Van oudsher is de mens een jager, dit was voornamelijk voor voedsel en grondstoffen. Een van de onderdelen van het jager zijn was het vinden van dieren. Bij jagen denken we nu aan speerwerpen en boogschieten, maar eigenlijk is de jacht het zoeken van het dier en het prepareren van de prooi. Zonder prooi, geen eten of grondstoffen. In dit artikel ga ik verder in op hoe je het dier vindt.

Rendierjagers, klaar voor de jacht.

Eten zoeken

Het was belangrijk eten op tafel te krijgen, maar hoe vind je het eten? Men was toen vele malen kundiger in het zoeken van dierensporen dan wij tegenwoordig. Zelfs insecten laten sporen achter hoe klein ze ook zijn. Men is in de loop van de tijd het kunnen vinden en het zoeken van sporen verleerd. Maar zonder dat je het weet ben je er vast wel mee in aanraking geweest. Tegenwoordig wordt het sporen zoeken niet meer voor voedsel gebruikt, maar is het altijd leuk om met een bepaalde blik door het bos te lopen.

Eten uit de oertijd.

Sporen van voeten en poten (afdruk maakt indruk)

Dit is één van de bekendste methodes om een dier op te sporen.
Al weet niet ieder wat voor info er allemaal in zo’n pootafdruk af te lezen is. Een pootafdruk kan verraden om welk dier het gaat, maar ook hoe zwaar of groot het dier is. Zo konden ervaren jagers aan de pootafdrukken aflezen welke richting het op ging, hoe groot de groepen waren en/of er een gewond dier bij was.

Uitwerpselen oftewel poep

Aan poep kun je zien of het dier een planteneter (herbivoor), een vleeseter (carnivoor) of een alleseter (omnivoor) is. Planteneters hebben vaak nog wat onverteerde plantenresten in de ontlasting zitten, doordat planten op zichzelf lastig te verteren zijn. Vaak kun je nog wat stengels en/of grasresten in de poep zien zitten. Bij vogels zitten er zelfs nog pitten in de ontlasting, wat verspreiding van de plant/boom ten goede komt.
Vleeseters hebben minder resten in de ontlasting, maar de uitwerpselen zijn door eiwitrijk voedsel vele malen sterker in geur en smeuïger. Het enigste wat je hier nog in de poep kunt zien zijn veren en haren.
Een andere vorm van uitwerpselen zijn braaksporen. Zo kom je nogal eens een braakbal van een uil tegen, je vind er zelfs botten en schedels in terug. Ook slangen braken soms de prooi weer uit als ze bedreigd worden.

Uitwerpselen van paard (planteneter).

Patronen (gedrag)

Zoals ieder levend wezen heeft een dier water nodig, ga eens bij een poel of een ven in het bos zitten. Je ziet een diversiteit aan dieren voorbijkomen. Ook belangrijk om te weten is of een dier een schemer-, een dag- of een nachtdier is? Dan is de kans het grootst dat je het dier treft in zijn voorkeurstijd.
Maar gedrag is ook wat dat dier speciaal maakt. Zoals het wroeten van een everzwijn, waar de boeren op de Veluwe niet blij mee zijn vanwege de schade. Of de vraatsporen door een bever voor de bouw van zijn dam en een plek van veren waar een vos zijn eten heeft verorberd.

Big-eared-townsend-fledermaus

Uiterlijke kenmerken van dieren

Ook aan het uiterlijk van de dieren kun je zien waar je mee te maken hebt. Een goed verschil in uiterlijk is te zien bij een ree en een edelhert, namelijk het verschil in gewei. Zo hebben mannelijke reeën (bok) een simpel gewei terwijl de mannen bij edelherten veel grotere en uitbundigere geweien hebben.
Hazen hebben langere oren dan konijnen en rennen meer op de vier poten terwijl een konijn zich met alleen de twee achterpoten afzet. Het kleurenpatroon op een verenkleed van een vogel of zelfs de vorm van de vleugels verraadt om welke vogel het gaat. Zo zijn er tal van voorbeelden op te noemen, ik kan ze hier dan ook niet allemaal behandelen maar u kunt zich voor stellen dat er genoeg te benoemen zijn.

Plat getrapt gras waarschijnlijk een hert of mens.

Huisvesting (Slaapplek)

Een simpel voorbeeld is een hol van een konijn of vos. Maar sommige dieren houden zich alleen schuil in de bossen en hebben juist geen vaste slaapplek. Veel vluchtdieren slapen ook wel staand zodat zij niet hoeven op te staan bij gevaar, zoals reeën en zebra’s.
Vaak maken vogels nesten in bomen, maar ook eekhoorns doen dit of pikken een oud hol van een specht in.
Huisvesting geeft ook vaak aan in welk gebied het dier zich op houdt, waardoor het zoeken met een paar hectare verkleind kan worden.

Hol van een bonte specht.

Omgeving (De natuur)

Vraatsporen aan jonge bladeren, bomen, gras en natuurlijk karkassen geven een idee welke dieren er te vinden zijn. Maar ook de wandelpaden van de dieren zijn waarneembaar zoals platgetrapt gras en jonge struiken die platliggen, omdat het een trekkerspad is. Vaak kun je aan bramenstruiken en hekwerken plukken haar of wol vinden.
Kale plekken aan bomen omringd door haren kunnen duiden op everzwijn of hert. Dit zijn schuurplekken, omdat er één toevallig jeuk had. Kijk dus niet alleen naar de grond maar er is ook genoeg te vinden op ooghoogte.

Vraat spoor van de ree of schaap

Geluid (roepen)

Elk dier heeft zo zijn eigen stemgeluid. Bij een ree noemt men het fiepen, bij een vos is het blaffen en bij runderen loeien. De reden dat dieren geluid maken is om duidelijk te maken ‘’dit is mijn gebied’’(territoriumdrang). Daarnaast gebeurt het ook om vrouwtjes aan te trekken (paringsdrang).
Sommige dieren kun je al van vijf kilometer afstand horen. Tegenwoordig worden ook wel lokfluitjes tijdens de jacht gebruikt en deze komen in alle soorten en maten voor.

Come on...if you dare - geograph.org.uk - 1612492

Door Leslie Hummel

Vorig artikelWillem Donker is de eerste persoon ooit die alle Duitse hunebedden heeft bezocht
Volgend artikelEenvoudig touw en bindmateriaal maken van natuurlijke bindmaterialen

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.