpunten in dit Hunebed gevonden. Voor dit werktuig worden verschillende materialen gebruikt. In dit artikel en in de periode van de Trechterbekercultuur hebben we het over vuurstenen pijlpunten.

Vorm

Ook de vorm van pijlpunten kan verschillen. Wij kennen vooral puntige pijlpunten met een driehoekige vorm. Vanaf het Mesolithicum tot en met de Trechterbekercultuur vinden archeologen in de deze regio microlieten (betekent kleine steen) met een andere geometrische vorm, die diende als pijlpunt. Deze vorm wordt omschreven als trapezia of trapezoïde pijlpunten en is herleid uit de vorm die in de meetkunde wordt gebruikt voor een vierhoek waarvan minstens twee tegenoverliggende zijden evenwijdig zijn. Ook hierin zijn variaties in lengte en breedte verhoudingen. Volgens archeoloog Marcel Niekus hebben transversale spitsen een lengte, vanuit slagrichting gezien, die kleiner is dan de breedte.

Afbeelding 1: Verschillende typen trapezia van de mesolithische vindplaats Nieuw-Schoonbeek in Drenthe, en drie transversale spitsen uit hunebed D9 bij Annen. Nummers 1-5: rechthoekige trapezia; 6-7: symmetrische trapezia; 8-12: asymmetrische trapezia; 13-15: transversale spitsen (bron: S. Tiebackx, E. Bolhuis & M.J.L.Th. Niekus (GIA) in Niekus, 2008, p. 57)).

De eerste trapeze-vormige pijlpunten komen voor sinds het laat mesolithicum (8100-6000 jaar voor de huidige jaartelling). Marcel Niekus concludeerde na onderzoek dat trapezia in de loop van het mesolithicum en neolithicum steeds breder worden en het aantal transversale spitsen toeneemt. Door subtiele verschillen kunnen de werktuigen dus worden gedateerd. Vergis je niet, dit kan voor niet-specialisten moeilijk te zien zijn. De verschillende soorten trapezia zijn te zien op afbeelding 1.

De transversale pijlpunten zijn veel gevonden in Trechterbekercultuur vindplaatsen. Omdat ze relatief klein zijn, werden de pijlpunten meer aangetroffen in hunebedden waar tijdens de opgraving gezeefd werd. Hoewel transversale pijlpunten vaak kenmerkend worden genoemd voor de trechterbekercultuur (3400-2850 voor Christus), worden vergelijkbare vormen op meer plekken in tijd en ruimte gebruikt. Ook de Vlaardingen groep maakte gebruik van dit type pijlpunten, maar volgens Annelou van Gijn en Jan Albert Bakker zijn deze kleiner van formaat. De Vlaardingen groep (3400-2500 voor Christus) leefde ongeveer gelijk met de Trechterbekercultuur, maar dan in midden en west Nederland. Ook van de zuidelijkere Seine-Oise-Marnecultuur (SOM) cultuur (3100-2000 voor Christus) kennen we transversale pijlpunten, bijvoorbeeld uit de steenkist van Stein (in Limburg). 

Productie

De Trechterbeker pijlpunten (en ook andere kleine vuurstenen werktuigen) werden gemaakt van lokaal vuursteen (moraine), maar bijvoorbeeld ook van oude vuurstenen bijlen.

Archeologen vinden tijdens opgravingen alleen de vuurstenen pijlpunt terug. Dit is natuurlijk niet het complete wapen zoals het er in het verleden uitzag. Organisch materiaal als hout, bot en textiel, zijn vaak vergaan doordat het materiaal wordt afgebroken door bodemprocessen. De pijlpunten zaten in een pijlschacht geklemd en werden met berkenteer vastgezet.

Af en toe wordt er een uitzonderlijke vondst gedaan, waarbij (delen van) organisch materiaal bewaard zijn gebleven. Het meest bekende voorbeeld is Ötzi, de ijsmummie die uitzonderlijk goed bewaard is gebleven in een gletsjer en leefde rond 3300 voor Christus. Natuurlijk is de vindplaats van Ötzi ver weg van onze Trechterbekercultuur, maar ze leefden wel in dezelfde tijd. We gaan er dan ook vanuit dat er overeenkomsten geweest zullen zijn met de Trechterbekercultuur. Pijlen en boog zijn terug gevonden in de uitrusting van Ötzi. Deze zijn gemaakt van hout, vastgezet met berkenteer en een plantaardige draad (zie afbeelding 2).

Afbeelding 2: Pijlen van Ötzi. De rood en blauwe markeringen geven locaties van gebruikssporen aan (Bron: Wierer, et al. 2018. p.8).

Functie

Er zijn dus verschillende soorten pijlpunten, die elke verschillende soorten schade geven bij gebruik. Kenmerkend aan de transversale punten, die een groter oppervlak hebben aan bovenkant, is dat ze een grotere wond veroorzaken. Dit gaat gepaard gaat met meer bloedverlies.

Dat deze vorm werktuig ook daadwerkelijk gebruikt werd als pijlpunt, onderzoeken archeologen door middel van gebruiksporen analyse. Op microscopisch niveau wordt er gekeken of de gebruikssporen op het originele object overeenkomen met de sporen op een replica die gebruikt is in een bepaald proces. Er zijn verschillende onderzoeken met ‘punten’ (niet perse trechterbekercultuur gerelateerd) waarbij sprake is van gebruikssporen die duiden op gebruik als projectiel. Niet alleen pijlpunten zijn bekeken, maar ook weerhaken die sommige culturen op pijlen gebruikten.

Veel van de Trechterbeker transversale pijlpunten zijn gevonden in Hunebedden. Archeoloog Annelou van Gijn heeft onderzoek gedaan naar de gebruikssporen op verschillende van deze pijlpunten uit hunebedden, waaronder die uit D26. De meeste hadden geen gebruikssporen, in tegenstelling tot veel andere vuurstenen werktuigen uit dezelfde vondstplaatsen. Door de ongebruikte pijlpunten in combinatie met de aanwezigheid van grote hoeveelheid vuurstenen ‘afval’, neemt van Gijn aan dat er vuursteen bewerkt werd bij hunebedden. Van Gijn kaart ook aan dat mogelijk het geluid van het vuursteen bewerken, in plaats van de handeling zelf, van belang geweest kan zijn tijdens begrafenis rituelen.

J.A. Bakker, (2007) The TRB West Group: studies in the chronology an geography of the makers of Hunebeds and Tiefstich Pottery. Leiden: Sidestone Press

A. van Gijn (2014), The Materiality of Funnelbeaker Burial Practices: Evidence from the Mircoscope. In: Marreiros, Bicho and Gibaja, International Conference on Use-Wear Analysis; Use-Wear 2012. Cambridge Scholars Publishing. 693-701.

A. van Gijn & J.A. Bakker, (2005) Megalith builders and sturgeon fishers Middle Neolithic B: Funnel Beaker culture and the Vlaardingen Group. In: L.P. Louwe Kooijmans, P.W. van den Broeke, H. Fokkkens & A.L. van Gijn. The Prehistory of the Netherlands Volume 1. 281-306. 

M.J.L.Th. Niekus, (2008) Een studie naar de ontwikkeling van trapeziumvormige pijlbewapening tussen 8100 en 4100 BP, Paleo-Aktueel. 19: 56-65

B. I. Smit, (2010) Flint from scatters to meaningful categories, in B.I. Smit. Valuable Flints: Research Strategies for the study of early prehistoric remains from the Pleistocene soils of the Northern Netherlands. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen.

U. Wierer, S. Arrighi, S. Bertola, G. Kaufmann, B. Baumgarten, A. Pedrotti, P. Pernter en J. Pelegrin, (2018) The Iceman’s lithic toolkit: Raw material, technology, typology and use, Plos One. 1-48.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.