grieze garm

De zon staat al laag als de voeten van een vermoeide reiziger het pad betreden dat noordwaarts door de oude venen leidt. De vertrouwde geur van rottende plantendelen heeft hij al lang niet meer in zijn neus gehad. Het is een man van zo’n veertig jaar. Preciezer zal hij het zelf ook niet kunnen zeggen. De tijd ging zo snel. Zijn gezicht is getekend door het leven dat nu achter hem ligt. Een litteken komt nog net boven de baard uit, die hij sinds een week of drie weer heeft laten staan. Het bronzen scheermes brak. Maar scheermessen heeft hij ook niet nodig in het land van zijn jeugd. Het rood van het litteken is al bijna overgegaan in een bleek schijnsel, dat volgende zomer op zal vallen als het niet mee kleurt met zijn huid. Het is een herinnering aan zijn laatste ontmoeting met zijn moeder.

Hij was een jaar of dertien toen hij van huis ging. Moeder was nog een enkele keer bij hem geweest. De laatste keer was op een slagveld, ver weg, waar het nooit winter wordt. “Eber”, had ze geroepen. Verschrikt keek hij om, waardoor het zwaard dat zijn hoofd zou splijten enkel nog zijn wang raakte. De punt gleed door zijn vel, toen een snelle stoot met zijn lans een einde maakte aan het leven van de onverwachte belager. Daarna bleef moeder weg, en kwam het heimwee naar zijn geboortegrond. Heimwee dat nu, nu zijn vertrouwde venen links en rechts naast hem liggen, omslaat in zo’n sterke drang om thuis te komen, dat hij zijn pas versnelt. Hij geeft een ruk aan de teugels. Zijn paard schrikt op en volgt zijn versnelling. Het pad door de venen kan hen beiden dragen, als ze op eigen benen staan. Te paard is het gevaar voor wegzakken te groot. En dan nog mag hij van geluk spreken. De herfstregens kwamen laat. Het pad is nog betrouwbaar genoeg gebleven. Hij had er zelf al rekening mee gehouden dat hij zich enkele maanden aan een boer had moeten verhuren, in afwachting van de vorst, die de venen op den duur weer toegankelijk zou maken. Hij zou ook door het Zuider Woud kunnen gaan, maar dan moest hij langs de hoeve van Woltes ouders…

De wind doet de mantel opbollen, die hij strak om zijn lichaam getrokken houdt. Een leren zak is even te zien, evenals een gevest. De zak trekt zijn gordel diep in het vlees. Het gevest is dat van een zwaard van het beste Romeinse ijzer. Het pak op zijn rug doet hem enigszins kromlopen. Zijn voeten zakken dieper weg dan verwacht mag worden. Even rust hij uit, onder een paar bomen op de ruige hoogte, als de tocht door het veen er voor de helft opzit. Het zwaarbepakte paard wordt even van zijn last ontdaan. Het eet wat van het laatste verdorde gras, dat de brandende zomerzon hier heeft laten staan. Vele dagreizen geleden waren het twee paarden. Bij het oversteken van de zoveelste rivier ging er wat mis. Dat paard gleed uit en zijn bereider ging kopje onder. Hij heeft het paard met moeite aan de kant weten te krijgen. Een gebroken been. Hij moest het afmaken. De zware pakken werden toen maar verdeeld over het andere paard en de berijder, die niet veel anders voor zich zag dan lange dagen lopen met een zware last. Het paard, de beste hengst die Eber kon kopen, was eigenlijk niet bedoeld als lastpaard, maar leek met al zijn paardenverstand zich helemaal te schikken in de nieuwe situatie. De last moet de moeite waard zijn, anders doe je het niet. De huiden en het dunne laagje goed verdeelde vet op de plaatsen waar water in kon dringen, hebben de inhoud goed beschermd tegen de rivier en de regenbuien, die ze de laatste weken ook regelmatig over zich heen kregen. Man en paard. Samen op weg. Even doet de man zijn ogen dicht. Even slapen, terwijl de hengst wat rustig staat te vreten. Dan wrijft het paard met zijn lippen tegen zijn wang. We moeten verder, lijkt hij te willen zeggen.

Als ze daarna de zandkop achter zich laten, plenst het. Het begint te schemeren als de rand van de venen bereikt is. Hij zucht. Is het goed dat hij gekomen is? Had hij beter weg kunnen blijven? Hij weet het niet. Zijn leven herhaalt zich in zijn geest als hij de laatste stukken van het zandpad onder zich door voelt gaan. Als jongste zoon had hij geen kans gehad om veel van zijn leven te maken. De boerderij zou later voor zijn broer zijn. Hij had voor hèm kunnen blijven werken, of de erfdochter van een andere boer trouwen. Het laatste wilden zovelen. Het eerste was schier onmogelijk omdat de karakters van hem en zijn broer zo verschilden. Als kind hadden ze enkel gevochten. Zouden ze als volwassenen onder één dak kunnen leven? Zou hij zijn broer als baas kunnen aanvaarden?

Je moet blij zijn met de plaats die de Vrouwe van het Ven je gegeven heeft, zegt men. Hij heeft zich nooit zo druk gemaakt om die Vrouwe van het Ven, en voelt zich zeker niet vereerd door haar beschikking. Ze is naamloos. Sommigen noemen haar en haar zusters ‘Matrones’, Moeders, maar wat die Grote Moeder wil is de mens vaak een raadsel. Een koopman uit het zuiden had verteld van de rijkdom van het verre Rome, toen de mensen bij elkaar gekomen waren om recht te spreken. Aandachtig had hij geluisterd, net als de andere jongens van de hoeves uit de wijde omgeving. Die rijkdom zou ook hun deel kunnen worden, zei de koopman, als ze soldaat zouden worden in het machtige Romeinse leger. Voordat de koopman het andere jaar terugkwam hadden hij, Wolte van de Reest en Lubbe van de Stroomberg er een paar keer enthousiast over nagepraat. Alle drie zaten ze in hetzelfde schuitje. Alle drie zouden ze met het geld dat in het zuiden te verdienen was een eigen hoeve kunnen beginnen. Het jaar daarop gingen ze mee met de koopman. Bij een Romeins garnizoen prezen ze hun kwaliteiten. De koopman kreeg van de Centurion een paar goudstukken voor bewezen diensten en ze werden aan het werk gezet. Pas enkele jaren later waren ze oud genoeg voor het soldatenleven. Dat was ruim vijfentwintig jaar terug. Ruim vijfentwintig jaar geleden traden ze in dienst. Lubbe stierf al bij het eerste gevecht. Wolte verdween spoorloos, toen hun legeronderdeel naar zuidelijker streken overgeplaatst werd. Voor hem, Eber, de trouwe doorzetter, kwam na vijfentwintig jaar het moment om het soldatenleven achter zich te laten. Als veteraan was hij weer vrij om te gaan en te staan waar hij wilde. Hij kreeg een ruime vergoeding mee en toen? Naar huis? Naar alle mensen van zijn herinneringen?

Zouden ze nog leven? Als een bliksemschicht flitst de gedachte door zijn geest. Zijn herinneringen worden weggedrongen door de gedachte aan de schok die hij zal ervaren als vader en moeder er niet meer zouden blijken te zijn. Tegelijkertijd beseft hij dat het een wonder van een god zou moeten zijn als ze er wel allebeide nog zouden zijn, na al die jaren.

De hoeve staat er nog. Als een wolk voor de maan drijft, doemt hij als een donker gedrocht op tegen de iets lichtere sterrenhemel, om daarna in het volle maanlicht tussen het bouwland te staan pronken. Het paard snuift een keer. Vanuit de hoeve komt antwoord van een ander paard. Het geroezemoes van stemmen rond een vuur valt stil.

Vorig artikelKeiendelven en archeologische waardevolle voorwerpen door H.Tiesing
Volgend artikelDe reis van de steen

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.