Garm heeft de zware boog van Eber met veel plezier leren gebruiken. De pijlen dragen verder en hebben op grotere afstanden meer kracht als ze het vlees van het wild binnendringen. De oudere boer, voor wie de jacht iets was wat hij aan de jongeren overliet, krijgt er nu weer zoveel plezier in, dat hij regelmatig met de boog door de wouden en de venen zwerft. Soms gaan ze samen, Eber en zijn vader, dan weer neemt Garm zijn broer Maante of één van de oomzeggers mee, maar steeds vaker trekt hij alleen erop uit. Nu de zorg om de opvolging van hem afgevallen is, vindt hij door de jacht de rust die hij zo lang gemist heeft. Die winter, als de venen bevroren zijn, verlaat hij op een morgen de hoeve… om niet weer terug te keren. Hij wordt gemist als hij ’s avonds niet thuiskomt. Het is dan ook al te laat om te gaan zoeken. Er is geen maan te zien, er zit sneeuw in de lucht en de wolven joelen in de bossen. Men vreest het ergste. Tegen Rana heeft hij nog gezegd dat hij naar een van de meest afgelegen zandkoppen in de venen wilde. Dat gebied is alleen ’s winters bij vorst te bereiken, daar de rest van het jaar het moeras zijn dodelijke zuigende werking doet gelden.

Afgaand op dit verhaal vertrekken Eber en Maante de andere ochtend zuidwaarts en oostwaarts. De route die Garm gevolgd zou kunnen zijn. Ze weten eigenlijk niet waar ze zoeken moeten. Het heeft weer gesneeuwd. Sporen zijn er niet meer te vinden. Thuis blijven wachten is nog erger. Ze hopen dat Garm te ver afgedwaald is om voor het donker terug te keren, en ergens heeft moeten overnachten. Er staat op één van de zandkoppen een hut, voor noodgevallen. De hut is leeg. Er ligt as in de vuurkuil, waarvan zowel Eber als Maante denken dat er de vorige dag nog vuur in gezeten kan hebben. Ze ruiken nog de rook, en die lijkt redelijk vers te ruiken. Is Garm hier nog geweest? Of was het een ander? Een eind verderop ligt een ijsvlakte. ‘s Zomers is er open water, nu blinkt het ijs in de zon. Van een afstand zien ze dat er een donkere vlek op het ijs zit. Als ze naderbij komen herkennen ze de donkere vlek als vers ijs. Er moet iets geweest zijn wat het ijs gebroken heeft, waarna er nieuw ijs in het gat aangroeide. Tot hun schrik vinden ze in het ijs de ruige muts van Garm. Hij moet erdoor gezakt zijn. Hij is verdronken. Misschien dat ze bij het invallen van de dooi zijn lichaam zullen vinden. Enerzijds komt de werkelijkheid op hen af met een diepe gelatenheid. Ze kunnen niets doen. Anderzijds mengt zich in Ebers geest een strijdend mengsel van diep verdriet en blijdschap. Gelukkig heeft hij zijn vader nog mogen zien, toen hij terugkeerde. Gelukkig heeft hij nog een jaar met hem gehad. Maar hem nu te moeten missen, terwijl hij zo van het leven genieten kon, juist nu, op zijn oude dag.

De zekerheid van wat al wel vermoed werd, brengt rust en verdriet op de beide hoeves van Eber en Maante. De laatste nemen direct de verantwoording over op Garms voormalige woonstede. Rana en Garm hadden het vaak over de dood gehad. Garm was er klaar voor, toen Eber terug was. Graag had hij ook nog een eerste kleinzoon gezien, maar dat zat er niet in. Op zich was Garms tijd nu ook wel gekomen. De manier waarop verscherpt het verdriet dat het afscheid sowieso zou brengen. Ze hebben niet eens de kans gehad om zijn lichaam fatsoenlijk te verbranden. Zijn geest is nu nog niet vrij van zijn omhulsel. Hij loopt nu de kans te moeten dolen. Maante hoopt dat de goden hem dapper genoeg vinden om als bediende naar het Walhalla gehaald te worden. En misschien is hij wel strijdend ten onder gegaan, vechtend tegen een troep wolven, ook dat is dapperheid. Als hij hem daar in het Walhalla later tegenkomt zal hij ervoor zorgen dat hij het alsnog goed krijgt. Rana moet niets van dat verhaal hebben. Geesten kunnen het ook buiten het Walhalla wel goed hebben, als de nazaten de Vrouwe van het Ven maar gedenken en in ere houden door haar leefregels te houden. Verder spijt het haar dat Garm stierf en niet zij. Zij was aan de beurt geweest! Eber heeft zo zijn eigen gedachten. Hij deelt ze met niemand. Ook niet met Hilde, zijn jonge vrouw. Kan hij haar wel vertrouwen? Kan hij vertellen wat hij voelt als het om leven en dood gaat zonder dat hij buiten de familie komt te staan? Kennen ze de diepten van zijn geest, zijn ervaringen en zijn nieuwe geloofswaarden? De familie kibbelt door de botsing tussen het oude geloof van de Vrouwe van het Ven en de goden achter de waterspiegel, met het nieuwe geloof dat mede via Maante sterker wordt, dat van Wodan en het Walhalla. Ze moesten eens weten wat Eber nog meer weet. Hij weet het niet, hoe hij er mee om moet gaan. Hij is zijn vader kwijt, dat weet hij wel. Als de dooi invalt, wordt een vlot gemaakt. De moerassen en de meren worden afgezocht om alsnog zijn lichaam te kunnen verbranden, zodat zijn geest vrij zal zijn. Ze vinden niets. De zuigende plantenresten en de vele stokken en boomwortels in het meer geven het lichaam niet weer prijs. Al snel gaat het leven zijn gewone gang.

Twee manen nadat de dagen weer langer zijn geworden, breken Hildes vliezen. “Eber, het gaat gebeuren, Rana, help me, de baby!” De vrouwen van de familiegroep, de vrijen en de onvrijen, ze nemen haar mee tot bij het vuur. De mannen moeten maar even ophoepelen. Nu is de hoeve voor hen. De mannen zetten alvast bier klaar, om het straks te vieren. Goed gebrouwen bier, gemaakt door Hilde en Rana, met kruiden erdoor, als lekkernij voor als het zover is. In Ebers geest loopt alles door elkaar. Blijdschap om de baby, zorgen om Hilde, herinneringen aan Lucia en hoe die stierf, gedachten over zijn kind, ver weg, dat hij nooit meer heeft gezien. Dan klinkt er een kreetje. Het gaat over in een flinke schreeuwpartij. “Eber, je zoon heeft goeie longen, dat wordt een groot leider!”, roept Adal hem toe. Als Rana hem naar binnen haalt, legt ze hem een gezonde dochter in de armen. Eber is vooral blij dat Hilde het gehaald heeft, en de bevalling niet zo zwaar is geweest als dat hij die van Lucia herinnerde. Maar dat zegt hij niet. Hij bedankt Hilde, voor de mooie dochter. “Akke, zo gaat ze heten”, zegt Hilde. “Net als mijn moeder, de vrouw van Saante.” Waarom ze dat laatste er bij noemt, wat voor iedereen vanzelfsprekend lijkt, dat weten alleen Eber en Hilde. Maar Akke, zo zal ze heten.

Als het voorjaar aanbreekt, komt er een vreemd gevoel over Eber. Onrust. Het laat hem niet weer los. Als hij de vogels ziet trekken, blijft hij naar hen staan staren. Hij vergeet het werk waar hij dan mee bezig is. Akkers omhakken, kluiten fijn maken, jong opschietende boompjes eruit trekken, onkruid verwijderen, een stukje bos erbij rooien, het moet gebeuren, iedereen is bezig, en Eber loopt er bij weg. Hij praat er eens over met de oude Rana, zijn grootmoeder. Ze woont nog steeds bij Maante aan het vuur, ondanks dat ze geen bloedbanden met hem heeft. In de jaren dat ze samen onder één dak gewoond hebben zijn ze zo aan elkaar gewend geraakt dat ze er zelfs niet over gedacht hebben om daar iets aan te veranderen. Rana is een paar dagen na Garms dood opmerkelijk rustig geworden. Ze lijkt zich er volledig bij neergelegd te hebben. In het kort legt Eber aan Rana uit wat er aan de hand is: “Ik ben boer en heb tegen het eind van dit jaar drie hoeves met schuren erbij. Ik heb een vrouw die er op feesten bijloopt als de mooiste Romeinse dame. Ze heeft me een dochter gegeven. Die zoon komt ook nog wel, en anders zijn er zonen genoeg in de familiegroep. Nog even, dan heb ik alles waar ik 25 jaar lang van gedroomd heb. En toch voel ik me niet rustig.” Rana geeft aan dat juist die 25 jaar het probleem zijn. Al die tijd heeft hij gezworven in een wereld vol gevaar. Dat zwerven moet wegslijten. Nooit was hij lang op één plaats. “Zoek wat op waarbij je jezelf bezig kunt houden, waarbij je weer wat zwerft, waarbij je weer met gevaar omgaat”, is haar advies. Dan zal hij langzamerhand tot rust kunnen komen. Het moet gewoon uitdoven, meer niet. Nu wil hij teveel in te korte tijd. Eber gaat naar huis. Hij spreekt met Hilde over Ranas woorden. Vindt maar eens zoiets. Weggaan kan niet, want als boer kun je ook weer niet te lang van je hoeve verdwijnen. De oplossing wordt aangedragen door onvoorziene omstandigheden.

Het koetje van Hilde krijgt een kalf. Het beestje heeft kuren. Waar het koetje rustig op een stukje grasland of de rand van het bos blijft grazen, of tussen de bladeren op de rand van het bos wat lekkers weet weg te halen, heeft het kalfje de neiging te zien wat er aan de andere kant van het bos is. Op een morgen ziet Hilde het kalfje achter de bomen verdwijnen. Eber holt er achteraan. Het is of het dier in de gaten heeft dat Ebers aanwezigheid het einde van de wereldreis zal betekenen. Iedere stap die Eber in zijn richting doet huppelt het kalfje er twee voor hem uit. Uiteindelijk loopt het al op de ruige hoogte, de met berken begroeide zandkop waarover Eber getrokken is op de dag dat hij thuiskwam van zijn Romeinse jaren. Om hem heen strekken de venen zich uit. Struikgewas onttrekt het kalf aan zijn ogen.

Zoeken lijkt geen zin te hebben. Waar hij ook kijkt, het kalf is er niet. Als hij naar huis besluit te gaan, om voor de tweede keer in korte tijd een verdrinkingsdood te melden, hoort hij het kalfje roepen. Het is hetzelfde klagende geluid als wanneer het de moederkoe roept. Eber zoekt in de richting van het geluid en vindt het kalfje ongeveer 200 passen van de ruige hoogte verwijderd in het veen. Het spoor van de kleine pootjes kronkelt het veen door, van het kalf naar de ruige hoogte. Bij dit spoor groeit wat gras en enige andere planten, die niet in het veen zelf willen gedijen. Onder de laag plantenresten moet al snel zand zitten, bedenkt Eber, anders was het kalfje er wel doorgezakt. Het heeft de zandrug gevonden door domweg het voor hem eetbare spoor te volgen. Eber volgt het spoor eveneens. Zo af en toe zakt hij wat verder weg dan zijn enkels. Over het algemeen gaat het wel. Aan een touw neemt hij het kalfje mee naar huis. Als hij tegen zonsondergang thuiskomt, steekt Maante net het meivuur aan. Er wordt gefeest en gedronken op het nieuwe jaar.

Eber zal de weg die het kalfje hem gewezen heeft nog regelmatig volgen. Hij ontdekt dat er meer gedeelten van het veen zijn waarlangs dit begaanbaar is. Had Wolte ook niet gezegd dat hij door de venen zwierf en wel op een zandkop woonde? Wolte moet dit al eerder ontdekt hebben. De eenzaamheid van de venen en het avontuur van de jacht bevredigen Ebers onrust. Als hij het gezapige leventje op de hoeves niet meer uit kan houden, pakt hij zijn vaders boog – de zijne is met vader verdwenen – en is een dag helemaal alleen. Hij bezoekt regelmatig de hut in de venen, waar ze nog naar vader gezocht hebben. De venen zijn en blijven gevaarlijk, maar verschillende zandkoppen zijn steeds bereikbaar, terwijl andere in droge perioden ook te bereiken blijken. Een enkele keer neemt hij Adal mee, van wie de meiershoeve dit jaar gebouwd wordt. Door uitbreiding en opsplitsing van de landbouwgrond is er genoeg land voor twee hoeves op Garms plaats. Meestal zwerft Eber alleen, als hij eruit wil. Hij bronzen visje neemt hij mee, om het in de hut door zijn handen te laten glijden, als hij in het vuur staart. Zo verstrijkt de tweede zomer.

Vorig artikelArcheohotspot in het Hunebedcentrum
Volgend artikelDe stenen van D26

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.