Onraad – Hoofdstuk 3

0
235
Albert Metselaar Hoogeveen
De slag om de ruige hoogte

ONRAAD

Na het neerslaan van de opstand van Julius Civilus, was het langs de Rijngrens de eerste paar generaties opmerkelijk rustig. Al snel begonnen de bewoners van de gebieden ten noorden daarvan in te zien dat ze baat konden hebben bij de Romeinen, door middel van handel of arbeid. De invloed van Noviomagus was tot ver in het gebied voelbaar. Op zich had Eber de indruk dat de stad minder baat had bij de noordelijke gebieden dan omgekeerd, ondanks enige schatplichtigheid, maar waarschijnlijk was de Romeinse handel tevens een manier om zonder moeilijkheden waarnemers onder de Germanen te krijgen, zodat de garnizoenscommandanten op de hoogte konden blijven van de ontwikkelingen in dat gebied. Dit was Ebers theorie toen bleek dat de Romeinse kooplieden twee jaar na de mislukte wraakneming op Wolte, gewoon volgens het oude patroon terugkwamen. Ze vertelden dat Antonius van Noviomagus van zijn belangrijke functies ontheven was, omdat hij met zijn houding ten aanzien van de dood van zijn broer misbruik gemaakt had van zijn invloed. Ze vertelden wel meer. Wat moest je daar nu van geloven? Waarschijnlijk hadden ze Antonius gewoon naar een andere stam gestuurd, omdat het hem bij Eber in de buurt te heet onder de voeten werd. In ieder geval was het volk weer gerustgesteld en verliepen de contacten als vanouds.

Hermen maakte het al niet meer mee. Hij stierf in de zomer na de overstroming. Het zal wel ouderdom geweest zijn. Zo op een morgen lag hij dood aan Ebers vuur. In zijn slaap overleden. In zijn leven had hij als oudste zoon nooit een ereplaats in kunnen nemen, omdat zijn simpele geest en zijn gedrag hem er niet toe in staat stelden. In zijn dood gaven ze hem een crematie en een heuvel, zo groot, alsof hij toch een stamhoofd was geweest. Een mens is zijn eigen maker niet. Hermen heeft gedaan wat hij kon, en hij kon niet zoveel, maar dan nam niet weg dat hij de oudste was geweest. Om zijn grafheuvel werd een krans van palen gezet. Wie in gedachten bij hem stil wilde staan, deed dat volgens de traditie lopend, en één voor één tikte men alle palen aan. Iedere keer als de hand een paal raakte werd er wat gezegd, wat men zich van hem naar voren wist te halen. Het was ook een barière, om zijn geest daar te laten, bij de heuvel. Wie dood is moet daar ook blijven, als de doden te veel bij de levenden zijn komt het niet goed. De doden hebben elkaar en dat moet ook goed zijn.

De kleine Akke groeide voorspoedig op. Nadat er eerst nog een kind in de kraam gebleven was, beviel Hilde daarop van een zoon, die ze Garm noemden, naar Ebers overleden vader. Kleine Garm, was het doorgaans, omdat Grieze Garm in de verhalen nog zo levend was, dat ze bij ‘Garm’ altijd aan de oude man dachten. De kinderen vonden speelkameraadjes in de kinderen van Adal en Kleine Bernt. Ebers leven werd volledig bepaald door zijn hoeves, zijn taak als Ette en zijn familie. Hij was gelukkig op een manier zoals hij dat nog nooit geweest was. Zijn hoeve op de ruige hoogte was een plaats van samenkomst van families uit alle windstreken. Als er een geschil was, op welke manier dan ook, dan werd Eber om raad gevraagd. Als men zich afvroeg of er wel of niet geofferd moest worden, en wat dan wel, dan werd Eber om raad gevraagd. Eber liet de mensen offeren, maar was absoluut tegen het offeren van mensen. Tenzij ze een zwaar vergrijp hadden gepleegd. Dan hoorde de dood als straf bij het denken van zijn tijd. Maar anders? Je zou je stam maar verzwakken, als je waardevolle leden uit zou schakelen. Wat je ook gelooft van welke goden dan ook, dat konden ze niet van je vragen.

Als leider van de familiegroep en als Ette ook als leider van de stam, was het de taak van Eber om bij zware vergrijpen het doodvonnis uit te voeren. Dat was hij eigenlijk wel gewend. Hoe vaak had hij niet in het Romeinse leger zijn dolk gestoken in de hartstreek van een zwaargewonde vijand of vriend, die zo een pijnlijk lijden in de doodsstrijd werd gespaard? En in de gevechten zelf? De gedachte ging zelfs door hem heen dat een mens doden niet anders was dan een varken slachten. Dat was ook allemaal bloed en darmen. Zo maakte hij het zich gemakkelijker om te doen wat hij moest doen. De gedachte dat dit mens een waardevol leven was, zou zijn taak onmogelijk hebben gemaakt. Maar uiteindelijk was hij er zo door afgestompt, dat hij moeiteloos zinloos doodde, als het hem zo uitkwam. Was hij dan anders dan een moordenaar, die tenminste nog een reden heeft om iemand de keel af te snijden? Zo groeiden in de jaren de twijfels, tot hij afscheid kon nemen van zijn militaire bestaan. Bij de executies op de ceremonieplaats op de rand van het ven was hij de geofferden genadig. In plaats van een doodsstrijd, als ze springlevend met stokken onder water werden geduwd, leidde hij hen naar voren en voor hij hen in het water duwde, gaf hij een dolksteek tussen twee ribben door, recht in het hart.

Het ging hem zo gemakkelijk af, dat hij de kilheid weer over zich voelde komen. De kilheid van de geharde soldaat. Met dat hij zich dat realiseerde, kwam ook de twijfel weer. De volgelingen van de onzichtbare God, die geen beeld wilde, die leerden hem dat ieder leven zoveel waard was, dat je het niet mocht wegnemen. Daarom werden ze ook geen soldaat. Eber kon de keus niet maken om uit het leger te treden. Hij was opgelucht toen zijn tijd erop zat. Hij hoefde niet meer te doden. En nu in Drenthe, thuisgekomen, nu moest het weer wel? En wat moest je anders, hoe kon je de woede van het volk anders beteugelen, hoe kon je een dader van een moord of een ernstige verminking van een vrije, of van een brand waarbij de veestapel omkwam, hoe kon je die anders straffen? Eber hoopte dat het nooit weer nodig was om als soldaat op te treden. Dat leven lag achter hem. Zo troostte hij zich, als hij zo nu en dan weer iemand de dolk in de rug stak, of de keel doorsneed als de gestrafte zich teveel verzette. Het zou zo anders lopen. De troost van woorden was niet genoeg om het tij te keren.

Vijf voorjaars na zijn reis naar het zuiden (100 n. Chr.) wordt de rust van de seizoenen verstoord door geruchten uit het noorden. Zo rustig als het is langs de Romeinse grens, zo onberekenbaar is het in de gebieden ten noorden en ten noordoosten van Drenthe. Het kwam voor dat na misoogsten de mannen uit een ver gebied een rooftocht hielden in de streken om hen heen. Vaak kon je ze wel weer kwijtraken door je dreigend op te stellen op welke heuvel dan ook, en met veel kabaal de vreemdelingen te laten zien dat je hen aankon met twee vingers in je neus en je ogen dicht. Maar dit keer lijkt het anders te zijn. Eber is er niet gerust op als hij verhalen hoort over hele stammen die op oorlogspad gegaan zijn. Het zijn vluchtelingen uit de noordelijke gebieden die deze informatie met zich meebrengen. Ze vertellen over het platbranden van boerderijen, uitmoorden van families en het als slaven verkopen van de sterkste mannen en vrouwen die de strijd overleven. De verhalen wekken de indruk dat de stammen ieder jaar een ander gebied aanvallen. De afschuwelijke boodschap is dat dit jaar delen van Drenthe aan de beurt zouden kunnen zijn.

Mensen vertellen wel vaker gruwelijke verhalen. De boeren proberen deze eerst af te zwakken, te ontkennen of toe te schrijven aan te veel bier. Maar na de eerste vluchtelingen komen er meer. Het zijn mensen die al hun bezittingen kwijt zijn. Ze hebben gedurende de winter nog kunnen teren op de schamele resten van hun voorraden. In het voorjaar is het laatste vee al geslacht om in leven te kunnen blijven. Ze hebben niets, maar dan ook niets meer. Ze proberen zich als arbeider te verhuren en zijn zelfs bereid zichzelf als onvrijen te verkopen, als ze hun gezinnen maar kunnen voeden. Sommigen lukt het aan de kost te komen. Anderen trekken verder, onderweg levend van de jacht en diefstal. Eber laat er één onthoofden omdat hij zo brutaal was een paard te stelen. Als Ette moet je ervoor zorgen dat de wereld gezuiverd blijft van dieven en zwervers. Niemand heeft het recht aan andermans vee te komen. Wie aan de deur komt zal niet met een hongerige maag weggestuurd worden, wie aan het vee komt wordt helemáál nooit meer weggestuurd.

De boeren van Drenthe laten de toekomst op zich afkomen alsof er niets aan de hand is. Ze hopen dat het mee zal vallen. Zoals het al zo vaak is meegevallen. Eber ergert zich aan de gelatenheid van de bevolking. De dreiging maakt de soldaat in hem weer wakker. Hij laat een onvrije met een boodschap rlangs de hoeves gaan. Een houten zwaardje met tekens erop. Bij de laatste hoeve wordt het zwaardje afgegeven, waarna het door een van die mensen naar de volgende hoeves wordt gebracht. Na een paar dagen is het zwaardje en de bijbehorende mondelinge boodschap weer terug, en weten alle hoeves van de stam dat er vergadert gaat worden.

Nog vóór het eind van de winter zitten de meeste Etten bij elkaar. Enkelen kunnen door familieomstandigheden niet weg. Dan moet er een goede reden zijn, en die is er dan meestal ook wel, al zal niemand precies navragen wat er is. Je komt gewoon als er op je wordt gerekend, tenzij…. Allemaal kennen ze de verhalen, maar niemand heeft er enig idee van waar de dreiging precies vandaan komt en hoe groot de kans is dat de roversbenden inderdaad naar Drenthe zullen komen, en er niet aan voorbij trekken. Als het erop aan komt en wat ze er in geval van nood tegen zouden kunnen doen, daarover zijn de boeren en enkele andere Etten helemáál in zwijgen gehuld. Enkele oude boeren hebben nog meegevochten onder leiding van Julius Civilus, zo is bekend, maar voor de rest is de jacht het enige moment waarop ze hun wapens ook echt gebruiken. Goed, ze oefenen zich tegen landlopers en veedieven om de boerderijen te kunnen verdedigen, en zo nu en dan is het dus serieus dreigen en roepen op een heuveltje, maar dat is wat anders dan oorlog voeren.

Daarbij komt nog dat er maar een paar jonge boeren met een zwaard om kunnen gaan. Zwaarden zijn duur, zeldzaam, en lastiger te gebruiken in gevechten dan een lans en een schild. Als iemand voorbij je lans zou komen, dan zou je hem gewoon met een knal van je schild buiten westen slaan, of je ramt je dolk erin. Zelf loop je met je zwaard de kans in de lanspunt van je vijand te belanden, dus toch maar niet. Dan maar de lans gebruiken. Een goede ijzeren punt is ook duur, maar kost maar een schijntje vergeleken met een zwaard. Sommigen hebben net als Eber een spata, een lang zwaard, of een gladius, een kort zwaard aan hun diensttijd bij de Romeinen overgehouden. Meestal worden de wapens echter in beslag genomen, als ze naar huis gaan. Er zit geen Romein op te wachten om waar of wanneer dan ook met zijn eigen wapen bestreden te worden, en zoveel vertrouwen in die noorderlingen hebben ze niet. Van de weinige zwaarddragende boeren in hun midden is Eber de jongste. De anderen hebben zonen in de leeftijd van de gezonde jonge strijders, maar die zijn weer niet opgeleid om met dit wapen om te gaan. Zelfs al zou Eber alle gezonde weerbare mannen zover krijgen dat ze de strijd aan zouden willen gaan, dan nog zou hij in deze dunbevolkte streken hooguit een driehonderd man op de been krijgen, die dan voornamelijk in hun eigen omgeving zouden willen vechten. De boeren in de andere delen van Drenthe moeten zichzelf maar redden, is de stelregel van de meesten. Als enige oud-soldaat in hun midden, geven de boeren en de andere Etten Eber de bevoegdheid stappen voor te bereiden. Hij zal hen moeten leiden. Maar voor hij ook maar iets gaat doen, moeten ze er stuk voor stuk over meebeslissen. Eber voelt het soldatenbloed weer kriebelen. Wat een wonderlijke ervaring. Tóen vocht hij voor zijn geld, nú moet hij misschien vechten voor zijn familie. En hij heeft al bloed genoeg gezien.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.