Metamorfieten zijn metamorfe gesteenten die op wisselende diepten in de aardkorst door druk en bij een temperatuur van minstens 200 graden uit andere gesteenten zijn ontstaan. Een goed voorbeeld hiervan is leisteen. Deze steensoort kent iedereen, al was het maar van de dakbedekkingen op talrijke kerken in ons land. Leisteen is een laag metamorf gesteente. Dit houdt in dat het op kilometers diepte in de aardkorst bij hoge druk en lage temperatuur uit klei is ontstaan. Hierbij zijn uit de bestanddelen van de klei nieuwe mineralen gevormd. Hoewel leisteen maar één letter minder telt dan kleisteen, is er een wereld van verschil. Verharde klei (=kleisteen, zoals dat uit onze Limburgse mijnen kwam) kun je vermalen. Voeg je water toe en….je hebt weer plastische klei. Doe je hetzelfde met leisteen, dan houd je gewoon gesteentepoeder over. Niks klei. De kleimineralen zijn definitief omgezet, ofwel gemetamorfoseerd tot nieuwe mineralen.

Nemen druk en temperatuur verder toe, hetgeen meestal inhoudt dat gesteenten door plaattektonische processen dieper de aarde in worden geperst, dan valt ook leisteen weer uiteen en vormen zich uit de bestanddelen weer andere mineralen. Zo ontstaat glimmerschist. Door metamorfose krijg je een rij gesteenten, die chemisch vrijwel identiek zijn, maar die qua structuur en minerale inhoud volkomen van elkaar verschillen. Sterker nog, kleiafzettingen kunnen onder extreme omstandigheden heel geleidelijk omgezet worden in….. graniet! De meerderheid van de granieten op aarde is in feite langs metamorfe weg ontstaan.

Onder noordelijke zwerfstenen komen metamorfe gesteenten veel voor. De twee zwerfstenen in dit verhaal zijn hier een voorbeeld van. Het zijn beide gneizen, de een iets korreliger dan de ander. Beide zijn als gesteente heel lang geleden (-1800 miljoen jaar) bij gebergtevormende processen ontstaan. Het uitgangsgesteente was in beide gevallen een zandig type sediment. Structuren in zandafzettingen, zoals kriskras-gelaagdheid en ook golfribbel-patronen kunnen in zeldzame gevallen in het metamorfe gesteente fossiel bewaard blijven. De twee zwerfstenen in dit verhaal illustreren dit.

In de keientuin ligt een vrij grote grijsverweerde biotietgneis. Bekijk je de kei met de loep van dichtbij dan herken je de afzonderlijke mineralen: kaliveldspaat, plagioklaas, kwarts en biotiet. Van enige afstand gezien valt op dat de steen gelaagd lijkt, maar dat de lagen schots en scheef ten opzichte van elkaar liggen. Van een echte gelaagdheid is in metamorfe gesteenten geen sprake. We spreken hier van gestreeptheid. Metamorfe gesteenten hebben vaak een gestreept uiterlijk. De minerale bestanddelen in gneis zijn door druk parallel aan elkaar gericht. Bijzonder is dat in de keientuin-gneis is de oorspronkelijke gelaagdheid van de zandsteen bewaard is gebleven. De oorspronkelijke laagjes zijn door zwarte biotietspikkeltjes geaccentueerd.

In de steen is kriskrasgelaagdheid te herkennen. Hierbij zijn laagpakketjes zand door andere afgesneden en is de gelaagdheid ook anders gericht. In de steen is zelfs een fossiel geultje te herkennen. Zandstenen met zo’n gelaagde structuur noemt met scheefgelaagd. Een andere meer bekende uitdrukking is ‘zandsteen met kriskrasgelaagheid’. Bij de kei in de keientuin spreken we van een ‘relict-gelaagdheid’. Hij ligt met bijbehorend bordje langs een van de wandelpaden.

De andere gneis is fijner van korrel en ook iets kleuriger, want minder sterk verweerd. Niettemin is het gezien zijn structuur en minerale inhoud een echte gneis. De bovenste helft van de steen is fijn gestreept. Het heeft er veel van dat ook hier de oorspronkelijke horizontale gelaagdheid bewaard is gebleven, maar zeker is dit niet. De donkere zone daaronder toont meer of minder dicht opeenstaande reeksen golvende lijntjes. Het zijn dwarsdoorsneden van golfribbels, zoals die op de bodem van rivieren en beken kunnen ontstaan. Het donkere bestanddeel in de golfribbeldoorsneden bestaat uit biotiet. Dit duidt op kleiïg/siltige verontreinigingen in het oorspronkelijke zand.

Uit het dwarspatroon valt af te lezen dat we hier te maken hebben met reeksen klimmende ribbels. Deze ontstaan in stromend water. Hierbij worden zandkorrels aan de loefzijde van de ribbels over de kam naar beneden verplaatst, waar ze op de lijzijde blijven liggen en daar bewaard blijven. De lijzijden van de ribbels worden door het stromende water voortdurend bedekt door nieuw zand. Op dwarsdoorsnede vormen de ribbels geleidelijk omhooglopende structuren. Vandaar de naam klimmende ribbels.

Vorig artikelAmulet maken van gewei
Volgend artikelDagwandeling van ca. 16 km – Hondsrug, heide en hunebedden
Harry Huisman is conservator geologie in het Hunebedcentrum.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.