Albert Metselaar Hoogeveen
De slag om de ruige hoogte

DE BRAND ERIN?

De ervaringen in de strijd hebben Eber gehard. De dood is onvermijdelijk. Hij kan ieder moment toeslaan, maar ook nog jaren op zich laten wachten. Waarom zou je er nu al wakker van liggen? De soldaat in Eber ergert zich aan de boeren. Die soldaat is ook voldoende arrogant om, als het erop aankomt, hun wensen te negeren. Als het erop aankomt zullen ze blij zijn dat er iemand is die voor hen opkomt. Dan hebben ze er alles voor over om hun vee, boerderij en leven te behouden. De boer in Eber? De boer in Eber lijkt wel dood. Na enkele jaren met hart en ziel met zijn erfgoed bezig geweest te zijn, laat hij het nu links liggen. Hilde is degene die de hoeve bestiert. Vanaf het moment dat Eber de boerderijen in Drenthe afging, heeft ze alles van hem overgenomen. Na zijn terugkomst heeft hij enkel oog voor zijn zwaard, zijn paard, zijn schild, zijn pijlen… Hij oefent Adal in het zwaardvechten. Adal gebruikt het wapen van zijn vader, oude Maante. Hij is een snelle leerling. Adal krijgt van zijn vrouw op de kop. Hij moet meer tijd voor zijn hoeve vrijmaken. Hilde zwijgt daarover. Enerzijds weet ze dat Eber met een belangrijke taak bezig is, anderzijds snapt ze dat Eber niet te houden is. Maar ze weet ook meer. Ze kent het geheim van die ene nacht. Ze was erbij toen alles werd besproken.

De soldaat in Eber lijkt nog één keer te moeten vechten, voor hij zijn wapens voorgoed inlevert. Het is de kleine Akke die hem weer met beide voeten op de grond zet. Als hij driftig met zijn zwaard zwaaiend een paar jonge berken ontkopt, staat ze naast hem. Ze beweegt driftig met haar houten paard en ruiter op en neer, laat die ruiter met zijn lans in denkbeeldige vijanden steken, en vraagt: “Ga je zo alle dieven doodmaken?” “Ja”, zegt Eber, en slaat nog een stammetje doormidden. De vuurstede moet ook branden. Sommige dingen gaan door. “Hebben dieven ook kindjes?” “Ja”, zegt Eber weer. Hak, nu is het hele boompje weg. In korte stukken, kan zo p het vuur. “Wat zielig voor die mama’s en die kindjes als hun papa dood is. Ga jij ook dood?” Eber zegt niks.

Die middag trekt Eber weer diep het veen in, om op de zandkop bij het graf van zijn vader tot bezinning te komen. Wat is het al weer lang geleden dat hij daar voor het laatst geweest is. De hut is vervallen. Het dak is weggerot. De regen heeft vrij spel. Het graf is begroeid met varens en het ligt tussen twee berken en vier veldkeien. Wie niet weet dat hier iemand begraven ligt, zal niets vermoeden. Dat was dus ook de bedoeling. Als de oude Grijze Garm nog geleefd had, wat had die dan gedaan in deze tijden van dreiging? Eber zoekt naar een antwoord. Er komen enkel vragen. Zeker is, dat die de zaak uitgebreid besproken had met Rana. Maar Rana is ook alweer jaren dood. Met Hilde praat Eber amper over dit soort dingen. Ja, ze luistert mee en ze mag alles weten, dat is het probleem niet. Maar… Dat is een vrouw, die is daar toch niet in geïnteresseerd. Was Rana ook niet een vrouw. Waarom lag dat dan anders? Rana was niets te gek, als ze haar doel maar bereikte. Garm was ook niets te gek. Dat bleek wel uit de manier waarop hij Wolte uit de handen van de Romeinen haalde. Wolte, hoe zal het hem vergaan zijn, in de eerste periode dat hij thuis was, na zijn desertie uit het Romeinse leger? Gek eigenlijk, Eber heeft hem dat nooit gevraagd. Eber stelt het zich zo voor dat Wolte zijn vrouw opgezocht heeft. Die was natuurlijk dolblij, want ze had er niet op gerekend dat hij ooit terug zou komen. Ze kwamen natuurlijk onder één dak en dachten over een paar leuke kinderen. Ja, zo zal het gegaan zijn. In ieder geval bleef het niet bij denken aan kinderen. En toen moest hij vluchten, als een uitgestotene, omdat de stam bepaalde dat hij een eerloze woordbreker was geworden. Wolte was er niet bij toen zijn zoon geboren werd. Wat zou Garm gedaan hebben, als er kinderen bedreigd werden? Wat zou Garms voorvader gedaan hebben? Die sloeg erop, vast en zeker. Die trotseerde alles en iedereen. Hermen de Hakker, zo heette hij, zo genoemd naar zijn bloedige maar succesvolle strijdmethoden. Zo heette hij niet voor niets.

Het is alsof alle geesten van alle voorouders daar bij hem zijn, daar in die vervallen jachthut, bij het graf van zijn vader Grieze Garm. Wolte, zijn oude kameraad, die was er niet, op dat moment. Maar over Woltes oordeel waren geen twijfels. Wolte schoot Maante dood, en die ene Romeinse koopman, om het lot te beïnvloeden. Niets was hem te gek. Als Eber savonds zich uitstrekt naast Hilde bij het vuur, heeft hij wel zijn rust en vertrouwen in de toekomst hervonden, maar het plan dat eenmaal in hem is gerijpt, en dat de vorige avond uitvoerig is doorgesproken, is op geen enkele manier herzien. Het enige wat is herzien, is zijn beeld van zichzelf. Aan de ene kant leeft er in hem nog steeds de genadeloze soldaat van de Romeinse hulptroepen. Zo van… geef me een mes en ik snij je de strot door, en ga fluitend verder. Aan de andere kant is er de man, vader en echtgenoot, die zelf ook wil overleven. Voor hen.

De volgende morgen stuurt hij zijn arbeiders en onvrijen uit om de mannen te waarschuwen die met hem ten strijde zullen trekken. Tegen de avond zijn er maar vierentwintig gearriveerd. Alle boodschappers zijn terug. Op veel boerderijen kwamen ze voor niets. Er was nog geen directe dreiging, zeiden de meesten. Ze wilden niet weg of kregen van hun familie geen toestemming om het werk in de steek te laten. En los daarvan, wat wilde Eber dan? Dat gekkenwerk van de verbrande hoeven, dat ging niet door, dat was zeker voor iedereen, en andere plannen waren er niet. Het zou wel overwaaien. Vierentwintig mannen zagen dat laatste niet gebeuren. Vierentwintig mannen zouden genoeg moeten zijn. Ze zijn gelukkig wel goed bewapend en hebben als ze eenmaal uittrekken voldoende proviand voor een week. Onderweg zal de natuur hen voldoende voedsel geven om het langer vol te houden. De natuur of de boeren in het noorden. Voorlopig maken ze samen de voorraad op in Ebers hoeve. Want daar blijven ze.

Eber heeft de mannen bij elkaar geroepen om te proberen van het stelletje ongeordende krijgers een goed samenwerkend legertje te maken. Zelfs het woord legertje is amper meer van toepassing op dit kleine groepje dapperen. Als ze maar op elkaar aankunnen, dan valt er misschien nog wat mee te doen. Met die gedachte en de hoop op de medewerking van alle omstandigheden die maar een positieve rol zouden kunnen spelen, rijden Eber, Adal en de vierentwintig getrouwen noordwaarts. Ze verkennen het gebied ten noorden van Grunning, en stoten twee weken na hun vertrek uiteindelijk op enkele afgebrande boerderijen. Tot zover zijn de plunderaars het jaar daarvoor gekomen. De weken daarna zet Eber de mannen aan het werk bij boeren tussen Taarlo en Grunning. Als tegenprestatie krijgen de krijgers extra proviand en bier. Steeds zijn er twee of drie mannen op doortocht door het al geplunderde gebied en de streken daarvoor. Bij het eerste teken van onraad zullen ze alarm slaan.

Voor Eber en Adal betekent dat, dat ze de boeren in een strook van een uur rijden breed van hun boerderijen zullen sturen, met heel hun hebben en houden. Op de vlucht, zo gauw de stropersbenden in zicht zijn. Om daarna de bedrijven en de oogst te laten roven en verbranden. Want die vijftien man zullen zich wel doodvechten, is de verwachting, daar hoef je niet op te rekenen. Alleen Eber en Adal op de  hoogte van een achterliggend plan. Niemand weet wanneer dat zal moeten gebeuren en niemand weet of de vijftien mannen dan zullen gehoorzamen, want ook voor hen zal het een verrassing zijn. Voor zover het dat niet is voor Eber zelf. Hij zal met Adal als rechterhand in moeten spelen op de omstandigheden.

Weer terug op Ebers hoeve, na de verkenningstocht, verspreid hij de manschappen over de hoeves in de buurt. Ze spreken af dat er een ketting van hoorngeschal zal zijn met telkens drie korte stoten op de hoorn. Zo gauw iemand dat hoort, blaas hij net zo lang tot iemand in de verte antwoord, ook drie korte stoten op een hoorn, en zal zich dan bij Ebers hoeve melden. Zo kunnen ze naar verwachting in korte tijd allemaal paraat zijn. Eerst is het dus gewoon werken.

Tussen de arbeid door komen de mannen bij elkaar. Ze oefenen zich in het gebruik van de wapens. Dat is voor hen vooral de voorbereiding op wat komen gaat. Voor Eber valt ook de hulp aan de boeren daaronder. Wees soldaat en boer, zet je in voor een doodsstrijd, en let op het vee en de akkers, doe daar wat kan, als er even niets anders te doen is. Dan zal de boer respect voor je hebben. Dan ben je één van hen en blijf je één van hen. Ze zijn dapper genoeg om zich desnoods dood te vechten. Als blinde stieren verwachten ze af te stormen op wie en waar dan ook. Ontembaar, niet te stoppen. Maar het ontbreekt nog aan saamhorigheid. In de weken dat ze op de akkers en met het vee werken, groeit er vriendschap tussen jong en oud. Eber heeft hen verdeeld in groepjes van drie per boerderij, zodat ze goeie maten worden. Mensen die elkaar kunnen vertrouwen. De groepjes leren vechten op commando en leren net als Romeinse soldaten gelederen te sluiten, als één blok zowel beuken als terugtrekken, als één vuist te slaan. En dan weer weg. Een open strijd in een open veld kan Eber nooit winnen, maar met knallende acties hier en daar en dan weer wegwezen, dan moet je een eind komen. Zegt Eber. Met in zijn achterhoofd het grotere plan. Eber is er zeker van dat ze elkaar niet in de steek zullen laten, als de nood aan de man komt. Wanneer komt die nood?

Het is al hartje zomer, voor de eerste geruchten over plunderaars weer opgang doen. De verhalen zijn en blijven zo vaag, dat niemand er raad mee weet. Sommige boeren beginnen te protesteren. Die soldaten van hen, ze gebruiken dat woord lacherig, komen gemakkelijk aan de kost. Ze moeten ze steeds onderhouden, maar uit niets blijkt dat ze ook maar één dag nodig zijn. Ja, ze werken hard op de boerderijen, maar verder? Zijn dat nou soldaten? Er vallen uiteindelijk vier mannen af, omdat hun families hen niet langer toestemming geven zich aan het werk op de eigen boerderijen te onttrekken. Met de resterende 20 trekken Eber en Adal diep het terpenland in, op zoek naar tastbare tekens van nieuwe strooptochten. Ze zoeken vergeefs. Blijkbaar is de ongerustheid van de winter daarvoor op niets gebaseerd geweest. Ze hebben zich gewoon bang laten maken door sterke verhalen.

De plunderingen waren incidenten, eenmalige doortochten, misschien niet meer dan een soort oorlogje tussen enkele kleine stammen. Drenten hebben niets te vrezen, want die kunnen het goed vinden met de Friezen in het terpengebied en in de streken te noordwesten van hen. Zoiets moet het zijn en niet anders. Is alles dan voor niets geweest? Heeft Eber spoken gezien? Heeft hij te veel vertrouwd op zijn intuïtie, zijn ervaring, de soldaat in hem? Was de wens om weer te vechten, de macht te voelen van een zwaard dat beukt op een ander mens, zo sterk, dat hij blind was voor de werkelijkheid? Zo nu en dan is er een stiekeme bezoeker bij Ebers hoeve. Dan hoort hij meer dan hij zelf met zijn manschappen heeft meegekregen. Een ruiter trekt diep door de wouden tot in de gebieden waar wel huis werd gehouden, en rapporteert dan…… Dan weet Eber het weer. Volhouden. Lange adem, maar het moet.

De zomer is lang en droog. Eber is tussen de verkenningstochten door regelmatig een stel dagen thuis. Hij overlegt met Hilde over het beheer van zijn eigen akkers. Kleine Bernt, Adals broer, houdt een oogje op het vee en de stukken bouwland, net zoals hij dat doet op de hoeve van Adal. “Kom toch thuis met het oogsten”, is een vraag die zowel Eber als de anderen steeds weer te horen krijgen, als ze bij hun families zijn. Bij de oogst is iedereen nodig. Maar het is ook altijd zo’n gezellige tijd, dat niemand die wil missen. Hoe moeilijk het ook is, om te leven met de dagelijkse dreiging van een inval. Na lang twijfelen en nog langer wachten op een vijand die niet lijkt te bestaan, besluit Eber zijn “bende”, zoals ze ook wel genoemd worden, tijdelijk te ontbinden. De mannen keren allemaal huiswaarts, om te helpen bij de oogst, en met de belofte zich direct bij Eber te melden als die onraad ruikt. De ketting van hoornsignalen en de afspraak dat ieder lid van een ploegje van drie man de ander zal ophalen, dat zal de zaak moeten redden. Het enige wat er voorlopig te ruiken valt is de geur van drogend gras en vers stro, de geur van het graan, dat droogt en waarvan de eerste korrels van de nieuwe oogst vermalen worden in de kommen van stenen.

De oogst valt wat tegen, door de droogte. Maar er is genoeg, zelfs al zouden er boeren uit het noordelijke gebied mee moeten delen. Nog altijd houdt Eber vast aan de gedachte dat in het belang van de hele gemeenschap een minderheid zijn boerderijen op zal moeten offeren, hoewel die hun leed verzacht zullen krijgen door steun van de rest. Hij blijft erop rekenen dat de Etten uiteindelijk wel zijn kant zullen kiezen, als blijkt dat door zijn methode Drenthe gered kan worden. Maar hij praat er niet over. Dat komt wel. Hij wordt direct na het binnenhalen van de oogst met zijn neus op de feiten gedrukt, als in het zuiden rookpluimen gezien worden. Kleine Bernt hoort van één van zijn onvrijen dat die twee onbekende ruiters gezien heeft. Ze kwamen uit de richting van het veen en vertrokken ook weer langs die route. Wat nu? Hij heeft er nooit rekening mee gehouden dat de plunderaars ook uit het zuiden zouden kunnen komen. Is dat tegen alle verwachtingen in nu toch het geval? Moet hij nu zien dat ook zijn boerderijen door de stropersbenden in brand worden gestoken? Moet Eber ook naar zijn schoonouders op de Steenberg met het verhaal dat de rode haan erin gaat, zo gauw de vijand zich laat zien. Ja, want die taktiek zal slagen, zo is Eber steeds van mening geweest. Nee! Zijn eigen bezittingen vernietigen? Nooit! ….denkt Kleine Bernt. Of toch wel? Is er een manier om met twintig man, een ouwe soldaat van de Romeinse hulptroepen en een ‘onderofficier’ als Adal een bende plunderaars te stoppen?

Vorig artikelSalow 2
Volgend artikelTützplatz 1

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.