“Hermen, haal je Maante even?” “Nee!” “Hermen, roep je hem even voor het eten?” “Nee hoor!” “Wat is er met je?”, vraagt Rana, terwijl ze Hermen doordringend aankijkt. “Er is niks met me!”, zegt de grijze man, terwijl hij haar blik ontwijkt en met een mes lijnen krast in de vloer van aangestampt leem. “Wat is er met Maante, zal je bedoelen. Ik kan de laatste tijd geen goed meer bij hem doen. Laat hij zelf maar aan het eten denken”, moppert hij boos en spuugt op de grond. Rana heeft ook gemerkt dat Maante zich niet goed moet voelen. Niemand weet wat er is, maar er broeit iets. “Ja, dan zullen we het eten koud moeten laten worden!”, is Ranas simpele conclusie. Zonder de baas kan er niet begonnen worden. Hermen staat op: “O ja, ik zou Maante ook nog even halen…”, zegt hij, bijna fluisterend. Hij loopt naar buiten. Maante zit aan de rand van het bos voor zich uit te staren. Dat doet hij de laatste tijd wel vaker. Als je hem vraagt wat er is, zegt hij de helft van de tijd niks en de andere keren mompelt hij iets over “nadenken”, of “dingen op een rijtje zetten”. “Kom je eten?”, vraagt Hermen. Glazig dwars door Hermen heenkijkend roept Maante Wodan aan. Die is gek geworden, denkt Hermen, de simpele. Hij maakt hem duidelijk wie hij wèl is. Maante loopt met hem mee. Hij eet, zegt amper wat en gaat ’s avonds weer naar zijn boomstronk toe. Als de hete zomerlucht die avond afkoelt, begint het te bliksemen. Verderop, veel verderop, slaat het in in een boomtop. Doorweekt door het regenwater komt Maante thuis. “Wodan heeft me een teken gegeven”, zegt hij tegen Rana. “Wodan zal onze familie naar zijn wil doen leven!”, zegt hij voor het inslapen.

De andere morgen komen Maante en één van zijn onvrijen met een wild zwijn tussen hen in het bos uit. Ze hebben geluk gehad, vertellen ze. Het dier zat vast en ze hadden niet de minste moeite om het te benaderen. Nou ja geluk, voegt Maante eraan toe, hij had het geluk een handje geholpen door een stevige strik. Het was gelukkig geen beer, geen mannetjeszwijn. Die zijn gewond en wel soms nog zo dodelijk, dat je ze af moet maken. Deze liep zelf aan een paar touwen mee naar de hoeve, waar ze hem de hals door sneden en het bloed opvingen om er worst van te maken. Daarna begon het stropen van het vel en het uit elkaar snijden. Die avond zullen ze er lekker van eten. Maante stuurt Hermen naar Hilde om te zeggen dat ze niet zoveel hoeft klaar te maken. Het vlees wordt door Maante geleverd. Adal komt van de akkers om het beest te roosteren. Na afloop verdeelt Maante het vlees, zoals het binnen de familie gebruikelijk is. Hermen wil een stuk naar Hilde brengen. Hij wordt er door Maante van weerhouden. Maante zal het zelf later wel brengen. Vanaf zijn akker ziet Eber het roosteren en het verdelen. Maante jaagt niet zoveel. Mooi dat hij nu ook eens iets te verdelen heeft. Hij ziet Maante enkele stukken mee in huis nemen. Maantes hond slipt even later door de deuropening. Rana neemt een stuk vlees van Maante over. Even later, als Maante naar buiten gelopen is, bemerkt ze dat er nog een stuk vlees op een plank in de hoek ligt. De hond staat ervoor. Ze wil de hond wegjagen, maar bedenkt dan dat het vreemd is dat de hond zijn kans nog niet waargenomen heeft. Lust hij het niet? Ze snijdt er een stukje af. “Hier”, zegt ze, “vreet maar op!” Het beest kijkt haar aan, draait zijn ogen weg en loopt met zijn kop naar de grond gekeerd naar buiten. Even later komt Maante terug. Hij pakt het vlees op en zegt nog even naar Eber te gaan. Rana zwijgt.

Die avond verdeelt Maante stukken zwijn onder zijn onvrijen. Er is genoeg. Laten ze de mensen van Eber er ook maar bijhalen. Ze hebben zo hard gewerkt, de afgelopen weken, dat een extraatje op zijn plaats is. Maante haalt er flink wat bier bij. Als het bedtijd wordt, en de eersten over slapen beginnen, breekt Maante nóg een voorraad bier aan. Rana vindt het maar niks. Teveel bier komt altijd gedonder van. En als er nu wat te vieren viel? Dit is gewoon onnodige verspilling. De mannen en de vrouwen drinken, op Rana na, als Maante een stronk uit het vuur neemt en het vee nog even wil inspecteren, voor ze slapen gaan. In de verte dondert het. Het lijkt dichterbij te komen. Het vee zou door het onweer kunnen schrikken. Even de omheining bekijken. Al het vee loopt buiten, op een stuk groenland dat Allard, Maante en Eber gezamenlijk beheren. Overdag sjokken de koeien overal rond waar gras staat, ’s avonds wordt het vee bij elkaar gedreven. Maante blijft niet zo lang weg. Het regent als hij terug komt. De bliksem lijkt steeds dichterbij te komen. Zijn haar is drijfnat. “Waar is je muts?”, vraagt Rana. Hij moet hem verloren zijn, zegt hij. De onvrijen van Eber willen naar huis. Het water houdt hen binnen. De regenbui is kort maar hevig. De dikke laag stro op het dak slaat direct dicht zodat het water niet verder komt dan de eerste halmen. Dichtbij slaat de bliksem in. Als het droog is, en de eerste onvrijen naar buiten komen, zien ze dat er zich een gloed op Ebers dak aftekent. Onder veel rookontwikkeling door het natte stro wordt de gloed al snel een felle brand. Blussen is er niet meer bij. Kort daarop is Ebers hoeve tot de grond toe afgebrand.

Verslagen komen de familieleden en onvrijen de andere morgen bijeen bij de nog nasmeulende as. Eber en Hilde zijn door niemand meer gezien. Hun resten moeten met de hoeve verbrand zijn. Als oudste mannelijke verwant neemt Maante de taak op zich de resten van het gebeente te verzamelen. Ze zullen uitgestrooid worden op de brandheuvel van Gudrun, en met een laag zoden afgedekt. Als dat gebeurd is, stelt Maante voor familieberaad te houden. Het vee van Eber moet nog verdeeld worden. Maar misschien moeten ze het ook niet doen. Misschien kunnen ze de hoeve weer opbouwen. Het zou een mooie woning zijn voor Maantes oudste zoon, Kleine Bernt. Die heeft nog wel geen vrouw, maar dat zal Maante wel kunnen regelen.

Op aandrang van Rana wordt het familieberaad uitgesteld. Ze moeten enkele dagen rouwen, dan zullen ze beter over dat soort dingen kunnen beslissen dan dat het gelijk al gebeurt. Zichtbaar teleurgesteld gaat Maante ermee akkoord. Waarom moesten Eber en Hilde omkomen? Zowel de onvrijen als Adal worstelen met die vraag. Alsof Maante daarop gewacht heeft, begint hij te vertellen van de verstoring in de door Wodan bestuurde en gewenste orde. Door zijn hele gedrag had Eber laten merken de goden te tarten. Wodan pikte het niet langer. Hij stuurde zijn bliksem toen Eber en Hilde al sliepen. Beiden moesten ze sterven. Eber om zijn zonden, Hilde omdat ze Ebers vrucht in haar schoot droeg. Als dat kind volwassen zou worden, zou de verstoring nog niet verholpen zijn. Zichtbaar opgelucht door de afgewende toorn van Wodan, die hen had kunnen treffen als Eber nog geleefd had, proberen de mensen hun draai weer te vinden in het dagelijks leven. Hier en daar is er twijfel. Want was het wel volgens de wil van de Vrouwe van het Ven?

Terug naar de middag vóór de brand. Terug naar de dag van het geroosterde zwijn. Er hangt al onweer in de lucht als Eber van zijn akker komt. Hilde zit hem lijkwit op te wachten. Ze vertelt dat Rana even langs geweest is. Eerst kwam Maante wat van het geroosterde zwijn brengen, toen kwam Rana. Wat er ook gebeurt, had ze gezegd, niet van het vlees eten! Het is niet goed! Hoe kan een stuk vers geroosterd vlees nu niet goed zijn? Rana wist het niet. Maar niet van eten! De hond wil het niet! Er is iets mee! Hilde is bang. Of lijkt ze alleen maar bang? Ze weet niet wat ze moet, maar er bekruipt haar zo’n grote onrust dat ze liever niet op de hoeve blijft. Laten ze het vee even aan de onvrijen over laten en een avond of een dag naar haar ouders gaan. Eber ziet dat laatste niet zitten. Ze zullen hen misschien uitlachen als er niets aan de hand blijkt te zijn. Eber heeft een paar keer in de hut in het veen overnacht. Er is plaats genoeg voor drie. Ook de kleine Akke gaat natuurlijk mee. Om Hilde ter wille te zijn kunnen ze ook wel een nacht in het veen doorbrengen. Vreemd genoeg zullen de onvrijen die avond bij Maante doorbrengen. Ze zijn door hem uitgenodigd voor het opeten van de rest van het zwijn. Het kan wel laat worden.

Eber en Hilde zijn dan ook alleen op de hoeve als ze wat spullen bij elkaar pakken. Hilde is nu ineens zo veranderd, zo zelfverzekerd, dat Eber er even aan moet wennen. Niet meer de onrust van even daarvoor, maar een sterke zelfbewuste vrouw, met doordringende ogen, die maar één ding wil: naar de hut op de zandkop bij het veen, dáár moet ze zijn, dáár is ze veilig. Het ven roept haar, zegt ze. Het ven is haar wereld. Daar is ze als kind gevonden, daar zal ze nu ook veiligheid kennen. Eber pakt een boog, wat pijlen, zijn schild en het Romeinse zwaard. Hilde pakt spullen bij elkaar voor haarzelf en de zorg voor Akke. Alleen Rana weet waar ze zijn. Eber licht haar in, om te voorkomen dat mensen ongerust worden. Ebers paard draagt Hilde, zolang de ondergrond het paard kan dragen. Voor het donker geworden is, is de hut bereikt. Ze nestelen zich lekker tegen elkaar aan op een bed van heide en bente, op de vloer van hun eenvoudige onderkomen. Het regent. Het water lekt door de plaggen van het dak. Verderop trekt de bliksem voorbij. Eber gaat naar buiten om in de stromende regen met een extra plag het dak te dichten. In de verte ziet hij een merkwaardige gloed boven de bomen uitkomen. Ze zitten te ver in het veen om die gloed thuis te kunnen brengen.

Vorig artikelSchrijversogen in een archeologische wereld
Volgend artikelSilvitz

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.