grieze garm

Eber valt die avond als een blok in slaap. In plaats van het grote zwarte Niets, is het een geestenwereld waarin hij de nacht door lijkt te brengen. Hij is weer even de kleine jongen, aan het vuur bij Grote Bernt, zijn grootvader, Garms vader. Hij aait hem over de lange witte baard, door verlies van haren steeds dunner geworden, om daarna zijn vinger door grootvaders oorring te steken. Grootvader lacht tegen hem. Dan verschijnt zijn moeder. Plotseling is hij veel ouder. Moeder praat met hem over zijn besluit om weg te gaan. “Maar moeder”, lijkt hij dan te zeggen, “ik ben net teruggekomen!” Moeder veroudert voor zijn ogen. Hij wil haar aanraken. “Nog niet”, zegt ze. Eerst zal hij naar een ander leven over moeten gaan. Zijn oudere broers verschijnen. Gurt draagt de horens van de oeros die hem doodde in zijn beide

handen. Hij blaast erop en drinkt eruit. De strijdhoorn en de drinkhoorn dragen runentekens. Eber wil ze lezen, maar dan verdwijnen ze weer. Zijn broer, Tamme, laat zien hoe hard hij kan lopen. Hoe kan dat nou? Hij was toch kreupel? “Kreupel ben je alleen in je geest”, zegt Tamme. “Alles kan, als je sterk genoeg bent om je over je beperkingen heen te zetten.” “Je bent de zoon van je tekortkomingen!”, roept Lubbe van de Stroomberg. “Je moet je verleden dragen om er niet onder te bezwijken!” Na die laatste woorden valt hij door een pijl, zoals hij jaren geleden voor Ebers ogen in de strijd viel.

Badend in zijn zweet wordt Eber wakker. Hij probeert weer in slaap te komen, maar het lukt niet. De maan kruipt langs de muur, zijn stralen zendend door het rookgat in het dak. Roept de maan hem? Eber voelt dat hij naar buiten moet. Misschien kan hij beter in slaap komen als hij even gelopen heeft. Hij schuifelt tussen de lichamen rond het vuur door. Buiten gekomen, nog geen twee stappen uit de deuropening, hoort hij zijn naam roepen. Zacht en slepend klinkt: “Ebééér…” tussen het ruisen van de bladeren door. Achter de omheining staat een gestalte in de maneschijn te blinken. Hij is te ver weg om nu al in het schaarse licht herkend te worden. Als Eber een stap in zijn richting zet, loopt de gestalte voor hem uit. Weer klinkt: “Ebééér…”. Wie kan het zijn? Hij is nog maar zo kort thuis, dat niemand hem kennen kan. Alle familieleden en onvrijen liggen rond hun vuren. Eber stapt in de hoeve, gordt zijn zwaard om (of voor de onbekende, of voor de wolven achter de omheining), neemt een aanloop en springt over een stapel brandhout, om daarna via het hek in het bos te verdwijnen. De gestalte gaat hem voor. Bij een omgevallen boomstam blijft hij staan en gaat zitten als Eber gearriveerd is.

“Nou, ken je me nog…?” klinkt er enigszins onzeker. Eber zwijgt. Kent hij hem? Ja, hij kent hem: Wolte! “Wolte van de Riest! Hoe kom jij hier?” roept Eber. Hij slaat zijn doodgewaande kameraad op zijn beide schouders en drukt hem tegen zich aan. Wolte leeft! Waarom heeft niemand hem dat verteld? Hoe komt hij hier? Wolte vertelt dat hij jaren geleden verdwenen is omdat hij domweg gedeserteerd is. Van de gouden bergen, hem beloofd door de ronselaar, was zo weinig terechtgekomen, dat hij het wel gezien had. Hij hoorde bij een groepje verkenners, toen ze op een stam van zwervende k

op vijf man na afgeslacht. Drie van hen keerden terug naar hun legeronderdeel, om versterking te halen. De vierde werd doodgemarteld. Hij, Wolte, zag toen de kans schoon om spoorloos te verdwijnen. Hij lag in een droge sloot, onder twee gedode kameraden. Zo wist hij uit handen van die barbaren te blijven. Niemand zou raar opkijken als hij nu niet terug kwam, ook al vonden ze zijn lijk niet. Ze zouden denken dat hij als slaaf weggevoerd was. Liever dan met de legers wegtrekken naar het onzekere zuiden, waar nog meer strijd te wachten stond voor misschien nog minder betaling, koos hij voor de nog onzekerder tocht terug naar huis. Dwars door vijandelijk gebied.

Waarom had niemand verteld dat Wolte nog leefde? Eber kijkt hem vragend aan. Wolte had zijn eer verloren, zei men bij zijn thuiskomst. Je woord breek je niet, ook al geef je dat aan de Romeinen. Romeinse vrede, bah, hij spuugt erbij op de grond, het is dwang dat ze iedereen opleggen, maar sluit je je erbij aan, dan hoor je erbij. En je woord moet je houden, weer spuugt hij op de grond. Hij werd als deserteur wel weer in zijn familie opgenomen, maar kreeg een plaats aan het vuur bij de onvrijen. Eerst zou hij aan moeten tonen dat hij zijn plaats aan het vuur van zijn broer weer waard was. Aanvankelijk schikte Wolter zich in zijn rol. Er zou vast wel weer een kans komen om zijn eer terug te verdienen. Het ging mis toen de koopman, de ronselaar, weer in het gebied kwam tijdens een Lotting. Wolte hoorde de mooie verhalen aan, tot enkele jongeren zich geïnteresseerd toonden.

Hij stond op en vertelde zijn kant van het verhaal: ze zouden zich voor een paar koperstukken dood moeten werken of dood moeten vechten. Spitten, als er weer een legerplaats moest worden aangelegd, al was het maar voor een paar maanden, je doodspitten, voor een paar heren in mooie kleren, en hun handlangers. Zolang ze in de ogen van de Romeinen nog wilden waren, was er geen toekomst. Alleen als ze hun eigen stam verloochenden, hun eigen familie en hun eigen goden, dàn pas lag er een goede toekomst, àls ze de jaren in het leger overleefden. De confrontatie leek uit te lopen op een regelrechte stammenoorlog. De koopman wilde hem als deserteur laten arresteren door de soldaten, die voor zijn bescherming met hem meegekomen waren. Hij vertelde van moorden welke Wolte gepleegd zou hebben. Hij loog dat de woorden als adders uit zijn

mond kwamen. Die man probeerde natuurlijk zijn gezicht te redden, bang als hij was zijn klanten te verliezen. Wolte zou daarvoor moeten bloeden. Krijgers uit het noorden, van de hoeves op de heuvels in de door zee overstromende jacht- en visgronden, kozen partij voor de koopman. Ze roken natuurlijk winst. Een eerloze als Wolte had zijn mond dicht te houden. De boeren en krijgers uit het zuiden, van het land van wouden, beken en grasvlakten, maanden Wolte tot zwijgen, maar lieten hem niet arresteren. In wezen was de inzet het behoud van de goede contacten met de kooplieden. Velen hadden baat bij de onderlinge handel.

Het kwam tot een compromis toen Woltes broer aanbood zijn broers vrijheid te laten verliezen. Als onvrije had hij geen recht van spreken meer. Hij zou verkocht kunnen worden, als dat gewenst was. Maar hij zou nog steeds op de bescherming van zijn eigenaar kunnen rekenen. Al met al had de koopman van hem af te blijven. Voor de noordelijke krijgers was dit een goede oplossing. Ze sloten zich bij de zuidelijken aan. De koopman, nu geïsoleerd en bang voor zijn eigen hachje, koos eieren voor zijn geld. Toen hij vertrok, gingen er wel weer enkele jongeren met hem mee. Na Woltes zwijgplicht waren de gouden-bergen-verhalen weer begonnen… Wolte had zijn plaats aan één van de vuren van zijn broer behouden. Daarbij had hij zoveel vertrouwen verspeeld, dat hij zelfs door de onvrijen niet meer voor vol aangezien werd. Een eerloze en een ruziemaker, meer was hij niet voor hen. Op een nacht verdween hij van het vuur, wapens en proviand meenemend. Daarmee was hij helemaal los van zijn gemeenschap. Als onvrije had hij alleen wapens aan mogen raken als de eigenaar hem daartoe de opdracht gaf. Een onvrije die stal zou gedood mogen worden. Liever een vrije vluchteling dan een gemeden slaaf! In de wouden en venen in en rond Drenthe had hij een zwervend bestaan opgebouwd. Het meest vertoefde hij in een hut op een zandkop in het veen.

“Je tijd is krap, Eber!”, zegt Wolte. “Als ze je missen en gaan zoeken, vinden ze mij ook!” Eber vertelt in het kort over zijn plannen met de hoeve en met zijn eigen leven. Hoe hij erin geslaagd was om flink wat geld en goederen voor een nieuwe start bij elkaar te krijgen! “Ga je dat ook vertellen als er opnieuw een koopman jongemannen komt ronselen?”, vraagt Wolte. Ze

kijken elkaar zwijgend aan. Wolte besluit niet verder te vragen. Gisteren had Rana een runestok rond laten gaan. Iedere boer die hem kreeg, kreeg de boodschap van Ebers thuiskomst te horen. Hij was verplicht stok en boodschap door te geven. Zo was Ebers thuiskomst ook ter ore gekomen van die enkele vrienden die Wolte nog had. Ze hadden hem direct in kennis gesteld. Als er in de toekomst nieuws is, zal Wolte het zo weer te weten komen. Na deze woorden nemen ze afscheid. Voor hoelang?

Eber bleef achter met zijn herinneringen. Aan Wolte en aan zoveel meer. Had hij alles verteld? Nee, absoluut niet. Zijn herineringen aan Lucia, zijn vrouw in het zuiden, aan de mooie tijd dat ze samen een kind verwachtten, zijn verdriet toen Lucia stierf bij de bevalling, en toen hij zijn kind achter moest laten bij een min. Hoe zou hij dat kunnen delen? Misschien later, maar dan niet aan iedereen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.