Een dag na Maantes dood is het leven op de hoeves weer opgepakt in het patroon dat al generaties lang onveranderd gebleven is. Kleine Bernt is het hoofd aan het vuur van Het Offer Waarover Niemand Spreekt, zoals men Maante nu nog noemt. Een groepje jonge vrouwen en mannen loopt de bossen door en bij de riviertjes langs, om de strikken, fuiken en netten te controleren. Onder leiding van Adal zijn enkele onvrijen het woud ingelopen, op zoek naar bomen waaruit gebinten voor Ebers nieuwe hoeve gehakt zullen worden. Eber heeft dit zelf op zich willen nemen, maar Rana zei dat dit niet kon. Eber moet eerst naar de dubbele voorde, waar zijn zuster en zwager nieuws voor hem hebben. Wat dan? Niet vragen jongen, gewoon gaan, zei Rana. Eber neemt zijn pijl en boog van de haak en gaat te paard op pad. Als hij verderop aan het Diepje bij de dubbele voorde aankomt, draagt hij een jonge ree over zijn schouders. Die zal hem goed gaan smaken. Daarmee kan hij als geziene gast plaatsnemen aan het vuur. Anders ook wel, maar wat is er tegen om wat mee te nemen?

In de deur van zijn zusters hoeve staat een man op hem te wachten. Het zal Ragan wel zijn, zijn zwager. Als Eber dichterbij komt ziet hij dat het Ragan niet kan zijn, daarvoor is de man te oud. Nog dichterbij gekomen, ziet hij zulke grote overeenkomsten met zijn overleden vader, dat hij moet denken aan een neef van Garm, die nogal sterk op hem leek. Maar leefde die dan nog? De overeenkomst is wel érg sterk, denkt hij als hij het boerderijtje op zo’n honderd passen genaderd is. Maar dat kan toch niet? Als je niet beter weet zal je denken dat het écht Garm is! Op een afstand van dertig passen blijft hij staan. Zwijgend laat hij zijn ree op de grond zakken en stapt van zijn paard. Al die tijd heeft de oude grijze man hem strak aangekeken, zonder ook maar een woord tegen hem te zeggen.

Alleen het ruisen van de wind in de takken van het woud is te horen, als Eber als door de bliksem getroffen lijkwit op zijn plaats blijft staan. Garm breekt het ijs: “Je ziet het, ik leef nog!” Eber komt weer in beweging. Zonder één woord te zeggen pakt hij zijn ree weer op en loopt pal langs Garms lijf zijn zusters hoeve binnen, waar de familieleden hem dol enthousiast ontvangen. De dood gewaande Eber was terug. De dood gewaande Garm ook, maar die heeft heel wat uit te leggen, denkt Eber. Waar was hij al die tijd? Waarom heeft hij niets van zich laten horen? Eber lijkt Garm eerst te negeren, zo kwaad is hij. Wat voor rotstreek heeft zijn vader met hem uitgehaald? Als tegen de avond de ree boven het vuur hangt, weet Eber meer.

“Ik was niet alleen, die dag dat ik verdween”, vertelt Garm. “Ik ben ook wel eens alleen op jacht geweest, maar dat is me na een keer of twee al zo gaan vervelen, dat ik daar de brui aan gaf. Als ik daarna zogenaamd alleen op jacht ging, was ik met Wolte. Dat Wolte uitgestoten werd, was volkomen volgens onze stamwetten. Maar ik vond die in dit geval hoogst onrechtvaardig. De Romeinen hadden hun beloften gebroken. De desertie van Wolte was alleen desertie in de ogen van de Romeinen. Omdat ze hun beloften niet nagekomen waren, was er in wezen al geen sprake meer van een overeenkomst. Wolte stond dan ook volkomen in zijn recht toen hij de koopman die hem bedrogen had later ter verantwoording riep. De mensen die dat niet wilden zien, lieten zich vooral leiden door hun eigen behoefte om handel te drijven. Wolte werd daaraan opgeofferd. Ik heb het dan ook nooit kunnen accepteren dat Wolte uiteindelijk uitgestoten werd.

Omdat jij waarschijnlijk dood was, en ik na de dood van je broers geen zonen meer had, en Wolte behoefte had aan contact met mensen, zochten we elkaar regelmatig even op. Eigenlijk moet ik zeggen: Wolte zocht mij op. De eerste keer was Wolte radeloos. Hij wilde zich aangeven om gedood te worden. Dat liever dan nog langer de eenzaamheid dragen. Hij wilde dat met mij bespreken. Ik heb hem dat afgeraden en voorgesteld contact te houden. Verder kende ik nog enkele vertrouwelingen die het niet met de gang van zaken eens geweest waren. In feite waren veel boeren uit het stroomgebied van ons Diepje op Woltes hand geweest, maar ze hadden zich net als ons bij de stamwetten neer moeten leggen. Toen ik weer van de jacht leerde genieten, had ik een manier gevonden om in alle rust met Wolte erop uit te trekken. We hoefden het niet meer te hebben van korte nachtelijke contacten. In de venen was op afstand toch niet te zien met wie ik optrok. De dag dat ik verdween zijn Wolte en ik samen door het ijs gezakt. Er moet een wel in het veen gezeten hebben, die van onderop water tegen de ijslaag deed stromen, zodat die dunner en dunner werd.

De kou had me bevangen, direct nadat ik met een gil voor eeuwig in het meer dacht te verdwijnen. Wolte vertelde me dat hij met veel inspanning uit het wak geklommen was en tot de ontdekking kwam dat ik nog onder het ijs moest liggen. Hij is er weer ingesprongen. Met veel moeite wist hij mij te vinden. Hij kreeg het voor mekaar mij op het ijs te duwen, maar mijn ziel wilde niet terugkomen. Nadat mijn longen leeggelopen waren ademde mijn lichaam weer. Ikzelf was er niet. Wolte sleept me naar de hut in het veen. Hoe hij ook stookte, mijn lichaam werd warm maar mijn ziel wou niet terugkomen. Wolte wist eerst niet wat te doen. Hij kon mij moeilijk naar huis brengen. Ze konden hem onderweg als uitgestotene zo doodschieten! Uiteindelijk besloot hij me naar Lutten te brengen. Die boeren daar aan de andere kant van het moeras gingen nooit met ons om. Ze kenden ons niet, en hoefden zich ook niets aan te trekken van onze stamwetten. Wolte heeft mij op een slee van berkenpaaltjes over het bevroren moeras gesleept. Stel je eens voor, dat hele eind, een man te voet en een man op een slee, oftewel: op lange berkenpalen over zijn schouders en dan over de grond slepen, en ik dik ingepakt in huiden daarop. 

Hij bracht me naar een boer die als behulpzaam bekend stond. Als kind was hij er eens geweest, toen zijn vader er een koe kocht. Hij vertelde de boer dat hij op doorreis was en in het veen een onbekende gevonden had, die hij van de verdrinkingsdood gered had. Geen boer kan zo ongastvrij zijn een hulpeloze te weigeren. Ze namen me dan ook op bij hun vuur en verzorgden me. Gelukkig kwam mijn ziel na een dag of wat weer terug. Ik wist alleen niet wat er gebeurd was. Wolte vroeg de boer in de omgeving te vertellen dat er iemand gevonden was, dan zou hijzelf ten noorden van het moeras aan boeren doorgeven dat een onbekende bij hen in huis was. Diezelfde nacht nog ging hij naar Rana, die ook contact met hem gehouden had. Ze zou me de volgende dag kunnen laten halen. Maar de oude geslepen tante had wat anders in haar hoofd!

Jij Eber, jij was mijn enige erfgenaam. Maar zou je de leiding over de hoeves aankunnen? Je weet genoeg, maar zou je ook met Maante om weten te gaan? Rana had het gevoel dat Maante te zeer in zijn eer gekwetst was om onder jouw leiding te leven op hoeves die hij ooit zichzelf toebedacht, had als mijn erfgenaam. Jouw terugkomst had mijn problemen opgelost, maar een streep door zíjn rekening gehaald. Als de mensen voorlopig in de waan bleven dat ik dood was, zou het zich vanzelf wel uitwijzen of jij, Eber, de leiding aan zou kunnen. Als het mis ging, kon ik weer opduiken en mijn bezittingen opeisen. Als het goed ging, kon ik ook weer boven water komen, maar ik had dan de keus om weer boer te worden of me terugtrekken. Dat beviel me eigenlijk wel, de rust van het veen, de jacht, de hut. En ik hoefde geen hoeve meer te leiden. Per slot van rekening had ik me al lang genoeg druk gemaakt om mijn vee. Die Rana had dat mooi uitgedacht, zonder mijn medeweten en zonder overleg. Dat overleg kwam pas een paar dagen later. Ik heb toen ingestemd met haar plan. Ik woonde toen al bij mijn dochter bij de dubbele voorde. Rana had haar en Ragan gevraagd mij op te halen uit Lutten. Ze zouden maar moeten zeggen dat ik die neef was van Garm, die naar het oosten getrokken was. Die is al een jaar of wat dood, maar wat geeft dat! Vanaf dat moment ben ik mijn eigen neef, draag zijn naam, en heb ik aan het vuur van mijn dochter de rust gevonden waar ik al zolang naar gezocht heb. Ik ben De Grijze, en als ze mijn naam noemen heet ik Ebbe, de zoon van Aldrik, de zoon van Hermen de Hakker”.

Eber luistert naar het verhaal van zijn vader terwijl in hem verdriet en terneergeslagenheid vechten met kwaadheid en opstandigheid. Blijkbaar was hij mislukt als leider. Blijkbaar had men dat ook wel aan zien komen. Maar wie heeft geprobeerd om Maante in toom te houden? Niemand toch? Terwijl in een paar dagen tijd alle zekerheden van het bestaan aangetast lijken te zijn, zit zijn vader rustig te vertellen alsof het een familieherinnering betreft, een verhaal van generaties geleden, dat de ouderen van vader op zoon doorvertellen. Hoe kwam hij aan die rust? Was Garm niet de man die zich tot in het holst van de nacht bezig gehouden had met zijn familie en het vee? Kon hij dit nu allemaal zomaar loslaten? Was er nog wel iemand te vertrouwen? Was er één mens in zijn leven die nog wél de waarheid uitgedragen had of die hem nog níet in de steek gelaten had? Iedereen heeft “voor zijn bestwil” zich in alle mogelijke bochten gewrongen. Niemand heeft hem gevraagd wat hij zelf wilde of dacht dat het beste voor hem was. Onder het mom van hulp zijn Ebers waarden met voeten getreden. Althans, dat is de manier waarop hij het op dat moment beleeft. Als Grijze Garm, alias Ebbe van Aldrik, de rest van zijn verhaal vertelt, slaat Ebers gevoel om in berusting. Hij laat alles over zich heenkomen als was het een zware regenbui in open veld. Je kunt er niks aan doen en als je er middenin zit kun je er maar beter van genieten. Er is zoveel dat verwerkt moet worden, dat de tijd daarvoor te kort is en de normen en waarden niet meer lijken te voldoen. Garm is ook op de hoogte van de dodelijke pijl, Ebers pijl, die stak in de borst van de zinkende Maante

Vorig artikelDe Prehistorie van werktuigen, lijm en materialen deel 1/3
Volgend artikelAWN vult vitrine in Museumcafé

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.