grieze garm

“Heb je goed geslapen?” Eber reageert niet. “Heb je goed geslapen?”, vraagt Rana nog eens. “Beroerd, otie!”, is het antwoord dat na lang wachten loskomt. Als ze vraagt hoe dat komt, vertelt hij alleen van zijn droom. Of was het geen droom? Waren de geesten van de overledenen tot hem gekomen? Rana zegt dat dit haast hetzelfde is. Als je slaapt sta je veel opener voor de geesten dan wanneer je wakker bent. En al zou het een droom zijn, dan nog zitten de geesten van de overledenen aandachtig te kijken hoe je reageert op hun zelf opgeroepen beelden. Eber vindt het maar moeilijk, zoals Rana met haar geesten om wil gaan. De gedachte van de eeuwige observatie van het leven vóór de dood door de wezens van ná de dood, beangstigt en vermoeit hem, net zo goed als de twijfels aan deze ideeën energie van hem vreten alsof hij een dag hard gewerkt heeft. “Hoe was het met Wolte?”, vraagt Rana als ze even alleen zijn. Eber trekt wit weg. Iedereen zweeg over Wolte. Niemand had hem verteld dat hij nog leefde. En nu, nu Wolte bij hem geweest is, doet zijn grootmoeder of praten over hem de gewoonste zaak van de wereld is. Rana ziet zijn reactie. Ze legt uit dat zij één van de weinigen is die hem nog zo af en toe ziet. Ze had de runenstok rond laten gaan om Wolte zo in te lichten. Toen ze Eber ‘s nachts weg had zien sluipen, wist ze dat Wolte hem geroepen had. Wolte had het derde oog, net als Ebers moeder had. Hij ziet wat onzichtbaar lijkt. En als hij in zijn gedachten mensen roept, horen ze hem op meer dan een dagmars afstand. Ebers droom kan veroorzaakt zijn doordat hij wel iets bekends hoorde, maar niet wist wat. Zijn geest zocht in zijn verleden, tot bleek dat het daar niet te vinden was. Uiteindelijk deed Eber waar Wolte om vroeg.

Eber schudt zijn hoofd bij Ranas verhaal. Het zal wel. Hij is blij dat er iemand is waarmee hij nu zijn geheim kan delen, Iemand die nog steeds een plaats in haar hart heeft voor Wolte, de eerloze onvrije. Hoewel Eber aanvaardt dat er volgens de regels van de stam aan geen van deze beide statussen iets te doen is, voelt hij boosheid om het onbegrip waarmee de mensen de goedwillende oud-strijder behandeld hebben. Had Wolte dan geen gelijk gehad? Is er behalve Eber ooit een vrijwilliger teruggekomen die liet zien hoe goed  hij het door de Romeinse krijgsdienst gekregen had? Ja, één dan, toen Eber nog erg klein was. Zo vervliegt ook deze dag met stilstaan bij de ervaringen uit zijn verleden, en het terughalen van herinneringen. Bij dat laatste is Hermen nogmaals uitermate behulpzaam, tot irritatie van Maante. De laatste loopt mopperend hout te dragen, Hermen’s werk, als ze tegen de avond terugkomen van ondermeer een kort bezoek aan de hoeve van Ebers zuster Freya. Ragan, haar man, deed hem meteen de runenstok mee, die nu alle hoeves van de stam gepasseerd was in een van tevoren afgesproken volgorde.

Eber plant de stok triomfantelijk in de aarde naast de deur van de hoeve. Zo kunnen ze blijven praten over hem, zegt hij, iedere keer als ze langs de stok lopen. Als ze maar vaak genoeg door de stok aan het nieuwtje herinnerd worden, zijn ze er zo over uitgepraat. Die avond valt er genoeg te praten. Niet weer bij een zwijn. De slacht was eigenlijk al achter de rug toen Eber terugkwam. Garm had een extra zwijn voor hem geslacht, dat eigenlijk nog een jaartje had mogen leven. Maar ja, je doet wat als je doodgewaande zoon terug is, zei Garm. Ach, dan vangen ze in het woud wel een extra wild varken, toch? Eber zit tussen de pakken als hij begint te vertellen. Vol bewondering staren de mensen naar de wapens die uit het eerste pak komen, als de huiden worden uitgerold. Prachtige dolken en messen. Eén heeft een met ivoor ingelegd gevest. Eber schenkt hem aan zijn vader. De andere zijn voor algemeen gebruik.

Eber legt uit waarom de Romeinse boog zo krachtig is, die opzij aan het paard had gehangen. De uitheemse houtsoorten en het vakmanschap van de ervaren bouwer maken de boog tot een dodelijk wapen. Het grootste pak, dat daarna los zal gaan, blijkt veel lichter te zijn dan de mensen verwachten. Toch moet daar het belangrijkste inzitten. Eber heeft er zijn leven voor op het spel gezet, zegt hij. Uit het grootste, goed afgesloten pak komen onder de in elkaar gevouwen huiden allerlei kleine zakjes tevoorschijn. Ze blijken stuk voor stuk vol zaad van verschillende graansoorten te zitten. Vers zaad, dat verder veredeld was dan waar zijn vader jaarlijks mee zaaide. Het zal meer opbrengen dan gewoonlijk, zodat ze genoeg zaaigoed extra achter de hand kunnen houden om de nieuw te bewerken stukken bouwland mee in te zaaien. Sterker nog, in de jaren daarop zal er naar verwachting genoeg extra overblijven om te ruilen met de andere hoeves in de omgeving. Vers zaad heeft Eber ook meegebracht in de vorm van zijn hengst. Het dier is geboren uit een kortstondige ontmoeting van de merrie van een Romeins veldheer, met één van de hengsten uit de beroemde stallen van de keizer.

In een apart gehouden zak zitten zaten, vruchten en pitten waarvan de nieuwsgierigen, voor die avond zelfs uitgebreid met enkele boeren uit de omgeving, met geen mogelijkheid de naam kunnen raden. Maante denkt ze weleens gezien te hebben, ver weg, op één van zijn reizen. Eber houdt daarop een verhaal over kersen, abrikozen, perziken, pruimen en walnoten. Wie van hen had ooit gehoord van rammenas, uien, marjolein, peterselie, druiven, dadels, vijgen en olijven? Een enkeling. Maar echt kennen, nee. Eber weet niet of de zaden en vruchten na poten op zullen komen. Het is een gokje. Als het lukt, hebben ze wat bijzonders. Er zijn ook zaden bij waar Eber zelf de naam niet goed van weet. Maar…. En dan vertelt hij hoe ze smaakten. Weer iets om in de toekomst mee te ruilen. Hoofdschuddend zit de oude Rana van de Reest er naar te kijken. Het oude was blijkbaar niet goed genoeg meer. Als ze daarop ingemaakte vruchten te eten krijgt, is ze over de streep gehaald. Hermen peutert aan het laatste pak, dat Eber achter wil houden. Voor hij het weet rolt het los. Op een stuk fijne stof liggen spiegeltjes, kammetjes, glazen en dieprode kralen. “Wat moet een kerel daarmee?”, vraagt Maante lachend. “Een vrouw mooi maken!”, is het antwoord van Garm, die al door heeft dat achter dat pak hetzelfde verhaal zal zitten als achter de gespen en de sieraden die de smid nog moet maken.

Het graan glijdt die avond door vele handen. Men ruikt eraan, weegt een zakje vol korrels, kijkt naar de grootte ervan en beoordeelt de kleur. Er worden al afspraken gemaakt over Ebers hengst. Komend voorjaar zal het dier al een paar boerderijen in de omgeving aandoen. Enkele boeren maken zijdelingse opmerkingen over hun dochters. Tenminste, voor zover die nog niet uitgehuwelijkt zijn. Ze vertellen hem over diegenen waar hij afstand bij moet bewaren. Ze zijn of al jaren geleden aan iemand beloofd of onvruchtbaar. Rana komt er tussen. Als vrouw protesteert ze tegen al die praat. Als er nog een boerin geweest was, hadden ze zich fatsoenlijker gedragen. Beschaamd praten de heren verder over de laatste oogst, de komende oogst en maken afspraken over onvrijen. Na de winter kan het ontbossen beginnen. Gedurende de winter is er genoeg om over te fantaseren. Tussendoor zal de jacht voor goede afleiding zorgen. En alle pogingen om de kou te overleven. Het gaat flink vriezen, denkt Rana te weten, want ze ziet het aan de vogels. Hoge sneeuwheuvels kunnen de hoeve volledig isoleren. En dan komen de herinneringen weer op ieders lippen. Sneeuwstormen, hongerige wolven, jagers die er wel….. hoeveel hadde ze niet op een dag gedood?

Vorig artikelAltkalen
Volgend artikelTeterow

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.