Lang, lang geleden, toen de familie van Eber nog niet in Drenthe verbleef, en onder de bescherming van de Romeinen in de omgeving van het Oppidum Batavorum bij Nijmegen woonde, leek het leven nog zo simpel. Dacht Maante. Iedereen kende zijn plaats in het leven. Hermen de Hakker, zo genoemd naar zijn bloedige maar succesvolle strijdmethoden, had zijn zoon Bernt daar mee naar toegenomen. Bernt was toen al getrouwd en had drie kleine kinderen: Garm, Hermen en Maante. Ze werden verzorgd door een oudere zuster van Bernt. Zijn vrouw was in de kraam gebleven. De kinderen kenden hun toekomst, zoals ze hun verleden kenden. Ze waren krijgers, voor wie alle eer op het slagveld lag. Ze hadden als familie en als lid van de stam van de Tencteri al zo vaak gevochten. En helaas ook verloren. Vandaar dat ze vanuit hun stamland aan de Rijn, ver in het zuiden, naar het noorden waren getrokken, om een nieuw begin te maken. Als krijgers. Want dat waren ze. Ze keken neer op de boeren uit hun omgeving. Na de bloedig onderdrukte opstand van Julius Civilis trokken Bernt en enkele andere families naar het noorden. Hermen de Hakker was toen al overgegaan naar de geestenwereld. Bernt, Grote Bernt, het familiehoofd van een deel der Tencteri, kapte in Drenthe een stuk bos bij de bovenloop van het riviertje dat langs de dubbele voorde stroomt. Hij werd boer. Gewoon, omdat ze moesten overleven, en gewoon, omdat de strijd alleen maar doden opleverde.

Een stuk land in Drenthe. Samen met de boeren van oude diep en reest bouwden ze er een hoeve. In ruil voor hun hulp werden er afspraken over de huwelijken van de kinderen gemaakt. De andere nieuwkomers in deze omgeving hadden weer eigen families die hen steunden. Maante trouwde de vrouw die voor hem door oud-Drentse familie vrijgehouden werd, Garm werd verliefd op Gudrun na een jachtpartij, en Hermen’s beloofde echtgenote werd toch maar aan een ander uitgehuwelijkt. Samen bleven ze Bernts hoeve bewonen. De krijgers waren boeren geworden. De eerste eigen hoeve brandde af. Een ongeluk. Teveel spetterende en vonkende houtsoorten op het vuur en niet goed opgelet waar de vonken heen gingen. Dat was het moment dat Garm met Gudrun in huis trokken bij Rana, om daar de leiding van de familie over te nemen. Dat was een veel grotere en rijkere hoeve. Ze waren een gegoede boerenfamilie. Maar wel boeren, zo realiseerde Maante zich. Mensen om op neer te kijken. Dit laatste heeft Maante nooit kunnen verkroppen.

Zijn leven lang heeft Maante getwijfeld tussen het boerenleven en het krijgersbestaan. Al naar gelang wat overheerste, trok hij weg of bleef hij thuis. Toen Garms laatste zoon gestorven was – ze wisten niet beter of Eber was ook al dood of zou nooit weer komen – was het duidelijk waar hij voor moest kiezen: Wodan had hem voorbeschikt om boer te worden. Maante legde zich daar niet alleen bij neer, hij omarmde zijn roeping en stortte zich vol vuur op de hoeve die de zijne zou worden. Of van zijn kinderen, als Wodan hem eerder mocht roepen dan zijn broer. Als geaccepteerde in de Drentse samenleving, is Maante steeds voorzichtig geweest. Te opvallend gedrag zal de plaats van de familie in gevaar kunnen brengen. De families uit het noorden van Drenthe staan nog steeds wat afwachtend tegenover hen. Alleen als ze geen aanstoot geven, zal dit langzamerhand slijten. Maante  heeft de godsdienstige gebruiken van de nieuwe omgeving eveneens omarmd. Niet de oude, maar wel de nieuwe, die van Wodan. Die passen beter bij zijn krijgersmentaliteit.

Maante zoekt wel naar een samenvloeien van oud en nieuw. Als het allemaal maar blijft passen in het vertrouwen op Wodan, dan accepteert hij ook het geloof in de Vrouwe van het Ven dat hem met de paplepel ingegoten werd. Maante heeft ontdekt dat het godsvertrouwen een basis is, waarop de gemeenschap steeds kan bouwen. Wie hen ook in de steek laat, niet Wodan, niet de Vrouwe van het Ven. Wel moeten ze er wat voor over hebben. Er zijn grenzen aan de vrijheid van de mens. Er zijn offers nodig. Soms is het zelfs nodig een mens te offeren om de Vrouwe van het Ven tevreden te stellen. Er zijn altijd wel ongelovigen te vinden, die Haar woede opgeroepen hebben, mocht dit offeren nodig zijn. Zelfs dit uiterste middel is dan ook geen belasting voor de gemeenschap. Dan ruim je gewoon een lastpost op.

De terugkeer van Eber is voor Maante een daad van Godslastering geweest. Vrijwilligers in het Romeinse leger komen niet terug. En zeker niet zo snel, want Eber heeft niet eens zijn verplichte vijfentwintig jaar militaire dienst afgemaakt, want dan had er tussen vertrek en terugkeer vast wel 26 jaar of meer gezeten, denkt Maante. Vrijwilligers horen te sneuvelen, of maken hun dienstjaren af en gaan wonen op een stuk grond dat hen uit dankbaarheid voor bewezen diensten gegeven wordt. Hun vertrek is een breuk met het verleden. Een vrijwillige keus die iedereen kan maken, maar waarbij hij wel zijn banden met de stam verbreekt. Hij realiseert zich dat niet op het moment dat de keus gemaakt wordt. Later, veel later, komt hij erachter. Wolte, zijn naam zij vervloekt, heeft dat toch duidelijk gezegd? Alleen als ze hun eigen stam, hun eigen goden en hun eigen familie verloochenen, hebben ze een toekomst bij de Romeinen. Maante weet het. Niet alleen door Wolte, zijn naam zij vervloekt, ook door zijn eigen ervaringen bij de Romeinen. Door toch terug te keren, heeft Eber de door Wodan gewenste en geschapen orde verstoord. Wodan had hem, Maante, voorbestemd om de hoeve over te nemen. Nu is de hoeve, nee, zijn wel drie hoeves, in handen van Eber. De nieuwe “baas” zwerft meer rond dan dat hij zijn mensen leidt. Hij zegt dat dit wel kan, omdat hij zegt te zien dat iedereen zijn taken op de hoeves voldoende kent. Dan kan hij dat loslaten. Hij hoeft niet alles te controleren. Maar iedereen weet toch dat ook de baas zijn taken heeft? Wat doet die Eber als hij weg is? Dat verhaal over dat jagen kan kloppen, maar wie bewijst dat? Hij kan ook zo af en toe iemand meenemen om hem om de tuin te leiden. Die dag wordt er wel gejaagd. Maar de andere dagen? Feit is dat hij als baas tekort schiet.

Feit is ook dat Eber onbetrouwbaar is. Hij houdt verhalen achter die pas na veel aandringen verteld worden, zoals dat met dat bronzen visje. Hij doet alsof hij wat voor zijn familie te verbergen heeft. Nog nooit heeft hij verteld hoe hij aan die hengst met dat bijzondere brandmerk gekomen is. Feit is tevens dat hij de goden treitert. In plaats van leiding geven bij het maken van de meivuren, onttrekt hij zich eraan. Hij gaat zelfs achter een kalf aan, als de heilige taak die Wodan een boer oplegt al zijn aandacht zou moeten vergen. Eber heeft niet meegedaan aan het hoornblazen en het verjagen van de kwade geesten, als de dagen het kortst zijn. Waarom niet? Wat doet hij in de venen? Heeft hij zelf een band met de kwade geesten? Zei Wolte niet, zijn naam worde vervloekt, dat hij die het goed wilde hebben bij de Romeinen ook zijn goden moest verloochenen? Een ander feit is dat Eber de stamtradities met voeten treedt. De rol van de oudsten bij de keus van de echtgenote, om maar één van de vele voorbeelden te noemen, wordt door hem ontkend. Garm had het gevoel er toch wat aan gedaan te hebben. Eber is met zijn keus getrouwd, zei Garm. Garm heeft zichzelf wat wijs gemaakt. Als vader bleef hij blind voor het feit dat zijn zoon puur zijn eigen kop doordreef. Dit was toevallig ook de keus van Garm. Het had ook anders uit kunnen pakken. Alles op een rijtje zettend brengt Eber iedereen in gevaar. Zijn hoeves krijgen niet voldoende leiding. Hij roept de wraak van de goden over hen op. Zijn mensen is hij niet tot voorbeeld in het volgen van de tradities, wat enkel maar tot wantoestanden kan leiden. Zijn gedrag kan licht de afkeer van de omringende boeren oproepen. Ze zijn nu nog volledig geaccepteerd. Niemand heeft het er meer over dat ze nieuwkomers zijn. Hoelang blijft dat nog zo?

Eber probeert zelfs de door Wodan aanvaarde orde in de natuur naar zijn hand te zetten. Linzen, erwten, tarwe en gerst is ook niet alles, maar ze horen bij zijn stam. Wel mooi dat hij veredelde zaden meenam. Maar was dat misschien een manier om de aandacht af te leiden van alle andere zaden in zijn pakken? Wat hij wel niet in de grond gestopt heeft! Sommige zaden kwamen nog op ook! Sommige? Waarom niet alle? Of… Waarom zijn niet alle zaden weggerot? Wodan en de andere goden spreken nogal eens met tekens in de natuur. Is dit zo’n teken? Niet alle zaden zijn weggerot! Het is duidelijk zat dat Ebers godslasterlijke levenswijze niet door de goden geaccepteerd kan worden. Maar niet alle nieuwe zaden liet Wodan wegrotten! Wodan laat ruimte voor zijn volgelingen om te laten zien waar ze staan! Zij zijn het die Zijn werk af kunnen maken, of niet… Zij krijgen de kans zich te bewijzen, door te laten zien dat ze aan zijn kant staan. “Wodan! Ik heb u begrepen! Ik zal doen wat u verlangt!”, roept Maante uit.

“Ik ben Hermen! Ik ben Wodan niet! En ik riep je alleen maar voor het eten…” Maante ziet zijn broer met een verbaasde blik voor zich staan. Even verbaasd is hijzelf. Maante veert op van de boomstronk waarop hij zijn gedachten op een rijtje probeerde te zetten. Hij loopt met Hermen mee, maar hij is er niet bij. Hij eet, maar hij proeft het niet. Wodan heeft hem geroepen voor iets groots. Zij naam zij geprezen! En Wolte en Eber zijn vervloekt.

Vorig artikelErvaring bij het determineren
Volgend artikelMeld je vondst bij het Hunebedcentrum

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.