Wat altijd veel vertier met zich meebrengt, is de jacht op de oeros. Vlees, huiden, hoorn, pezen, botten, hoeven, alles kan gebruikt worden. Er trekt zo nu en dan een kleine kudde voorbij. Soms is die kudde groter en een enkele keer komt hij zelfs tussen de gewassen. Dat is dan een ramp, want ze maken nogal wat kapot, maar meestal is het een zegen. Iedere zomer zijn er wel enkele jachtpartijen. De mannen en de sterke jonge vrouwen van de familie treffen al op tijd voorbereidingen. Niet iedereen blaast even soepel op een roephoorn. Dat wordt voor de jongeren weer oefenen. Ja, wie met Maante rond de kortste dag heeft geblazen, die kan het al wel een beetje. Blazen op een hoorn werkt als een lokmiddel. Een stier van de oerossen denkt: daar staat een ander mannetje te loeien. Die wil naar mijn vrouwen. Waar ben je? En hij komt in je richting. Wat de koeien zelf denken, tja, zou het wezen dat ze een ander mannetje ook wel aanlokkelijk vinden? Of denken ze aan een nieuwe vriendin om lekker mee te grazen? Soms komt een hele kudde je kant op.

Je mag natuurlijk niet teveel opvallen en je kunt niet altijd blazen op veilige afstand, in het bos. Als ze tussen het hoge gras op een vlakte staan, dan zal je ze naar dat bos toe moeten lokken. Je zorgt dan dat je uit de wind staat, verscholen achter een groot schild. Dat schild maak je van wilgentenen en overtrekt het met een huid van een kalf of een halve huid van een heel rund. Dan heb je meteen ook de goeie geur eraan zitten. Je zit achter dat schild, blaast, blaast, klagelijk, net zoals een rund kan loeien. Dan beweeg je jezelf in de richting van het bos, zodat ze je zullen volgen. Een enkele keer gaat het mis. Dan moet je hard lopen, of je wordt gespiesd door een stier. En ook dat gebeurt een heel enkele keer. Zo is Garm de leider van de familie geworden, omdat de opvolger werd gespiesd. Maar men laat zich niet afschrikken. Jonge mannen en jonge vrouwen, die hun moed willen bewijzen, staan elkaar te verdringen om de runderen uit te dagen.

Willen ze niet direct met je mee komen, dan is het nodig om ze te treiteren. De familie maakt nog steeds de traditionele werpsperen van de vele generaties voor hen, van essenhout met een slanke ronde punt, gehard in het vuur, of met een punt gemaakt van het gewei van een hert. Als het nodig is, als ze dus niet volgen op de klank van de hoorn, dan probeer je achter het schild op werpafstand te komen, en gooit met je werpspies naar de stier. Dat zou je natuurlijk ook kunnen doen met werpsperen met ijzeren punten. Maar die punten zijn zo duur, je wilt niet dat de oeros er met jouw speerpunt in zijn huid vandoor gaat. Dan ben je wat kwijt, wat je niet zomaar vervangt. Dan kan hij er beter vandoor gaan met een ouderwetse werpspies in zijn huid. Doden kun je hem toch niet op zo’n afstand. Dat doen we anders.

De bedoeling is namelijk dat de stier of een koe, of enkele koeien, met je mee gaan naar het bos, goedschiks (vriendelijk gelokt met de klank van de hoorn) of kwaadschiks (boos omdat je hen gooit met een spies). Je lokt ze dan mee naar een stuk bos waar het wat dichter is, en zorgt ervoor dat je ze in een soort trechter van gevlochten boompjes, takken, wilgentenen en struiken lokt. Als het beest doorkrijgt dat het geen kant meer op kan, dan is het te laat. Dan komen de andere jagers achter hun schilden en achter de struiken vandaan. Van korte afstand worden de speren in het dier gegooid, of je steekt met een lans naar het hart van het beest. Het hele jachtgebeuren brengt gezonden spanning met zich mee. Vooraf zitten de mannen te zingen en grote verhalen te vertellen bij elkaar bij het vuur. Tijdens de jacht moet iedereen stil zijn, want het beest mag niet weten wat er allemaal gebeurt. Ziet het teveel mensen, dan is het weg. Je staart naar degene die blaast of werpt en lokt. En dan, dan ineens barst alles uit in geschreeuw, gesteek en gegooid.

Eén of twee oerossen, dat is wat het meestal per keer oplevert. Je moet namelijk ook niet teveel van die beesten slachten, want dan loop je de kans dat de kudde te klein wordt en dan heb je voor de toekomst geen vlees, huiden en de rest. De runderen worden er plekke geslacht. Het blees wordt in grote delen meegenomen, hangend aan jonge bomen, die de jagers over de schouders dragen. Thuis wordt het in kleinere stukken gesneden en begint het drogen en roken. Als er genoeg zout is, wordt er ook gezout. De huiden worden gelooid en op ramen gespannen om te drogen. Als het beest al wat dagen dood is, kan men de hoorns van de hoornpitten draaien. Vaak helpt het om alvast een gaatje in de hoorn te maken, dat later als blaasgat wordt gebruikt, of om de punt er al af te halen, waardoor dan op het eind van de hoorn geblazen kan worden. Doordat de hoorn zo ook van binnenuit kan drogen, komen de vliezen rondom de hoornpit makkelijker los. Tenminste, als je ze wilt gebruiken om op te blazen. Doe je dat, dan worden ze soms ook mooi versierd. Hoornbewerking is iets voor de lange winteravonden. Met hele mooie resultaten. Maar ga je er niet op blazen, dan kunt je er mooie kammen, lepels en andere dingen van maken. Ook iets voor de winteravonden.

Natuurlijk hoeven ze het niet alleen te hebben van de oerosssen. In de beken staan netten, daar hoef je maar één keer ver dag langs te gaan en je haalt er wat dikke vissen uit. Dan loop je ook de strikken en vallen bij langs, en kijk eens wat voor mooi wild je weer mee thuis komt. De kruiden die overal vanzelf groeien worden verzameld om de spijs op smaak te maken. Het zout komt uit het noorden. Daarvoor heb je weer ruilmiddelen nodig. Maar dan heb je ook wat. Behalve zout komen ze zo ook aan heerlijk zeehondenbont. Alle leden van de familiegroep, vrijen en onvrijen, leren alle technieken om te jagen, te vissen en de vallen te zetten, want iedereen is even belangrijk. Het water loopt Eber al om de mond als hij denkt aan het feestje op de avond aan het eind van de jacht, als enkele malse delen van de oeros worden geroosterd. Eerst maar zorgen dat er wat te slachten valt. Oms de beurten lopen er vrije mannen door de bossen en op de vlaktes, bij de riviertjes, en tussen de bossen, om uit te zien naar de kuddes. Ja, je moet de onvrijen niet in de verleiding brengen, dus die blijven daarbij thuis. Het is die zomer al tweemaal heel mooi gelopen. De familiegroep is rijk gezegend. Als ze nog een oeros kunnen slachten, is er ook weer extra handel om te ruilen.

Als Eber een dag of wat later zelf het veld afspeurt naar de kudde oerossen, dwaalt hij verder zuidelijker af dan hij gedacht had. Ze zijn aan het trekken, dat is duidelijk. Hij lijkt wat te horen achter een heg van jong opgeschoten bomen. Het klinkt als klaterend water. Staan daar oerossen te drinken, of waden ze op deze hete dag door een beek? Voorzichtig loopt hij door het hoge gras, duwt één voor één wat boompjes opzij, en loopt zo bijna onhoorbaar verder naar het water. De wind staat goed. Ze zullen hem niet ruiken. Hij staat als aan de grond genageld, als hij daar net boven het water het hoofd van Hilde ziet uitsteken. Ze baadt in de door de zon verwarmde beek, vindt zo verkoeling, terwijl Eber zichzelf alleen maar heter voelt worden. Op een wat hogere bentepol op de oever liggen haar kleren.

Hilde heeft hem gehoord, hoe voorzichtig hij ook was. Ze draait haar hoofd in zin richting, staat op, en loopt druipend van het water in zijn richting, langzaam aan het water ontstijgend. Ze lacht. Ze schaamt zich niet voor haar blote lichaam. Ze lacht. “Eber, wat mooi dat jij hier bent! Dat had ik niet durven dromen!” Haar mooie lange natte haar plakt op haar schouders. Haar borsten deinen zachtjes op en neer, bij iedere stap dat ze dichterbij komt. Haar tepels staan op, de spanning aangevend die er op dat moment door haar lichaam gaat, bij het zien van Eber. Bij alles wat ze doet kijkt ze hem recht in de ogen, glimlacht met een volle open lach en wuift naar hem. Haar heupen en haar vrouwelijkheid laten niets voor hem verborgen, als hij haar met zijn ogen naar beneden toe aftast. Bij het wegvliegen van een eend draait ze even opzij. Dan ziet Eber dat haar buik licht is gegroeid. Het zou niet opvallen onder haar kleding, maar nu, zo in al haar volle vrouwelijke naaktheid, nu is er niets meer verborgen. Ze komt dicht naar hem toe, slaat haar armen om zijn schouders, kust hem, en zegt: “Eber, we krijgen samen een kind….”

Het is alsof Eber door de bliksem wordt getroffen. Hilde is zwanger en ze krijgt zijn kind? Hilde ziet zijn verwarring. “Jij dacht dat je droomde, toen je mij tegen je aantrok, bij jou op de hoeve? Wat was je lief voor me, Eber. Jij hebt me helemaal vrouw doen voelen. Ik ben van jou, Eber, en jij bent van mij. Wat gebeurt in het leven, dat moet gewoon zo gebeuren, en jij en ik……” Eber denkt terug aan dat bezoek aan Saante, waar hij niks durfde vragen. Wat lijkt dat allemaal al ver weg, nu hij Hilde weer tegen zich aan voelt. De twijfels zijn weg. De keus is gemaakt. Ze ervaren elkaars liefde, bij iedere kus en streling die er wordt gedeeld, bij iedere ademtocht en iedere beweging, daar in het hoge gras aan de beek. Als ze zich aankleden zegt Eber: “Zullen we met je vader praten?”

“Heb jij al eerder een vrouw gehad?”, vraagt Hilde, als ze onderweg zijn. Eber schrikt van de vraag. Wat raar, denkt hij zelf, ik ben in al die 25 jaar bij de Romeinen uiteindelijk nergens meer bang voor geweest, en nu ben ik weer verlegen als een jonge jongen, als het gaat over vrouwen. Hilde herhaalt de vraag: “Heb jij al eerder een vrouw gehad?” “Ik wil voor jou niet liegen en niet zwijgen”, zegt Eber. Hij vertelt in het kort over Lucia en het kind dat hij achter moest laten. “Jij hoort het te weten, Hilde, en als je mij nu niet meer wilt, dan is het ook goed.” Hilde zegt er niets over. “We gaan naar mijn vader, we hebben allemaal ons verleden en dat ligt achter ons”, zegt Hilde na enige tijd. De hoeve van Saante komt in zicht. Saante wordt gewaarschuwd door iemand dat Hilde terugkomt en dat ze Eber bij zich heeft. Hij staat haar dan ook al in de deur van zijn Hoeve op te wachten. “Kom binnen, in de schaduw”, zegt Saante. Het is nog steeds ongewoon warm, die zomerdag. Maar nog voor Saante zich om kan draaien is het hoge woord eruit: “Saante, ik wacht niet langer want straks zitten mijn woorden weer vast in mijn keel. Mag Hilde bij mij op de hoeve komen wonen, als mijn vrouw?” “Kom binnen mijn jongen”, zegt Saante. “Daar hebben we op gewacht.”

Er wordt lang lang gepraat. Eerlijkheidshalve geeft hij aan dat Eber niet de jongste meer is, maar dat is in dit geval geen probleem. Als Hilde de erfdochter was, had hij er meer problemen mee gehad. Gelukkig heeft Saante twee zonen. Eber vraagt wat er verder nog overlegd moet worden. Saante lacht: “Nou, over het kind hoeven we het niet meer te hebben, dunk me, dat is zo al mooi geregeld.” Ja, Hilde kon het niet voor haar moeder verbergen dat haar maanstonden verdwenen waren, en zo hoorde Saante het ook. Maar moest er nog wat onder de familiegroepen besproken worden? Saante begon te lachen. “Man, dat hebben Garm en ik toch al lang besproken! Je krijgt twee kalveren en een hele goeie merrie als bruidsschat en wat mij betreft mag Hilde haar lievelingskoe ook wel meenemen. Je vader zal het feest regelen, gelijk met dat van Adal, want dat feest duurt ook al bijna te lang, straks wordt die ook al vader. De gasten worden door hem gevoed.”

Eber is even sprakeloos. Alles was al besproken.  Die Rana! Eber krijgt door hoe Rana de geit en de kool gespaard heeft. Zijn interesse voor Hilde was opgevallen. Garm regelde op Ranas initiatief de bruiloft met Saante. Door haar daarna nog een paar keer met Eber in contact te brengen, ging Eber voor haar door de knieën. “Als je de ever eikels voorhoudt, bijt hij wel”, zegt Saante lachend. “Jij hebt je eigen eer gered en Garm de zijne. Jij door je eigen keus, Garm door de zijne, die gelukkig dezelfde is.” Saante heeft Ebers gedachten geraden. Hij is dan ook volkomen ingelicht over het spelletje van Rana. Hilde is met haar moeder buiten gebleven. Ze wordt geroepen. Haar wordt verteld dat ze de volgende maan bij Eber zal blijven wonen. Saante spreekt uit dat hij hoopt dat ze hem zonen en dochters mag schenken, zoveel de Vrouwe van het Ven hen gunt. Hilde doet wat er van een goede vrouw verwacht wordt door de stam. Ze zwijgt en stemt toe, door nederig haar hoofd te buigen. Het hoort een beetje bij het spel, want ze is net zo blij als Eber dat alles geregeld is.

“Maar ik moet jou ook nog wat vertellen, Eber”, zegt Saante dan. “Jij zult je geheimen ook wel hebben, dat geeft niet, 25 jaar leven en vechten bij de Romeinen daar wordt je ook geen lief jongetje van, maar Hilde heeft ook een geheim, en wij ook.” Hilde weet al wat er verteld zal worden. “Hilde is onze dochter niet. We hebben haar opgevoed als de onze en we willen niet anders dan dat ze onze dochter is en blijft. Maar we hebben haar als baby gevonden op een zandkop in het veen, bij een ven. Ze lag in een oogstmand van wilgentenen. Waterplanten leken er doorheen te steken, alsof ze een navelstreng naar de andere kant van de waterspiegel had lopen. Als jij je nog mocht bedenken, Eber, we hebben er begrip voor, maar als jij net zo gek op haar bent als wij, dan heb jij onze zegen.” “Jij bent mijn schoonvader, Saante”, zegt Eber, “en je bent Hildes vader. De rest is allemaal goed.” Ze nemen afscheid. Eber is nog net voor het donker weer op zijn hoeve. Nee, helemaal geen oerossen gezien, vandaag. En als hij die avond in slaap probeert te komen, want van opwinding amper lukt, schiet ineens een hele ludieke gedachte door hem heen….. “Maar er is wel een oeros gevangen! En dat ben ik.”

Vorig artikelArie Goedhart
Volgend artikelEen zeldzame rapakivi-graniet in de keientuin

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.