Hilde en Akke nemen bij de eerste sneeuw hun intrek in Ebers nieuwe boerderij. Twee jaar na zijn thuiskomst. De lange winteravonden kwamen erg ongelegen. Eber prakkezeerde teveel, vond Hilde. Waar zat hij mee? Stukje bij beetje vertelde hij het verhaal dat Garm hem gedaan had. Dat die nog leefde wist ze al veel langer, maar het hoe en waarom van diens herrijzenis was voor haar tot dan toe een mysterie gebleven. Iedere keer als ze het gesprek in die richting omgebogen had, kreeg ze het gevoel dat ze teveel vroeg. Op één van die lange winteravonden komen onaangekondigd een stel boeren uit de omgeving op bezoek. “Is de zoon van de Grote Moeder thuis?” Eber reageert niet. De mannen zien hem zitten bij het vuur. “Eber, je bent er dus wel!”, zegt de oudste. Eber maakt hen duidelijk dat zijn naam niet “de zoon van de Grote Moeder” is. Hij weet wel dat hij zo genoemd wordt. Zijn wonderbaarlijke reddingen hebben de mensen op het idee gebracht dat hij volledig door de Vrouwe van het Ven beschermd wordt. Maar hij is toch echt Eber, de zoon van Garm. Los daarvan, ze zijn welkom. De boeren gaan zwijgend rond het vuur zitten. Eber staart met grote ogen naar het stuk leer dat ze uitrollen, en waar ze een rijk versierde stok uithalen. “Wat heeft dit te betekenen?”, vraagt hij. Eigenlijk weet hij door de stok het antwoord ook al. Enkele dagen daarvoor is de Ette uit zijn omgeving overleden. Doordat de boeren hem de Etstok brengen, weet hij dat hij als de nieuwe Ette gekozen is. De oudste spreekt: “Jij hebt veel in je leven meegemaakt. Jij bent zelfs bij de Romeinen geweest. Je weet hoe je vechten moet en zult ons kunnen leiden, als het er op aankomt. We vertrouwen erop dat je ook namens de stam en de oude stamwetten recht kunt spreken, samen met de andere Etten. En als beschermeling van de Grote Moeder, de Vrouwe van het Ven, zal met jouw wijsheid ook diens zegen ons deel zijn.”

Ongewild en ongevraagd wordt hem de grootste eer in de schoot geworpen die binnen de stam te behalen is. Eber realiseert zich dat maar al te goed. Weigeren is een belediging. Hij neemt de Etstok op en houdt hem omhoog. “Ik dank jullie allemaal. Ik hoop jullie vertrouwen niet te schaden en hoop dat ons leven zo moge verlopen dat mijn leiding zo min mogelijk nodig zal zijn.” De mannen vertrekken weer. Tot de volgende Lotting, na de oogstfeesten van het komende jaar, is er weinig of niets voor een Ette te doen, mits er geen strijd uitbreekt. Een grote oorlog kennen ze amper, maar een gevecht met een rondstruinende bende, of een andere familiegroep die om wat voor reden op drift is geraakt, dat komt wel zo nu en dan voor. Nog niet veel werk dus voor een Ette, maar de status en eer gelden in alle seizoenen. Als Eber de nieuwe situatie een paar dagen later bij de dubbele voorde met zijn vader bespreekt, is die alleen maar positief. De oude Garm feliciteert zijn zoon. Hij is trots op zijn jongen. Eber blijft twijfelen. De mensen kennen hem niet echt. Was het wel goed geweest om terug te komen? Was hij niet zoveel Romein geworden dat hij beter bij hen had kunnen blijven? Of was hij toch nog voldoende kind van zijn eigen volk gebleven om dat te kunnen leiden? Hoorde hij aan het Drentse beekje of aan de Romeinse rivier?

“Waarom ga je niet terug?”, was Garms nuchtere reactie. “Niet om weg te blijven, maar waarom ga je niet eens rondkijken in de garnizoensplaats waar je Romeinse leven begonnen is? Misschien vind je daar het antwoord op je vragen?” Garm legt uit dat hij graag met Eber mee wil. Aan de andere kant is het ook zijn eigen wens om nog één keer in zijn leven een lange reis te maken, naar één van de plaatsen waar hij als jongeman geweest is. Eber kan ook zijn begeleider zijn! Eber bespreekt het idee met Hilde, die er eerst niets van moet hebben. Ze zou een maand of twee alleen op de hoeve achterblijven, terwijl daar veel werk verzet zal moeten worden. Rana weet haar van het nut van de reis te overtuigen. Als Eber zichzelf gevonden heeft, zal alle moeite zich dubbel en dwars terugbetalen. En Rana zal haar bijstaan in de leiding over de onvrijen, samen met Gert van Taarlo, een arbeider met verstand als een boer. Eber zal door de reis alleen maar zien dat hij bij hén thuishoort, zijn haar geruststellende woorden. Hermen is boos. Hij woont nu bij Eber, omdat die goed met hem om kan gaan. Hermen is boos omdat zijn vriend weer weggaat.

Als in het voorjaar van het 8e jaar van Keizer Trajanus (105 n. Chr.) de bladeren weer aan de bomen komen, vertrekt Eber naar de dubbele voorde. Een plaats waar dicht bij elkaar twee doorwaadbare plaatsen in de oude beek zitten. Hij doet het zogenaamd om Ebbe op te pikken. Hilde kijkt hem na met Akke op de arm, tot hij verdwijnt achter de bomen. Bij de dubbele voorde staat “Ebbe” hem al bij zijn paard op te wachten. Ebbe heeft zoveel gereisd, vertellen de mensen, dat hij een passende begeleider voor Eber zal zijn. Ouderdom speelt geen rol. Zolang “Ebbe” de kracht voelt om dagen achtereen te rijden, is hij jong genoeg. Garm is al zo gewend aan zijn nieuwe naam, dat hij haast niet anders meer weet. Als ze de hoeve van Garms dochter uit het oog verloren hebben, maakt zich een donkere figuur van de bosrand los, terwijl ze het pad langs het Diepje vervolgen. “Hé”, wordt hen nageroepen. “Jullie gaan toch niet zonder mij!” Het is Wolte, de uitgestotene. Hij rijdt op een prachtig zwart paard. “Hoe kom jij aan zo’n mooi paard?”, roept Garm. “Hoe komt een hond aan vlooien?”, is het antwoord. “Maar laat me met jullie meegaan! Ik ben het verstoppertje spelen hartstikke zat. Ik wil mijn oude garnizoensplaats zien en ik krijg zo de kans om zonder geheimzinnig gedoe met jullie te praten. Hier ben ik Wolte, de uitgestotene, maar buiten ons gebied ben ik gewoon één van de vele vreemdelingen.”

Eber en Garm kijken elkaar een keer aan. Er hoeft niet eens over gepraat te worden. Wolte kan ook mee. Eber heeft niet meer met Wolte gesproken sinds de korte nachtelijke ontmoeting, na enkele onrustige dromen. Hij en Wolte hebben dan ook heel wat te bepraten. Ze rijden in alle rust door bossen, over heide, langs riviertjes, dorpen en boerderijen. Onderweg praten ze, ’s avonds aan het vuur praten ze, ’s nachts liggen ze nog te praten. Ze hebben alle drie heel wat in te halen. Eber vertelt ronduit over zijn belevenissen in Rome, met de prediker, die hem ondergedompeld heeft, kort voordat hij stierf. Hij vertelt wat die prediker voor verhalen overbracht. De prediker vertelde over liefde, over het licht dat over de wereld zou schijnen en over het leven na de dood. Eén verhaal wil Wolte keer op keer horen: dat van een rijke jongeman. Hij deed alles wat zijn God wilde, maar liep beschaamd weg toen de zoon van die onzichtbare God hem vroeg zijn bezittingen weg te geven. Het verhaal fascineerde Wolte, zonder dat hij aan kon geven waar het hem in zat. Wolte vertelde over het eenzame leven in de bossen, over de tochten naar andere streken, die hij zo nu en dan maakte en over hoe hij zijn paard gestolen had van een hebberige koopman. Steeds verder rijden ze zuidwaarts. De garnizoensplaats is bereikt voor ze er erg in hebben.

Eber en Wolte waren gelegerd geweest in Ulpia Noviomagus Batavorum (Nijmegen), bij het Tiende Legioen Germina. Ze waren daar als jongens aan het werk gezet bij een steenbakker. Ze hadden meegeholpen bij de bouw van de vesting. Aanvankelijk was de vesting niet meer geweest dan hout en zandwallen, maar hij werd helemaal opnieuw opgetrokken in steen. Met z’n drieën reden ze nu na al die jaren door de straten van de stad. Ze keken hun ogen uit. Wat was er wat veranderd sinds ze daar gewoond hadden! Dat was ook al weer heel wat jaren geleden, want met dat ze wat ouder geworden waren, waren ze als soldaat naar een andere plaats vertrokken. Zou Quartus nog leven? Quartus, de steenbakker, was hun patroon geweest. Ze zoeken en vinden zijn woning. Quartus?, Nooit van gehoord. O, die oude steenbakker, die woonde in het armensteegje verderop. Quartus was oud, werkloos en ziekelijk. Alles wat hij nog kon bekostigen, was een krot. Eber en Wolte? Ja die kon hij zich nog wel herinneren. Of toch niet. Het was al weer zolang geleden en hij had ook zoveel jongens voor zich aan het werk gehad. De herinneringen die bij hem bovenkomen, worden door Eber en Wolte niet herkend. Quartus was hen vergeten. Misschien de ouderdom? Het ging slecht met Quartus, net zo goed als het slecht ging met de stad. Een jaar geleden was het Tiende Legioen Gemina weggetrokken. Er was nu slechts een kleine eenheid soldaten bij de stad gelegerd, waarvan noch Eber noch Wolte iemand kende.

Als Eber een soldaat aanspreekt, wordt hij met de neus op de feiten gedrukt. Zijn latijn heeft inmiddels al weer een zwaar accent. Is hij een Romein? De soldaat moet lachen. D’r denken d’r zoveel dat ze Romein zijn. Komen ze uit het noorden? Dan kunnen ze ook maar beter weer vertrekken in die zelfde richting. De soldaten hebben al last genoeg met de plaatselijke bevolking. Pottenkijkers kunnen ze er niet bij gebruiken. Als Eber nog mocht twijfelen over zijn Romeinse identiteit, is hij er na een paar contacten achter dat geen Romein hem meer als één van hen beschouwde. Alleen bij de weduwe en de al wat oudere kinderen van Lucius Cassius Clemens zijn ze welkom. Ze bezoeken samen diens graf. Hij is gesneuveld in een handgemeen even verderop. Vroeger had hij veel contact gehad met Eber en Wolte. Eén overnachting, en dan hebben ze het wel bekeken. De stad is niet meer wat het geweest is en zal het misschien nooit meer worden ook. Noch Eber noch Wolte voelen zich er thuis. Deze wereld is niet de hunne, dat is duidelijk. Maar of ze zich in Drenthe wél op hun plaats voelen is een andere vraag.

Je wordt door waar je woont en met wie je woont. Je verandert door wat er voor invloeden o je af komen, in je oude wereld, of door een stap naar een totaal andere wereld. Je komt terug en je blijkt alleen nog dezelfde te zijn door je inmiddels ouder geworden lijf. Jij, je ik, ben je nog een schaduw van wie je was? Of was die mens uit dat verleden de schaduw, en ben jij jezelf zoals je dan bent? En hoe komt je weer in evenwicht met mensen die de veranderingen niet hebben meegemaakt die jij wel hebt meegemaakt? Dat is al zo moeilijk. Maar als het dan ook nog gaat over de grotere levensvragen en er botsen drie religieuze belevingswerelden op elkaar? De Eber, die vertrouwde op de Vrouwe van het Ven, ontmoette een Romeinse wereld met tientallen goden en kwam terug naar de wereld van de Vrouwe met één onzichtbare Heer. De wereld rond het Oude Diep was niet alleen meer de wereld van de Vrouwe. Daar waren de verhalen van de volgelingen van Wodan uit het verre noorden doorgedrongen. Waar je ook naar terug wilde keren, het was niet meer mogelijk. Het was nooit meer mogelijk. Hoe kon je zowel jezelf als je omgeving weer in evenwicht brengen. Dat was ook een heel andere vraag. Een vraag voor een nieuw begin, zo realiseert Eber zich, als hij samen met zijn vader en Wolte terugrijdt naar het noorden. Naar de veenmoerassen en de hoeves rond het Oude Diep.

Vorig artikelDe verborgen grottekeningen van 17.000 jaar geleden (Les Eyzies, Frankrijk)
Volgend artikelDe Prehistorie van werktuigen, lijm en materialen deel 3/3

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.