Het is hoogzomer en dan denk je niet aan mist. Hooguit is het ‘s morgens vroeg wat nevelig. Nee, mist is iets voor de herfst als de temperaturen vooral ‘s ochtends laag zijn en het vocht in de lucht condenseert.

Het effect van mist is dat je bomen, auto’s en fietsers op enige afstand soms vaag en vaker helemaal niet ziet. Bij ochtendnevel zie je alles alleen wat vager. Wat hebben mist en nevel nu te maken met zwerfstenen? Op het eerste gezicht niks, maar als je weet dat er in de gesteentewereld gesteenten zijn die nebuliet genoemd worden, is het voor velen duidelijk. Nebula is Latijn voor mist. Een zwerfsteen die mistig is? Dit verhaal zou daarom zo maar de verkeerde kant op kunnen gaan.

Met nebuliet hebben we een gesteente dat iets toont dat slechts in de verte op iets anders wijst. Het is alsof je door het huidige gesteente iets ziet dat er was, maar op de een of andere manier niet meer zichtbaar is. Althans niet duidelijk. In de keientuin in Borger liggen een aantal grote nebulieten, want echt zeldzaam zijn ze ook weer niet.

Nebuliet is een metamorf gesteente. Het hoort thuis in de categorie ultra-metamorfe gesteenten. Dit zijn gesteenten die op heel grote diepte in de aardkorst het nodige voor de kiezen hebben gekregen. Dit laatste betekent vooral druk en temperatuur. Nebulieten vormt een vergevorderd stadium in de kringloop van gesteenten. Ze vormen de overgang tussen metamorfe en magmatische gesteenten. Hoe zit dit?

Gesteenten verweren. De verweringsproducten worden vaak door rivieren als sediment op de bodem van zeeën en oceanen in lagen boven elkaar afgezet. We weten ook dat de aardkorst in afzonderlijke platen is opgedeeld. Deze aardkorstplaten bewegen als een soort ijsschotsen onafhankelijk van elkaar. Ze drijven uit elkaar. Dit zien we meestal in oceanen en in de Atlantische Oceaan heel fraai ook op IJsland. Met droge voeten kun je in Thingvellir over de scheur lopen met aan de ene kant de Amerikaanse en er tegenover de Europese plaat. Platen die met elkaar botsen zijn gemarkeerd door gebergten en vooral ook door vulkanen. Al het sediment dat op de oceaanbodem in lagen is afgezet, wordt in trogzones – dit zijn de botsingszones – voor een belangrijk deel het aardbinnenste ingeperst. Dit heeft consequenties.

Kleiïge sedimenten veranderen naar mate deze dieper in de aardkorst terecht komen eerst in kleisteen en vervolgens als de temperatuur hoger is dan 200 graden in leisteen. Beide gesteenten schelen een letter, maar ze vormen een wereld van verschil. De bestanddelen van klei vallen uiteen en uit de kleine bouwstenen ontstaan nieuwe mineralen, vooral glimmer. Gaat dit proces door, dan verandert leisteen via fylliet in glimmerschist en daar voorbij in gneis. Dit omzettingsproces noemen we metamorfose. De nieuwgevormde mineralen zijn stabiel bij een bepaalde druk- en temperatuurverhouding. Nemen druk en temperatuur toe, en dit is in de regel het geval in subductiezones, waar de ene aardkorstplaat onder een hoek onder de ander het aardbinnenste in verdwijnt, dan worden steeds weer nieuwe mineralen gevormd.

Gneis is een kleurig gesteente met een gestreept uiterlijk. Het lijkt op graniet, maar dan met een uiterlijk die aan gelaagdheid doet denken. De bestanddelen van gneis zijn doorgaans kwarts, veldspaat en glimmer. Gneizen ontstaan bij temperaturen van honderden graden en bij zeer hoge drukken, vaak op diepten van tientallen kilometers en meer.

Worden gneisgesteenten aan nog extremere omstandigheden blootgesteld, dan beginnen sommige mineralen te smelten, kwarts en veldspaat het eerst. Het gesmolten materiaal kristalliseert afhankelijk van de omstandigheden even verderop in het gesteente uit. Het vormt vaak banden en strepen in de gneis. Bekijken we zo’n band van dichtbij, dan ziet deze er uit als een gewone graniet. Vandaar dat gesteenten die een combinatie van gneis en banden en strepen van graniet tonen, migmatiet genoemd worden (Gr. migma = mengen). Migmatiet is dus een menggneis, een combinatie van een metamorf en een magmatisch gesteente.

Nebuliet nu is een vergevorderd stadium van migmatisatie. Nebulieten, ook de zwerfstenen van dit type, zien er uit als een echt stollingsgesteente, kortom als een echte graniet, maar als je goed kijkt zie je vage banden en onduidelijke strepen waar de samenstelling net even anders is. Het is alsof je door de mist naar een gneis zit te kijken of naar een graniet met daarin vage restanten van gneis. Dit omvormingsproces gaat zover dat er voorkomens van graniet ontstaan, die ogen als een magmatisch gesteente, maar door de gebieden waar ze voorkomen te karteren, duidelijk blijk geven dat deze door metamorfose zijn ontstaan. Graniet geldt dan wel als een stollings- of magmatisch gesteente, maar besef dat de meerderheid van alle granietvoorkomens feitelijk het eindstadium vormen van een metamorf proces, dat begint met het verweren van bestaande gesteenten. Daartussen zitten vele miljoenen jaren. Leuk om te beseffen dat ook gesteenten onderhevig zijn aan een kringloop van ontstaan, via vergaan naar een nieuw ontstaan.

Nebuliet is onder noordelijke zwerfstenen niet zeldzaam. Kijk uit naar gneizen die er uit zien als graniet, of zoek gneizen met kenmerken van graniet. Zo eenvoudig kan het zijn.

Foto’s en tekst Harry Huisman. Bent u geinteresseerd in meer verhalen over zwerfstenen dan raden we u aan om ook eens te kijken op www.stenenzoeken.nl

Vorig artikelPhaistos, groots paleiscomplex op Kreta
Volgend artikelDe geschiedenis van de Geologie in Nederland
Harry Huisman is conservator geologie in het Hunebedcentrum.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.