grieze garm

“We dachten dat je dood was, Eber. Maar je bent terug. We zijn blij dat je terug bent. Het wordt tijd dat je de voorouders begroet, en zei jou kunnen begroeten”. Rana heeft het allemaal op een rijtje. Omdat niemand meer echt verwachte dat Eber terug zou komen, en er ook geen bijzetting in de grafheuvel van de familie plaats kon hebben – tja, hij was ver weg en ver weg dood, dacht men – hadden ze een ceremonie gehouden bij de steenberg. Zo zou zijn geest verenigd zijn met die van de voorouders, waar zijn lichaam ook mocht zijn gebleven. Zijn lichaam was nu terug. Hij leefde. Maar zijn geest, waar was die dan? In zijn lichaam, of nog bij de voorouders? Rana had het uitgedacht hoe het verder zou moeten. Om van alle twijfel verlost te zijn, en om Eber weer helemaal op te kunnen nemen in het familieverband, zouden ze naar de steenberg gaan. Daar zouden geest en Eber verenigd worden, voor zover ze dat nog niet waren. Vanaf dat moment zou Eber weer helemaal opgenomen zijn in de kring van levenden en doden. Vanaf dat moment was hij weer volledig deel van de familie.

Als dag voor de ceremonie koos Rana voor de allerkortste dag die er was. Dat was het moment dat de geestenwereld en de wereld van de levenden elkaar het allerdichtst benaderden. Het had gesneeuwd, die dag. Een stoet vertrouwelingen van de eigen hoeve, en mensen van andere hoeves, sjokten al pratend naar de kunstmatige heuvel, bij het begin van het veenmoeras. Ze kwamen bij elkaar rond de ingang, waar een paar opgerichte stenen met een platte steen er bovenop de ingang van een lage ruimte erachter vormde.

Rana werd gezien als de priesteres van de gemeenschap. Terwijl Maante en enkele jongelieden op de hoorns bliezen, zong Rana een onverstaanbaar lied, terwijl ze met een stok op haar spantrommel sloeg. Het doffe dreunen herhaalde zich zo vaak, dat mensen als vanzelf in een roes kwamen. Er ging een beker met een kruidendrank door, die de roes nog versterkte. Stuk voor stuk liet Rana mensen naar voren komen. Ze hadden een bootje gemaakt van hout of klei, de drager van de ziel. Zo brachten ze de zielen van de overledenen naar de steenberg. Eén voor één zong Rana hen toe, gaf hen met oplegging van de handen een spreuk mee, waarna ze de donkere ruimte van de steenberg binnengingen. Ze lieten het scheepje achter, waarmee de ziel van de overledenen verenigd werden met de voorouders. Het lichaam had elders rust gevonden of was ceremonieel verbrand. De ziel was thuisgebracht.

Toen was Eber aan de beurt. Hem wachtte een iets andere ceremonie. Maante en de anderen bliezen gewoon door. Een serie op elkaar volgende monotone klanken. Rana zong ook hem toe, in haar onbegrijpelijke taal. Ze zeiden dat ze deze van de geesten zelf hadden geleerd. Eber had zijn slokken van de kruidendrank al dubbel en dwars binnen. Hij kreeg in zijn roes de opdracht van Rana om zijn ziel op te halen, uit de steenberg naar boven te brengen. Het maakte niet uit welk bootje hij mee zou nemen, zei Rana stilaan tussendoor. Het was de boot van zijn geest, dat zou hij vanzelf aanvoelen. De hoorns klonken, lieten monotone klanken horen. Rana zong en de roes van het drankje vernevelde zijn geest. Als in trance stond Eber op, van de steen waarop hij op zijn moment had gewacht. Hij was geroepen.

Dus ging Eber naar binnen. In de lage, bedompte ruimte, brandden een paar vetlampjes. De ruimte was bezaaid met potscherven en stukjes hout, van uit elkaar gevallen geestesbootjes. Sommige nieuw, en vele vrijwel helemaal verrot of vermolmd, bootjes van de generaties voor hem. Zijn ogen bleven keer op keer terugkomen bij een aardewerken scheepje. Zou dat die van zijn geest zijn? Hij pakte het op en ging ermee zitten op een steen, centraal in de ruimte in de steenberg. De hoorns klonken en Rana zong. Wat hem wel opviel was dat de hoorn van Maante zweeg.

Eber kende het blazen op de hoorns door en door. Hij wist ook hoe je ze moest maken. Bij de Romeinen had men grotere kookpotten dan de doorsnee hoeves in Drenthe. Bij de Romeinen kookte men de grote hoorns in die potten, tot de vliezen binnenin de hoorn  los begonnen te laten. Dan draaide men wat aan het bot dat er uitstak, en de pit schoot los uit de hoorn. Wilde je de hoorn gebruiken om bijvoorbeeld kammen van te maken, dan spleet je de zachte hoorn makkelijk over de lengte, en legde hem breeduit plat te drogen tussen twee planken. Wilde je hem blazend maken, dan liet je hem eerst drogen.

Als jongen had hij dat anders gedaan. Op de ouderwetse manier. Een gedode oeros kreeg een paar bloeddorstige jongens aan zijn kop, die de hoorn van de schedel kapten of zaagden. Daarna lieten ze de beide hoorns een dag of wat in de zon liggen. Daar werden ze niet frisser op, maar op een gegeven moment droogde het vlees en de vliezen in de hoorn wat op en raakte de benen pit ook los. Je kon het versnellen door een gat in de zijkant te maken, dicht bij de punt, tot op het vlies, vet en bot eronder. Dan droogde het van binnenuit. Dat gat werd dan een blaasgat. Blaasgat op de zijgat, blaasgat op de achterkant, beide werd gedaan en iedere keer was het weer een spannende vraag: hoe zou hij klinken? Dat hoorde je de eerste keer dat er op een hoorn werd geblazen. Iedere hoorn had zijn eigen klank. Eber kende de klank van Maantes hoorn. En die zweeg.

Na die gedachte werd het stil om hem heen. Of misschien beter gezegd: stil in hem zelf. Hij zakte in een diepe slaap, of was het de kruidenroes die zijn bewustzijn even uitschakelde en zijn geheugen leek te wissen? Hij wist het niet goed. Maar toen Rana hem riep, schokte hij wakker, wilde overeind komen, stootte zijn hoofd aan het plafond van de ruimte, en leek even in elkaar te zakken. Dat kwam hard aan.

Met zijn aardewerken bootje in zijn handen strompelde hij naar buiten. Rana haalde hem aan haar hand naar haar toe. Ze vroeg hem om op een steen te gaan staan. “Dit is Eber, van wie we dachten dat hij dood was. Dit is zijn geest, die rust had gevonden bij de voorouders. Maar Eber leeft. Hij is niet dood.” Bij het laatste woord gooide ze het aardewerken bootje kapot tegen de steen. “Laat je geest zich weer verenigen met je lichaam. Jij bent terug in de familie. De geesten van de voorouders hebben je aan ons teruggegeven. Jij bent weer onder ons. Jij bent Eber, de zoon van Grieze Garm en jij bent weer volledig in je rechten hersteld.”

Het is inmiddels al donker aan het worden. De mensen gaan weer uit elkaar, ieder naar zijn eigen hoeve, en Eber met zijn familie naar de zijne. De zich herhalende zang klinkt nog lang na, want zolang de kruidendrank zijn effect nog heeft, blijven mensen zingen. Die avond is men vroeg onder de deken. Eten heeft men tussendoor genoeg gehad, bij de steenberg. Samen drinken, samen eten, zingen, vertellen, dat is het leven in de winter, terwijl er natuurlijk ook genoeg gedaan moet worden. Maar dat is er die dag niet bij geweest. Eber heeft zijn plaats hervonden en zijn ziel is terug, zeggen de mensen van de familiegroep. Eber zelf blijft er nuchter onder. Zijn ziel had hij al die tijd al gekoesterd. Maar als hij weer terug wilde in de familie, dan hoorde dit erbij. En zo was het goed. Zo had de familie het altijd al gedaan.

Maante is er niet bij, bij de feestelijkheden na afloop. Rana wel. En Rana laat de dag in haar geest terugkeren. De hele dag, de hele ceremonie, het stond haar in ieder geval nog helder voor ogen. Ook dat moment dat Maantes hoorn zweeg, en hij naar haar toe stapte. Eber is stil, Eber zit weggezakt in de steenberg, zei hij. Ebers geest wil niet terug. Maante drong er op aan om de stenen weer voor de ingang van de steenberg te stapelen en Eber te laten waar hij hoorde: bij de doden. Dat wilden de voorouders zo. Eber was als dood voor de familie. Eber hoorde niet terug te komen. Rana vroeg zich af wat er precies aan de hand was, want Maante had haar geholpen bij het bereiden van het drankje. Was er iets teveel in gedaan van wat er maar in hele kleine mate in thuishoorde? Er waren meer mensen in een diepe slaap verzonken, tijdens de ceremonie. Rana had Maante weggestuurd. Hij hoorde de ceremonie niet te onderbreken en zeker niet met dit soort voorstellen. Dan had hij het vooraf maar moeten bespreken. Ze had Maante weggestuurd toen hij bleef aandringen. Hoe moest dit verder? Rana maakte zich zorgen.

Vorig artikelPingoruïnes
Volgend artikelInteractief fossielen in zwerfstenen herkennen

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.