dToen na de brand het gebeente van Eber en Hilde verzameld werd, miste Maante de herkenbare gedeelten, zoals bijvoorbeeld de schedels. Maar het komt wel vaker voor dat deze het vuur niet helemaal goed doorstaan. Alhoewel, dan was er altijd wel wat van over. Maante zette de twijfels uit zijn hoofd met de gedachte dat Wodans wens geschied was, toen Rana met haar bevestiging alle twijfels wegnam. Eber, Hilde en Akke waren dood. De goden hadden hen weggenomen. Daar was geen twijfel aan. Ze waren dood en Wodan zal zelf voor het schedelmysterie gezorgd hebben. Misschien om twijfelaars op de proef te stellen? Ebers terugkomst was een zware schok. Wat was er misgegaan? Het beste leek toen dat hij hem in “blijdschap” aanvaardde, dat moest het althans lijken, zodat hij meer tijd kreeg om er over na te denken. Ebers verhaal leek geloofwaardig, voor wie tenminste uitgaat van de bescherming van de Vrouwe van het Ven. Wie anders moet hem van het naderende onheil op de hoogte gebracht hebben? En toen kwam die vraag van Kleine Bernt…

Wat moet hij ermee, denkt Maante, als hij rond de middag even terugkomt van zijn akker en tijd vindt om zijn gedachten op een rijtje te zetten. Uiteindelijk vindt hij de sleutel tot de Waarheid. Er is geen twijfel over mogelijk dat Eber en iedere daad die er door hem verricht wordt, spot met de wijze waarop Wodan geëerd wenst te worden. De manier waarop Eber aan de dood ontsnapte was bovenmenselijk. Wie krijgt beelden van de toekomst? Wie weet wat er gebeuren gaat? Is dat niet enkel weggelegd voor hen die door Wodan als trouwe dienaren gezien worden? Wodan? Zouden ook Wodans goddelijke vijanden niet tot de mens kunnen spreken? De Vrouwe van het Ven? Of die andere god van Eber? Maante heeft het probleem onderschat! Terwijl Wodan zijn vijanden verslagen lijkt te hebben, en in het Walhalla de overwinning viert, is er een onzichtbare god die op aarde probeert de strijd opnieuw aan te gaan! Eber is zijn vazal, samen met Hilde is hij tegenpartij in een geestelijke strijd met hier op aarde een slagveld, en alleen hij, Maante, kan voorkomen dat het misgaat! De zoon van de god van de bronzen vis en de macht van de Vrouwe van het Ven moeten vernietigd worden.

Maante trilt op zijn benen en zweet over zijn hele lijf als hij terugloopt naar zijn hoeve. “Wat is er gebeurd vader?”, vraagt Kleine Bernt, als hij de bleke verschijning op hem af ziet komen. Stamelend vertelt Maante van de openbaring die hij gehad heeft. Hij weet waarom Eber en Hilde nog leven. Wodans vernietigende vuur zou uitwissen wat er misgegaan was in hun familie. Maar Eber had een vijandige god op zijn hand. De bliksem was nog maar een voorbode geweest. Niet meer dan een teken. Als er niet snel wat gebeurde, zal de familie door een nog zwaardere straf getroffen worden! De toorn van Wodan zal op hen allen neerdalen! Wodan had zich een offer uitgezocht, dat door zijn vijanden ontnomen was. Wodan moet en zal dat offer ontvangen voordat de hele familie geofferd zal worden! “Eber moet sterven!”, zijn Maantes laatste woorden, voordat hij badend in zijn weet door alle emoties flauwvalt. Als hij bijkomt ligt Eber naast hem, vastgebonden met enkele repen koeienhuid. De Romeinse soldaat met 25 jaar ervaring op het slagveld was er niet op verdacht dat een onvrije met een bongel bij hem in de buurt kwam, en hem van achteren een tik tegen zijn hoofd gaf. Hij zeeg in elkaar zonder ook maar één kik te geven. De onvrijen hadden Maantes laatste woorden als een opdracht gezien. “Maantes geest is bij Wodan geweest!”, mompelen de vrijen en onvrijen. Ze wachten op wat Maante zeggen zal. Hij gaat overeind zitten en tast om zich heen. Ja, die buidel, die moet hij hebben. Zwijgend pakt hij zijn runenstokjes. Hij strooit de beukenhouten stokjes met runentekens voor zich uit op de grond. Als hij het eerste stokje oppakt en Wodan aanroept, leest hij als teken: dood en ellende! De mensen sidderen. Het tweede stokje: vuur, oorlog, de pest! Zwijgend en zwetend kijkt men elkaar aan. Bij het derde stokje kijkt Maante Eber recht in de ogen. Hij mompelt: “Wodan zegt dat jouw offer alle ellende zal keren”.

Als men hem oppakt krijgt, Eber de kans nog een blik rond het vuur te werpen. Hij ziet alle mensen die hem tot dan toe lief geweest zijn en die hem in hun midden opgenomen hadden, behalve Rana. Hij wil schreeuwen: “Laat me los!”, maar zijn woorden worden gesmoord in de koeienhuid die zijn mond snoert. Zijn handen doen zeer van de ingesneden nat gemaakte strook huid, die al drogend verder toeknijpt. Zwijgend lopen de vrijen en onvrijen achter Maante aan. Een van hen blaast zware, ijzingwekkende diepe tonen op een lange runderhoorn. Maante mompelt, of roept kreten en formules die door de mensen als heilige woorden uitgelegd worden. Eber hangt aan een boom, gedragen over de schouders van enkele onvrijen, zoals je een hert of een dood zwijn van het jachtveld meeneemt. Bij de rand van het veen houden ze stil. De klanken van de runderhoorn veranderen van ritme. De draagstok die tussen Ebers gebonden armen en benen zit, wordt verwijderd. Hij ligt in de bente te wachten op wat komen gaat. Zijn hoofd is vuurrood van de duizend gedachten en blinde woede, die samen door zijn ziel snijden. Maante maakt de riem los, waardoor zijn spraak belemmerd werd. “Spreek”, zegt hij. “Vertel de mensen hoe je hen naar de ondergang wilde leiden. Vertel hen van de onzichtbare god die je van het vuur redde.” Wat moet Eber zeggen? Moet hij opbiechten dat het maar een verzinsel was van dat voorgevoel en dat ze in het veen gegaan waren omdat de hond doodging? Wie zal hem nog geloven! Zal het hem nog kunnen redden als hij vertelt wat Rana voor gedachten had over de brand? Moet hij Maante vragen waar zijn muts gebleven is? Moet hij sterven als die andere volgelingen van de onzichtbare god, die zingend in de arena’s gestapt waren? Niets zal hem nog uit deze situatie kunnen redden. Maar één ding moet hij nog kwijt. Woest bijt hij Maante toe: “Je hebt gelijk, er wordt hier een strijd uitgevochten! En ik heb me laten dopen door een prediker van de onzichtbare god. Zó kwam ik aan mijn bronzen visje. Je kunt mij verzuipen, maar staat zelf machteloos tegenover die god. Jij bent een vazal van een god uit het Noorden die niks met onze Vrouwe van het Ven te maken heeft. Hij bent een verrader van ons volk Maante de laffe brandstichter!!!”

“Pak hem bij de benen!”, blaft Maante Kleine Bernt toe, terwijl hij Eber bij zijn armen grijpt. Anderen hebben hem bij de benen. Zo staan ze aan de rand van het ven. Ze slingeren hem tussen hen in op en neer. De runderhoorn valt nu stil. De laatste klanken ­sterven weg. De dreigende stilte wordt enkel doorbroken door wat Maantes laatste woorden zullen worden: “Eén, twee…” Als Eber na de “twee” voor de laatste keer teruggehaald wordt om bij de “drie” met kracht in het veen geworpen te worden, laat Maante hem los. Kleine Bernt raakt uit zijn evenwicht en ploft naast hem in de bente. Maante staat voorover gebogen op de rand van het moeras en zakt langzaam voorover. Water en modder spatten omhoog als hij kopje onder gaat. Hij zakt weg, nadat hij nog één keer met rollende ogen de wal heeft proberen te grijpen, terwijl hij liggend op zijn rug naar de azuurblauwe lucht staart. In zijn borst steekt een pijl. Een pijl die door niemand afgeschoten lijkt te zijn. Geen van de mannen heeft een boog bij zich. Dan ineens roept Rana. Waar komt ze vandaan? Niemand heeft haar gemist, behalve Eber. Maar ze is er, alsof ze niet weggeweest is, alsof ze alles meegemaakt heeft. Ze roept: “De Vrouwe van het Ven wilde een offer om de ellende van onze familie weg te nemen. Maante had ongelijk. Eber wordt beschermd door de Vrouwe en en de Vrouwe van het Ven heeft haar eigen offer uitgezocht!!” Meteen snijdt ze Ebers pols- en beenriemen door. Opgelucht halen de mensen adem, terwijl Eber over zijn blauwe plekken wrijft. De goden zijn gerustgesteld. Welke het ook maar waren. Maar die pijl uit het niets en dat offer dat werd aanvaard, dat is een duidelijk teken.

Als de vrijen en onvrijen onder de indruk van de gebeurtenissen naar hun hoeve lopen, mompelt Rana wat voor zich uit. “Wat zeg je?”, vraagt Eber, die naast haar loopt. “Ik zei tegen mezelf: wat zijn de mensen gauw tevreden. Ik geef ze een verklaring voor Maantes dood die bij de situatie past en iedereen is weer gelukkig”. Eber staat even stil en kijkt haar verbaasd aan. Wat weet ze? Waar was ze? Maar nog belangrijker is de vraag waar de pijl vandaan kwam. Want die pijl, dat was één van de beide pijlen die op onverklaarbare wijze uit zijn hut verdwenen waren! De pijl die Maante doodde was door Eber gemaakt. “Heb je die pijl gezien, oma?” Rana zwijgt. Eber vraag het nog een keer. “Over de geofferden wordt niet meer gesproken”, vermaant Rana hem. “Ik heb het niet over het offer, ik heb het over de pijl! En voor de rest geloof jij die onzin van het offer van de Vrouwe van het Ven zelf ook niet.” Rana schudt haar hoofd. “Het geeft niet wat je zelf gelooft, het komt erop aan wat de familie blijft geloven.”

Kleine Bernt, de zoon van Maante, komt naast hen lopen. “Ik had je bijna gedood Eber! Kun je mij vergeven?” Eber denkt na en antwoordt: “Je was misleid, zoals je vader dacht dat ik hem misleid had”. Kleine Bernt zucht. “Wodan is mij genadig geweest. De Vrouwe van het Ven nam mijn vader als offer en Wodan stond dat toe, terwijl ook ik mijn hand aan je sloeg. En door mijn vader te nemen, heb ik nu een hoeve gekregen. Wodans wegen zijn ondoorgrondelijk. Wie beloont er nu een misdadiger?” Eber zwijgt. Er zijn zovéél onbeantwoorde vragen. Hij verbaast zich over de nuchterheid waarmee Kleine Bernt over de dood van zijn vader spreekt. Op dat moment. Verderop staat Kleine Bernt even stil, kijkt achterom en zegt stil voor zich uit…. “Maar het was wel mijn vader…..” Wat dan vooral blijft is de verbazing over alles wat er is gebeurd. Voor zover er na zo’n indrukwekkende dag nog verbazing mogelijk is. Wie had ooit kunnen denken dat een ogenschijnlijk zo rustige familie in zo korte tijd tot het doden van een bloedverwant in staat zou zijn? Wie had kunnen denken dat een ter dood veroordeelde zo snel weer opgenomen zou worden? Werd er trouwens gedacht, of liet men anderen voor zich denken? Die avond wordt de stilte nogmaals doorbroken door de dreigende tonen van de lange runderhoorn. Het offer was gebracht. Er kon een nieuw begin worden gemaakt. Het blazen op de hoorns, het slaan om eenvoudige trommels van uitgeholde boomstam en op raam gespannen huid, ze waren de traditionele middelen voor het afsluiten van een dag van verzoening tussen mens en god.

Vorig artikelHunebedcentrum lanceert Oerverhalen-App
Volgend artikelGeschiedenis van Pesse

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.