Biotiet-granaat-glimmer-gneis. Foto Harry Huisman

Je weet dat hij er moet zijn. De plaats waar hij zou moeten liggen kun je moeiteloos met gesloten ogen aanwijzen. Alleen, hij is er niet. Zelfs niet na een paar maal kijken. Conclusie, de steen is weg; misschien voorgoed, want wellicht door een of andere onverlaat meegenomen. In het Hunebedcentrum hebben wij ervaring met ‘stenenverzamelaars’. Zelfs grote keien zijn niet veilig.

De verrassing kon dan ook niet groter zijn, toen ik hem vorige week vanuit een ooghoek zag. Daar lag hij, en godlof….nog een stuk mooier dan ik mij herinnerde. De grote kei lag op een plaats waar ik vaker had moeten komen: de kleine keientuin achter de expositiezaal van het Hunebedcentrum in Borger. Waar het inventariseren van zwerfkeien al niet goed voor is.

De steen in kwestie is een biotiet-granaat-glimmer-gneis. Zo staat deze zwerfsteensoort ook in allerlei boeken vermeld. Granaathoudende migmatiet is echter een juistere naam. Op de prachtige vondst na van een nog iets grotere zwerfsteen bij Damwoude in Friesland – deze steen ligt in het IJstijdenmuseum in Buitenpost – is de granaatgneis in Borger een van de allermooiste. Dit komt door het grote aantal paarsrode granaten. Ze komen voor als korrelige ellipsvormige porfyroblasten in de gneisgedeelten van de steen (paleosoom), maar zijn het mooist met hun eigen kristalvorm in de lichter gekleurde granietische en pegmatietische delen (neosoom). De meeste granaten zijn prachtig helder paarsrood. Sommige zijn meer dan 2 centimeter groot.

Biotiet-granaat-glimmer-gneis. Foto Harry Huisman

Biotiet-granaat-glimmer-gneis is als zwerfsteen niet zeldzaam; in het Hondsruggebied al helemaal niet. Het zijn meestal sombergrijze biotietrijke gesteenten. Verwering maakt ze echter een stuk lichter. De structuur van het gesteente is bijzonder variabel. Desondanks is herkenning door de aanwezigheid van rode granaat niet moeilijk.

In migmatiet heb je te maken met een afwisseling van donkerder en lichter getinte delen, in de vorm van strepen, vlekken en vegen. De donkerder delen bestaan uit de oorspronkelijke biotietrijke gneis. Deze noemt men de paleosoom. De lichter getinte, granietische delen in de steen noemt men de neosoom.

Deze granaatrijke migmatieten ontstaan op grote diepte in de aardkorst, op plaatsen waar continenten met elkaar botsen en gebergten ontstaan. Aan het aardoppervlak gevormde kleiïge sedimenten worden bij de gebergtevorming soms tot vele tientallen kilometers diepte de aardkorst ingeperst. Daar worden de sedimenten vervolgens heel langzaam tot gneis gemetamorfoseerd. Door hoge druk en oplopende temperatuur smelten in de gneis mineralen als kwarts en veldspaat. Deze kristalliseren elders in het gesteente uit als graniet en/of pegmatiet. Deze nieuwvormingen onderscheiden zich als stollingsgestgeente duidelijk van de donkerder gestreepte gneis. Zo ontstaat een ultra-metamorf gesteente, dat uit een oudere biotietrijke gneis bestaat met daarin grote en kleinere partijen lichtkleurig stollingsgesteente. Vandaar de naam migmatiet ofwel menggneis.

Het gebergte waar deze granaat-migmatiet onderdeel van uitmaakte, is volkomen verdwenen. Slechts de ‘wortels’ ervan bestaan nog. Die liggen in Zweden en Finland aan het aardoppervlak. En de ouderdom? 1800 miljoen jaar of daaromtrent.

Biotiet-granaat-glimmer-gneis. Foto Harry Huisman

Ben u geïnteresseerd in zwerfstenen dan raden we u aan eens te kijken op de website van Harry Huisman – www.stenenzoeken.nl

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.