Albert Metselaar Hoogeveen
De slag om de ruige hoogte

HET LICHT

Waar zit die stomme Hermen? Met zijn dwarse kop is hij tot alles in staat. Hij is de laatste weken chagrijniger dan ooit. Als onder het dak van de kleine nederzetting tussen de akkers alle mensen en bezittingen geteld en gecontroleerd worden, weet niemand waar Hermen zit. Ze hadden hem nog gezien bij de hoeves op het akkerland. Of zal hij al terug zijn gegaan naar Ebers hoeve, bij de ruige hoogte? Eber loopt langs zijn doorweekte vee in de stromende regen terug naar het meer, waar op afstand de hoeves op de akkers zich als rokende eilanden baden in het eerste licht, dat net een beetje door de donkere wolken en kletterende regen heen weet te breken. De haardsteden zorgen voor de rook, flink opgestookt om de nattigheid te verdrijven, en de wind is gaan liggen, zodat het de hoeves omsluierd worden.

“Hermen! Hermen!” Eber weet amper boven de wind en de regen uit te komen. Dan maar het water in. Hij waadt naar zijn hoeve, daar zal Hermen wel zijn. Het water is zo gestegen dat het pad onder het nat verdwenen is en de voorde in de stroom tussen de hoeves van het akkerland en die van ruige hoogte gewoon is verdwenen. Kletsnat vervolgt hij zijn tocht door het bos, langs het rietland en het kreupelhout over de ruige hoogte. Hij vind zijn thuis verlaten. Hilde en Akke waren een paar dagen bij haar ouders, bij de steenbergen. In de hoeve is alles donker. Hij opent de deur en gaat op de tast naar binnen. Hij schuivelt over de vloer, om niet te vallen. Dan voelt hij benen. Is Hermen dood? Het “lijk” moppert en scheldt. Eber wil hem bij de schouders pakken en meetrekken. Het lukt niet. Dan schiet er een venijnige pijn door zijn hoofd en zijn hele lijf. Hij voelt een tinteling door zijn spieren trekken.

Als hij achterovervalt wordt hij opgevangen door Garm en Gudrun, zijn vader en moeder. Die zijn toch ook dood? Hij zegt niets, zij zeggen niets, maar zonder woorden is het alsof ze hem duidelijk maken dat hij zich niet ongerust moet maken. Ze zijn hier om hem bij te staan op zijn reis naar de eeuwigheid. Hij ziet Hermen tasten naar zijn lichaam. Hij ziet zijn eigen lichaam, alsof hij erboven vliegt. “Laat maar”, lijkt zijn moeder te zeggen. “Het is je lichaam maar. Jij wordt nu thuisgebracht!” Het wordt nu zo donker om hem heen dat hij ook Garm en Gudrun niet meer ziet. Hij voelt hun aanwezigheid, intenser dan hij ooit deed tijdens hun leven. Ze nemen hem mee door een donkere ruimte. Het is alsof hij door een dicht bos rent, zonder dat zijn voeten de grond raken, over een smal pad. Geen zon, geen maan, nog geen enkele ster verlicht zijn pad. Eindeloos lijkt de reis, en toch lijkt het maar even later als er aan het eind van het “pad” een licht begint te schijnen. Het licht wordt feller en feller, hoe dichter je er bij komt. Het licht wordt zo intens, dat behalve het licht niets anders meer zichtbaar is. Zo intens, dat hij zich afvraagt waarom het hem niet verblindt. Dan hoort hij een stem.

“Hoe was het leven?”, vraagt het licht belangstellend. “Was het de moeite waard?” Eber wordt gegrepen door een onbeschrijfelijk diep gevoel van vrede, van begrip, van liefde. Het wezen van licht laat hem alles zien wat waardevol was in zijn leven. Er zijn zoveel dingen die hij bijna vergeten was. Zijn oude grootvader, spelen met zijn broers, Hermen als jongeman, het afscheid van thuis, de jaren in het Romeinse Rijk, de prediker in Rome, Wolte, de thuiskomst, de dode Maante, naar het zuiden, de hoeves… Even krijgt Eber het gevoel alles te begrijpen, alles te weten, de zin van iedere handeling te doorgronden. Het licht laat hem zijn goede en zijn slechte kanten zien, in een immens gevoel van acceptatie. Achter het wezen in het licht wordt langzamerhand een landschap zichtbaar met een prachtige stad van licht op de achtergrond. Er staan mensen naar hem te wuiven. Eber wil naar hen toe. Het licht houdt hem tegen. “Nog niet Eber… Jij moet weer terug. Je zit nog te vast aan je oude leven om hier te kunnen blijven.” Dan dooft het licht langzamerhand. Eber wil blijven, maar wordt door een onzichtbare kracht weggezogen uit de wereld van vrede. Hij voelt dat Garm en Gudrun hem weer begeleiden. Hij gaat weer over het donkere bospad. Dan ziet hij plotseling zijn slappe lijf over Hermen’s schouder hangen. “Ben ik dood?”, vraagt hij Garm en Gudrun. Er komt geen antwoord. Hilde en Adal nemen zijn lichaam over. Hij voelt plotseling hoe zijn armen vastgepakt worden en zijn longen leeggepompt worden. Dan wordt alles zwart voor zijn ogen. Eber zakt weg in de peilloze diepte van een schijnbaar eeuwige slaap. Een enkele keer zakt het duister weg en voelt hij weer de aanwezigheid van Garm en Gudrun, die hem geruststellen. Hij haalt het wel, lijken ze te zeggen. Hij ziet dan ook hoe zijn lichaam vervoerd wordt naar de Steenbergen, hoe hij neergelegd wordt bij het vuur van zijn schoonouders, hoe Hilde hem verpleegt…

“Hij leeft weer!” Hermen springt een gat in de lucht als hij ziet dat Eber zijn ogen opent. Een beetje draaien met zijn hoofd is voldoende om zich bewust te worden van de pijn die een gebroken neusbeentje met zich meebrengt. Om zijn ogen zitten blauw-paarse randen. De familie heeft eraan getwijfeld of hij het wel zou halen. Hermen zag zichzelf als moordenaar terechtgesteld worden. Dat zou nog wel meevallen, heeft iedereen gezegd. Het was toch een ongeluk geweest? Hermen had toch niet echt Eber dood willen slaan? Maar Hermen was ontroostbaar tot het moment waarop Eber weer bij bewustzijn komt. Hij blijft nog weken slap en duizelig. De eerste tijd is hij nog bij de steenbergen, met Hilde en de kleine Akke, die hem verzorgen in de schoot van Hildes familie. Dan gaat hij terug naar zijn hoeve. Met Hilde en Akke.

Adal, Kleine Bert en de familie van de hoeves bij de dubbele voorde zijn direct aan de slag gegaan met het verwijderen van omgevallen boomstammen en takken uit de stroom, even ten oosten van dat gebied. Daarop begon het water al snel weer te zaken, ook omdat het ophield met regenen. Na een week of twee was alles droog genoeg om het vee op stal te zetten en ook zelf weer in de hoeves te trekken. Wel was een deel van de wintervoorraad verloren gegaan, die niet zo snel meegenomen kon worden. Met hulp van de families uit de omgeving werd dit weer aangevuld. Iedereen kon wel wat missen. Als ze zelf hulp nodig hadden konden ze ook op anderen rekenen. Aanvankelijk zagen Adal en Kleine Bernt erop toe dat de onvrijen goed met het vee omgingen. Na Ebers intrek is dat niet meer nodig. Hij houdt last van duizelingen, die pas na enige maanden helemaal over zullen gaan. Al die tijd werkt Hermen zich uit de naad om goed te maken wat hij aangericht heeft. Eber hoeft maar te knikken of hij springt al in de benen. Ook de oude Rana slaapt weer aan Ebers vuur. Ze is nu bijna blind. Het is snel gegaan met haar. Haar herinneringen laten haar steeds meer in de steek.

De eerste vorst markeert het moment dat het drie jaar geleden is dat Eber thuiskwam. Van alle dingen die hij sindsdien meemaakte, blijft het licht het meest verbazingwekkende. Net voordat Ranas geest begint te wijken, praat hij met haar over zijn ervaring tijdens zijn bewusteloosheid. Rana is vol levenservaring en heeft veel meegemaakt. Dit kan ze echter niet verklaren, of het moet zijn dat Eber kort in de geestenwereld geweest is. Maar doden keren niet terug. Niet lang daarna brabbelt Rana nog wat onverstaanbaar voor zich uit. Hilde moet haar voeren, net als Akke. Hermen neemt haar zo nu en dan mee naar buiten voor een wandeling. Rana sterft midden in de winter. Rond haar crematievuur staan boeren en familieleden uit de wijde omgeving. Ze was voor velen een steun en toeverlaat. Een vrouw die zich alleen liet vergelijken met priesteressen en anderen die met de goden kunnen praten. Er wordt een flinke heuvel over haar as opgeworpen, zoals een voornaam mens verdiend heeft.

Tijdens de lange winteravonden heeft Eber de tijd om keer op keer de herinneringen aan de reis naar het licht op te roepen, waarbij hij steeds weer nieuwe dingen terug weet te halen. Hij doet dat veelal in gesprek met Hilde, maar omdat er altijd arbeiders in hun huis zijn, is ook hen al gauw bekend wat hem overkomen is. Het verhaal gaat dan ook al snel rond dat de beschermeling van de Vrouwe van het Ven een bezoek aan het de geestenwereld gebracht heeft en als eerste mens teruggekeerd is. Dat laatste wordt niet lang daarna betwijfeld. Een boer uit Taarlo blijkt een soortgelijke reis gemaakt te hebben. Hij komt een dag langs en samen bespreken ze hun ervaring. Wat betreft die geestenwereld heeft Eber zo zijn twijfels. Net als met dat Walhalla van Maante. Het is alweer lang geleden, maar ooit had een prediker van de onzichtbare God hem gedoopt. Op de gunsten van de Vrouwe van het Ven hoeft hij niet meer te rekenen. Hoeft ook niet. De onzichtbare God, waar hij nog maar amper meer bij stilstaat, is sterker dan de Vrouwe van het Ven of de dondergod. De hemel waar de prediker het over had, zou het dát geweest kunnen zijn? Maar wat deden Garm en Gudrun daar dan? Die kenden dat niet eens!

“Je zit nog te vast aan je oude leven om hier te kunnen blijven.” Deze wonderlijke woorden blijven Eber bij, zonder dat hij daarvan de betekenis kan doorgronden. Wel wordt hem het een en ander duidelijker op een avond onder de koeien. Hij doet zijn best om zijn leren emmer vol te krijgen. Het beest geeft flink wat melk. Het maakt wel uit wat voor voer het krijgt, zo in de winter, maar het is een koe om trots op te zijn. Al melkende dwalen zijn gedachten af naar de reis naar het zuiden, naar Wolte. Dat ene verhaal, van die rijke jongeman, dat wilde Wolte steeds horen. Die dacht dat hij zo goed was, dat er niets te verbeteren viel. Hij moest zijn bezittingen weggeven. Hij viel door de mand. Hij hield meer van zijn geld dan van de onzichtbare God en zijn zoon.

Gek eigenlijk, dat al die verhalen al weer zover van hem afstaan. Eber betrapt zichzelf erop dat hij, sinds hij weer bij zijn familie teruggekomen is, steeds minder aan die tijd in Rome denkt. Zelfs de bronzen munten zijn al lang niet meer uit de buidel geweest. Als Wolte er niet naar gevraagd had, had hij er ook niets meer over verteld. Nadat hij alle bezittingen van zijn vader overgenomen heeft, heeft hij daardoor teveel andere dingen aan zijn hoofd gekregen. Of zou die stem dát bedoeld hebben? Hij heeft zijn levenlang gehoopt, gespaard en gevochten voor een eigen boerderij. Nu hij die heeft beheerst het zijn leven van de vroege morgen tot de late avond. Alleen in de winter is er tijd voor andere dingen, maar zelfs dan houdt een goede boer zich bezig met de plannen voor het volgende jaar. Zou een boer dus niet in de hemel kunnen komen? Eber moet lachen om die gedachte.

Vorig artikelOngebruikelijk piramide-monument gevonden in Libanon
Volgend artikelDe Griffioenkrijger

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.