Eber en Hilde slapen de slaap der onschuldigen, erop vertrouwend dat Rana iedereen wel ingelicht heeft over hun vertrek. Tenminste, voor zover dat verstandig is. Ze ontwaken pas als de zon al enige tijd aan zijn reis begonnen is. Hilde voelt zich weer wat rustiger. De kleine Akke kruipt rond alsof er niks aan de hand is. Voor haar is de hele wereld één grote speelgelegenheid, waar overal weer wat te ontdekken is. Wat Hilde betreft gaan ze weer op huis aan en spreken ze niet meer over het geroosterde vlees. De hond kan wel ziek geweest zijn of zo. Mensen hebben de neiging om zich meer in hun hoofd te halen dan goed voor ze is, zegt Rana vaak. Kauwend op een stuk gedroogd rundvlees, op het laatste moment nog uit het rookgat meegenomen, neemt Eber de hut in zich op. Hij is al oud. Niemand weet wie hem gebouwd heeft. Wel hebben de boeren uit de omgeving de hut steeds weer hersteld, als hij dreigde te vervallen. Sommigen sneden tekens in de balkjes, als herinnering aan een overnachting of als dank aan een god. Bij die gedachte zoekt Eber naar de vis, gesneden in de middelste dwarsberk.

Berk is een betere naam dan balk. Ongeschilde stammen van boompjes uit de omgeving dienden steeds weer als basismateriaal. Het visje staat er nog. Hij sneed het in het hout toen hij na de terugkeer uit de Romeinse wereld hier op zoek ging naar zichzelf. Iemand heeft er een kruisje bij gesneden. Of is het een Romeinse tien? Ebers ogen glijden langs de wanden en over de grond. Verduld… hij had toch zeker zeven pijlen meegenomen? Er liggen er maar vijf! Hilde, heeft die aan de pijlen gezeten? Hilde weet van niets. Hij zal ze wel verloren zijn, onderweg naar de hut. Eber weet zeker dat dat niet zo is. Er waren er nog zeven toen hij ze weglegde. Nu wordt hij ook weer voorzichtiger. Hoe kunnen twee pijlen verdwijnen? Gisteren wat bijzonders met geroosterd vlees, vandaag twee pijlen weg… Eber besluit eerst zelf poolshoogte te gaan nemen, voor hij Hilde meeneemt naar huis. Hij vertrekt half in de middag, nadat hij Hilde van vers vlees voorzien heeft, in de vorm van twee geschoten eenden.

Als Eber het smalle, kronkelende bospad afloopt, dat de hoeves aan het Diepje met de venen verbindt, schrikt hij terug bij het zien van de aslaag en de half verbrande en verkoolde gebinten, op de plaats waar zijn hoeve stond. Wat kan daar gebeurd zijn? Verderop ziet hij mensen bezig bij de brandheuvel van zijn familie. Is er iemand omgekomen in de brandende hoeve? Wie kan dat dan geweest zijn? Wat gebeurt er met zijn wereld? Alles lijkt op dat moment zo onzeker te zijn. Doet hij er goed aan om zich te laten zien? Eerst het vlees onbetrouwbaar, nu zijn hoeve verbrand, wat volgt erop? Wie kan hij vertrouwen in deze?

Eber blijft wachten in de beschermende schaduwen van de bosrand en de hoog opschietende varens. Hij wacht op Rana. Ze zal toch wel eens buiten komen? Ze moet dan wel alleen zijn, anders zal hij zich nog niet laten zien. Tegen de tijd dat het koken begint, haalt Rana altijd water uit de beek. Hoelang duurt dat nog? De zon en de schaduwen geven aan dat het niet zo lang meer kan duren. Inderdaad komt Rana enige tijd later met haar gebogen rug en schuifelende pas naar de beek. Eber trekt haar aandacht door te wuiven. Ze lijkt hem niet te zien. Hij fluit eens. Even lijkt ze op te kijken, dan loopt ze terug naar haar vuurplaats. Wachten op een volgende kans? Hoelang kan dat nog duren? Hij zal wel moeten. De schaduwen worden langer en langer. Hij hoort wat schuifelen. Als hij wegduikt tussen de varens, hoort hij Rana roepen: “Eber! Net was je hier nog!” Ze had hem wèl gehoord en gezien, maar zocht tijd en een smoes om hem op te zoeken. Kleine Bernt roert nu in de potten, onder protest, terwijl zij zogenaamd aan het kruiden zoeken is.

Rana vertelt hoe het in haar beleving gegaan moet zijn. Officieel is Eber nu dood. Maante heeft de resten van hem en zijn vrouw verzameld. Van de kleine Akke kon hij helemaal niets vinden. Rana heeft in haar leven al heel wat crematies meegemaakt, maar resten als deze heeft ze nog nooit eerder gezien. Per slot van rekening wist ze dat Eber en Hilde met Akke weg waren. Waarschijnlijk heeft Maante verbrand en uit elkaar gevallen gebeente verzameld, uit de ribstukken en hammen die in het rookgat hingen. Als Eber en Hilde door het vuur gedood waren, hadden ze rond de vuurplaats onder het rookgat gelegen. Hun gebeente en dat van de slacht was door elkaar geraakt en door de brand onherkenbaar geworden. Als Rana niet geweten had van Ebers vertrek had ze misschien niet zo kritisch gekeken, maar nu herkende ze de restanten bij de ceremonie rond de brandheuvel niet als menselijk, terwijl ze naar Maante toe stug volhield dat dit echt wel van een mens was. Ze moest wel. Ze vertrouwde de zaak absoluut niet.

Ze heeft ook al een theorie. De oude Rana vertrouwt Maante niet meer. Als het vlees vergiftigd was, zou dan de brand toeval geweest zijn? Maante ging met vuur naar buiten, op de avond van de brand. Hij kwam zonder zijn muts terug. Als Maante een stukje gloeiend hout in zijn muts onder het stro gelegd heeft, moet het hout eerst door de muts heenbranden, voor het stro bereikt is. Het duurt dan nog wel even voor er brand uitbreekt. Eber roept Rana halt toe. Er is niet bewezen dat het vlees vergiftigd was. Dat verhaal van die muts kan dan wel kloppen, maar wie heeft gezien dat Maante muts en vuur onder het stro gestoken heeft? Ze beschuldigt Maante van een poging tot een driedubbele moord. Ze moet toch weten wat de straf is van zo’n onbewezen beschuldiging? Een moordenaar wordt gedood. Diegene die iemand onterecht aanklaagt krijgt dezelfde straf. Rana verdedigt zich door te stellen dat er niemand gedood is. Geen lijk, geen moord! Dan gaat die regel niet op. Hooguit kunnen ze haar onterecht beschuldigen van brandstichten in de schoenen schuiven. Ze zou dan haar eigen bezittingen kunnen verliezen, net zo goed als een terecht beschuldigde met zijn eigen hoeve en goed de door hem gestichte brand moet vergoeden. Ze heeft niets, dus ze kan niets verliezen. Hooguit haar banden met Ebers familie. Maar onder één dak slapen met Maante hoeft voor haar sowieso niet meer.

Eber twijfelt aan wat hij moet doen. Als Maante op zijn geweten heeft wat Rana denkt, moet hij volgens de stamwetten gestraft worden. Als hij onschuldig is en hij zou ten onrechte aangeklaagd worden? Eber moet er niet aan denken. Als hij daarop het bos inloopt, heeft hij Rana op het hart gedrukt voorlopig niets te doen. Hij zal Hilde naar haar ouders brengen, om haar en de kleine Akke de rust te geven die ze nodig hebben. Morgen zal hij terugkomen. Hij zal naar Maantes vuur lopen of er niets aan de hand is. Hij is benieuwd hoe men op zijn “wedergeboorte” zal reageren. Laten ze maar plannen maken voor de wederopbouw van de hoeve, dat is beter dan schuldigen te zoeken van wat door de bliksem veroorzaakt kan zijn. Als hij bij Hilde aankomt is er geen tijd om veel uit te leggen. Dat komt onderweg wel. Voor het donker is, moeten ze uit het veen zijn. Op de ruige hoogte wacht nog steeds Ebers trouwe paard. Het dier vergemakkelijkt Hildes reis. Dat hele eind lopen met de kleine Akke op de rug, dat is niet nodig, Akke ligt gebakerd gebonden op de rug van het paard. Ze slaapt. Tegen het donker komen ze bij haar ouders. Veel kan daar nog niet verteld worden. Ze leven, en het feit dat ze hen levend en wel weer in hun midden hebben, is op dat moment al bijna teveel voor Hildes moeder. Voor de rest zijn er vooral vraagtekens.

Na de aankomst op de hoeve van Hildes ouders zal hun levensbericht razendsnel verspreid worden. Eber wil terug zijn voor de geruchten nieuwe verhalen op zijn eigen hoeves in het leven roepen. Hij vertrekt vroeg in de morgen en verlaat de bosrand bij het Diepje als de eerste onvrijen de akkers opgaan. Stomverbaasd staan ze hem aan te staren. Maante komt naar buiten, nadat hij door één van hen gewaarschuwd is. Even stokt Ebers pas, net als Maantes twijfels een moment van zijn gezicht af te lezen zijn. Dan loopt Maante hem tegemoet, omarmt hem, en leidt hem in de woning. Waar hij vandaan kwam? Eber vertelt van de hut in het veen, hen allen bekend. Hij heeft een voorgevoel gehad, vertelt hij. Net zo als zijn moeder dingen zag en voelde die niemand anders kende, zegt hij, en vertelt zo van de brand op de hoogte geweest te zijn. Als Eber verteld heeft wat hij kwijt wil, en de anderen eveneens weten dat met Hilde alles goed is, valt er een stilte. Kleine Bernt verbreekt de stilte met een beklemmende vraag in de richting van Maante: “Maar vader, je had toch gezegd dat Wodan hen gestraft had voor hun wandaden? Hoe kan het dan gelopen zijn, zoals Eber het nu vertelt?”

Vorig artikelGraniet, graniet en Filipstad-graniet
Volgend artikelVeel nieuws uit Portugal

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.