“Kijk eens om je heen”, zegt Rana, terwijl ze met een groepje kinderen aan het spelen is. Ze trekt een kleine op schoot, en de grotere hangen aan haar lippen. Als Rana vertelt, dan komt er iets bijzonders. “Kijk eens om je heen, en wat zie je dan? Waar worden de meeste kinderen geboren? Is dat bij ons, of is dat bij het water?” Het wordt stil. Het is zo’n vraag waarop je eigenlijk geen antwoord moet geven, want het is een inleiding op een verhaal. Dan gaat ze verder, ze vertelt, en vertelt, en vertelt….

“Kijk eens naar de watervogels. Ze hebben te maken met alles van het leven. De vogel brengt ons bij lucht, water, aarde en vuur, vliegend, zwemmend, drijvend, broedend en altijd gericht naar de zon, in verband met tijd, trekken, en het leggen van het ei waarmee alles begint. De zon betekent wedergeboorte; opkomst en sterven ‘s avonds. De maan is als een vrouw, altijd berekenen, voorspelbaar, op tijd, zuiver en helder. We lezen met die natuur, en we vinden op het water, bij het water en door de watervogels onze goden terug. Vooral die ene, de grote Moeder, de Vrouwe van het Veen. Kijk eens naar de zwanen, de ganzen, de eenden, kijk eens naar de kikkers, hoeveel kinderen die krijgen. Iedereen kent wel de wolk van kikkereitjes en de grote school van kleine kikkervisjes. En hoeveel jonkies zie je de watervogels mee rondzwemmen? De Vrouwe van het Veen is ze allemaal goed gezind.

De zwanezang, de krachtige hoge en zwakkere lage trompettonen die de wilde zwaan kan voortbrengen, is de stem van het goddelijke. Sommige vrouwen hebben bijzondere gaven, hebben een bijzondere band met het goddelijke, en kunnen zich in een zwaan veranderen. Die vrouwen hebben ook de gave van de voorspelling, en komen daarbij dicht bij de goddelijke alwetendheid. En als deze zwanevrouwen baden, dan moeten ze hun zwanenhemd afleggen. Als je dat vind, dan heb je ze in hun macht.”

“Was jij ook een zwanevrouw, otie, en ben jij ook helemaal in de ban geraakt van Eber de Jager, toen hij je zag baden in de Riest?” “Ja, otie”, roept een ander kind “en kun je nu dus nooit meer een zwaan worden?” Rana lacht. “Ja, ik ben helemaal van jullie oude betovergrootvader geworden,  maar dat was omdat ik hem zo lief vond! En ik vertel lekker niet of ik misschien soms toch nog een zwaan kan worden…….!” Ze vervolgt:

“In de gans zien we ons leven terugkomen, met alle voor- en tegenspoed. Kijk naar de ganzen om je heen, ga gewoon rustig naar ze kijken, vergeet alles even om je heen, en aan de rust of de beweeglijkheid van de ganzen, zie je wat er gaat gebeuren met de mensen. Als je de gave van de voorspelling hebt. De zwanen brengen de kleine kindjes aan land, als de Vrouwe van het Veen de grote mensen een kleintje wil geven. We houden ze dan eerst warm in onze buik en dan mogen ze in hun eigen bedje verder groter worden. Als het goed met ons gaat, dan danken we de Vrouwe van het Veen, door haar zo nu en dan voedsel of andere dingen te geven. Daarom offeren we haar ook wapens van onze vijanden, als we moesten vechten, en we hebben gewonnen. Dat is omdat zij ons heeft geholpen in de strijd. De Vrouwe van het Veen maakte ons sterk. Door het in het water te leggen, komt het aan de andere kant van de waterspiegel. Daar neemt ze het van ons over. Als het slecht met ons gaat, dan zijn we bang of ze ons niet is vergeten. Dan geven we haar wat ons ontbreekt. Al is het ook het laatste wat we er nog van hebben. Dan weet ze weer wat we nodig hebben en dan komt het altijd weer goed. De Vrouwe van het Veen zorgt voor ons. De Vrouwe van het Veen komt uit de andere wereld, de wereld van de voorouders. Maar bij haar is leven, licht, kleur. De voorouders leven in duisternis, maar hebben het ook goed. Ze hebben dat licht allemaal niet meer nodig. Soms, heel soms, dan komen ze weer naar ons toe. Dan helpen ze ons. Bij de steenbergen, de heuvels met daarin al die grote stenen, daar vinden we een ingang naar de andere wereld, buiten het water om. Daar komen we alleen als het echt nodig is. We geven de voorouders zo rust. Maar willen we ze nog spreken, dan kan dat daar.”

Dan komt Maante bij de kinderen zitten. Hij neemt het verhaal over. “Zo is het, zoals Rana vertelt, maar er is ook een ander verhaal. Eerst was er alleen Ymir. Ik weet ook niet wie dat was, maar hij was er wel. Verder was er geen zand, geen zee, geen aarde, geen hemel, geen gapende afgrond en geen gras. Er was niets. Ymir werd een offer. Zijn lichaam werd verdeeld. Uit Ymirs vlees werd de aarde geschapen, uit zijn gebeente de bergen, uit zijn harde schedel het hemelgewelf, uit zijn hersens de wolken en de zee uit zijn bloed. Zo stond dit offer ook aan het begin van de eerste mensen, maar er was nog wel hulp nodig van drie goden. Oppergod Odin gaf de eerste mens adem, Hoenir gaf hem inzicht en Lodur gaf warmte en maakte dat hij kon zijn zoals hij was, met al zijn goed en kwaad. En daar stond hij dan, de eerste mens.

Die mens heeft trouwens zelf nog maar weinig stuur over zijn eigen toekomst. Van begin af aan, vanaf de schepping, was alles voorbestemd. We leven als mens in een boom, een wereldboom, en die heet Ygdrasil. Hij reikt met zijn kruin tot in de hemel en gaat met zijn wortels dwars door de aarde, tot in het dodenrijk. De boom staat in Asgard, het land van de goden, bij de bron van Urd, de Urdabron, waardoor hij eeuwig groen is. Het heldere heilvocht dat van deze boom komt vallen, komt als dauw in de dalen van de mensen, en maakt de wereld vruchtbaar. Onder deze wereldboom Ygdrasil wonen drie jonge vrouwen. Het zijn zusters, dochters van de reus Norvi. Ze zijn halfgodinnen en worden ook wel Nornen of  Schrikgodinnen genoemd. Urd en Werdani snijden de runen. Samen met de derde jonge vrouw, Skuld, voorspellen ze de toekomst en bestemmen het leven voor de stervelingen, inclusief hun lot in de strijd. Ze spinnen voor ieder mens een levensdraad, waardoor ze verantwoordelijk worden voor het begin, de loop en het einde van ieder leven van ieder mens. De namen van de drie vrouwen betekenen trouwens achtereenvolgens Verleden (Urd, werd), Heden (Werdani, wordende) en Toekomst (Skuld, zullende). Zij kunnen het dus weten. Skuld draagt soms een sluier en een ongeopende boekrol, het boek van de toekomst. Ze wonen in een grot aan de voet van de eeuwige levensboom Ygdrassil, bij de Urdabron. Ze besprenkelen de levensboom dagelijks met water uit die bron. Daardoor beschikken ze feitelijk over het leven van alles en iedereen, want als ze de boom dood zouden laten gaan……”

“Is dat geen moeilijk verhaal voor de kinderen?” vraagt Rana. “O ja”, zegt Maante, ‘maar ze horen dit ook te weten!”. “Nieuwlichterij!”, zegt Rana, “maar wie het horen wil, vooruit……” De kleinsten zijn al lang weer aan het spelen, maar enkele grotere kinderen willen meer horen. Maante vervolgt….

“Ymir was Heimdals voorvader van moederskant. “Eén werd geboren in oude tijden, sterk en krachtig, van de stam der Goden”, horen we over Heimdals afkomst. Heimdal werd gebaard aan de rand van de mensenwereld, en zijn geboorte was zeer wonderbaarlijk. Hij werd namelijk niet uit één maagd geboren, maar tegelijkertijd uit negen reuzenmeisjes. Ze heetten Gjalp, Greip, Eystla, Eyrgjafa, Ulfrun, Angeyja, Imd, Atla, en Iarnsaxa. Waarom ze het kind ‘Heimdal’ noemden is niet duidelijk. Het ‘heim’ betekent woonplaats, huis, vertrouwelijkheid en intimiteit. Heimdal betekent dan ook: ‘Thuisdal’ of ‘Thuisstreek’. Het kind had of kreeg later meer namen. Men noemde hem ook wel Gullintanni, ‘Goudtand’, Hallinskidi, ‘De man met de schuine stokken’, en ‘de blanke god’. Het ‘Goudtand’ zal iets zeggen van zijn gebit, maar waar de ‘schuine stokken’ op slaan? Los van het feit dat ook stokken gezien kunnen worden als een soort piemels, die we wel meer in zijn leven aantreffen, blijft het een raadsel. En waarom werd hij ‘blanke god’ genoemd, als we ons alle Germaanse goden, evenals hun onderdanen, eigenlijk bij voorbaat al een blanke huid hebben? Ik weet het niet.

Heimdal was een bijzonder kind en werd, hoe kan het ook anders, een bijzonder man. Hij slaapt nooit, kan zowel overdag als in het donker 500 kilometer ver zien, en heeft uitmuntende oren. Hij kan de wol horen groeien op het lijf van een schaap, en het gras uit de grond horen komen. Zijn woonzaal is Himimbjorg (= hemelse bergen). Deze woning staat naast het begin van de regenboog. Als Heimdal zelf uit de stam der goden is, zoals we gehoord hebben, dan moet de logische conclusie zijn dat dit van vaders kant is, en dat zijn vader een god was. Wie, daar krijgen we zo mogelijk meer zicht op. Heimdal zelf werd een helwitte god. Hij was wijs van oordeel, net als alle Wanen. Heimdal was dus ook een Waan. De Wanen was een groep goden, waarvan vooral vruchtbaarheidsgoden en godinnen deel van uitmaakten, goden en godinnen die zorgen voor vermeerdering, zoals Njord, diens zoon Freyr en Freya, vrouw en zuster van Freyr. Mogelijk was Heimdal ook ooit een vruchtbaarheidsgod. Alles wat we van hem weten zou daarop kunnen wijzen. De hoorn, waaraan hij speciaal te erkennen is, is ook een teken van vruchtbaarheid. Zijn potentie liet niet veel te wensen over, zoals we nog zullen zien.” “Ja, hou nou maar op over die piemels, Maanten”, zegt Rana dan. Hoe ging het ook al weer met het mislukte huwelijk en waar kwamen de rangen en standen van de mensheid vandaa, daar kende je toch ook een verhaal over?” Maante vertelt….

Vorig artikelDoggerland
Volgend artikelWesselin 1

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.