Albert Metselaar Hoogeveen

De weken daarop, als de winter overgaat in het vroege voorjaar, bezoekt Eber zoveel mogelijk boerderijen en gehuchten in alle delen van Drenthe. Bij de voorbereiding van deze tocht haalt hij zijn wapens weer tevoorschijn. Zijn spata, langzwaard, heeft te lijden gehad van jaren van trouwe dienst en vochtige tijden in het noorden. De gescheurde originele leren schede wordt vervangen door een nieuwe, volgens lokaal gebruik omgeven door linnen en met een met brons afgezette punt. Enkele bronzen ornamenten worden gemonteerd op de nieuwe draagriem. Eber heeft een rond houten schild laten maken, dat rood gekleurd is met het bloed van een os. Zijn paard heeft maar weinig te doen gehad. Het dier is ouder geworden, maar nog oersterk. Het zal hem nog steeds kunnen dragen, maar lijkt er weinig zin aan te hebben. Moet ik weer? Ik had het net zo leuk, met de merries uit de buurt. Ja, het moet weer. De kleine Akke is diep onder de indruk van haar vader, als hij met zijn wapens, schild en zadel een rondje door de buurt maakt. Eber snijdt tussentijds voor haar een paard uit een stuk hout en een ruiter uit een gevorkte tak. Nog een schijf erop als schild, en als Eber uitrijdt, heeft Akke de kleine versie van de ruiter als speelgoed in haar handen.

Ebers missie is dubbel. Hij is op zoek naar getuigen van de plunderingen, die op wat voor manier dan ook opgenomen zijn in de Drentse bevolking. Hij hoort hun verhalen aan, vraagt, vraagt, hoort hen uit, en hoopt daaraan conclusies te kunnen verbinden. Verder doet hij een beroep op de jonge kerels, die meer willen dan alleen voor het eigen hachje knokken. Al zoeken ze het avontuur, het kan Eber niet schelen waarom ze het doen, als ze maar bereid zijn om hem bij te staan als hij hen nodig heeft. Een stuk of veertig mannen stellen zich beschikbaar. Hun familieleden ondersteunen hen door alle wapens aan te dragen die ze op hun hoeves kunnen vinden. Eber moet er hard aan trekken. Iedereen vindt eigenlijk dat een ander zal moeten vechten. En de dreiging die normaal werkte, werkt nu toch ook?

Eber wijst dan op de schedel van een os of een paard, die altijd wel ergens aan een gevel hangt. De os met zijn dreigende hoorns of het geestenpaard met zijn keiharde hoeven, die zou toch alle geesten uit de geestenwereld afweren, zo gauw die bij hun hoeves zouden komen? Ja toch? Hoe kan dat dan, dat er nu geesten in hun hoofden spoken, die angst in hen oproepen, omdat hun vertrouwde wereld wordt bedreigd? Angst, neeeeee, ze zijn niet bang. Jullie zijn zo bang dat je niet eens wilt zien wat voor gevaar er op ons afkomt. Eber vertelt dan over wat hij aan de andere grenzen van het Romeinse rijk heeft meegemaakt. Hoe stammen op drift andere stammen uitmoordden. Dat was voor de Romeinen dan weer een mooi excuus om vrede te brengen, oftewel het land binnen te vallen. Dreigen helpt niet, als het er echt op aankomt, en jezelf onverdedigd overgeven, dan loop je ook nog de kans dat je helemaal onder de voet wordt gelopen. Ze komen er nu nog af met zo nu en dan belasting aan de Romeinen te betalen, maar hoe lang nog, als ze verzwakt zijn door de dreiging van de zwervende noordelingen. Want daar, uit het noordwesten, daar lijken ze vandaan te komen. En anderen komen uit het zuidwesten.

De informatie van de vluchtelingen en andere getuigen die Eber verzamelt – een enkele handelaar uit de eigen hoeves heeft de verwoesting ook gezien – wijst in de richting van meerdere groepen plunderaars, die los van elkaar hun slag slaan. Het schijnt zelfs voor te komen dat een stel families die eerst zelf van de voorraden beroofd zijn, daarna mee gaan plunderen, opdat ze weer nieuwe wintervoorraden krijgen. Zo houdt het nooit op. De nieuwe slachtoffers moeten weer van alles bedenken om zélf in leven te blijven. Dat niet al die bedenksels even prettig zijn voor de boeren even verderop, dat laat zich raden. Misschien dat daarom de verhalen ook altijd zo vaag zijn. Er is nooit duidelijk genoemd welk volk, welke leider of welke streek achter de plunderingen zat. Die keren dat er namen vallen, spreken de getuigen elkaar tegen. Maar het noordwesten en het zuidwesten, daar moeten ze vandaan komen. Veel andere keus is er ook niet.

Ten noorden van Drenthe ligt ze zee met vluchtheuvels, oftewel terpen, van hier en daar wat boeren en ten westen ben je na een paar dagen ook bij de zee.

Ada, Ebers neef, heeft contact gezocht met boeren in het zuiden. Op hen hoeven ze niet te rekenen, dat is wel duidelijk. Die zijn van mening dat alles wel mee zal vallen. De boeren op de terpen ten noorden van hen zijn óf zelf al eens overvallen en zijn blij het overleefd te hebben, of verwachten niet dat hun drassige gebieden lastiggevallen zullen worden. Ze zijn ook met zo weinig, dat dit niet aantelt. De verwachting dat ze niet worden aangevallen, die leeft ook sterk bij de boeren in het directe noordwesten. Deze lijken Ebers stam op te willen offeren aan de toekomst, als waarschuwing voor hen. Ze stellen dat ze bij de eerste tekens van onraad in Drenthe altijd nog wat kunnen doen. Alleen weet niemand precies wat ze dan zouden moeten doen.

Dat is ook voor Eber nog niet duidelijk. Voor een open oorlog in open veld zijn de Drenthen te ongeoefend, hebben ze te weinig mannen die echt willen en kunnen vechten en zijn er geen goede punten om te verdedigen. Er zijn geen forten, geen grote open vlakten waar slag geleverd zou kunnen worden, de mannen kennen niet de discipline die een soldaat zijn kracht geeft. Eber kent het soldatenleven van de Romeinen. Hij kent de tactieken van de centurions, de commandanten. Daar kan hij niets mee met dit zooitje goedbedoelende ongeregelde kerels. Vechten is iets voor ieder voor zich. Een geregelde slagorde, wat is dat?

Hilde heeft een oude geit aangehouden. Een lief dier, dat nog goed melk geeft. Het dier is echter blind. Om te voorkomen dat ze in het veen terecht zal komen, heeft Eber de geit aan een touw gezet. Het dier is tandenloos. Het touw wordt niet meer doorgebeten. Het gras wordt echter zo gekauwd en losgescheurd, dat het dier nog voldoende te eten heeft. Temeer daar er regelmatig wat extra gras van verderop wordt voorgegooid, dat door Hilde wordt geplukt of gemaaid. Zo ineens valt het Eber op dat zijn hengst het misschien wel goed kan vinden met die geit, maar dat die nooit staat te vreten bij de geit. Gewoon, omdat de geit haar stukje aardig kort houdt. De hengst gaat naar het hogere gras. Er valt bij de geit niets te halen!

Als bij de eventuele komst van de plunderaars de boerderijen door de bevolking zelf in brand gestoken zullen worden, zal de indruk ontstaan dat anderen hen al voor geweest zijn. Dat is een manier om zonder grote gevechten, die ze zelf niet aankunnen, toch het merendeel van de hoeves te behouden. Wie zich niet laat misleiden, kunnen ze vanuit hinderlagen aanpakken. Een open veldslag kunnen ze niet aan, dat is duidelijk. Maar hoe krijg je de mensen zover dat te doen? Hoe krijg je een boer zover zijn eigen bedrijf te vernielen om zo dat van anderen, die hij amper of niet kent, te redden? Eber laat weer het houten zwaardje rondgaan. Eber roept weer de Etten en leidende boeren bij elkaar. Die vinden het plan idioot. Dat kan niet van de bevolking gevraagd worden. Eber voert aan dat de rest van de bevolking hen zal moeten helpen bij de herbouw van de boerderijen en zal kunnen helpen bij het vervoer van de voorraden en het vee. Nee is nee! Die Eber is een beste kerel, maar nu praat hij wartaal. Of er een ander plan is? Nee, maar Eber moet wat beters bedenken.

Met al dat volk in huis heeft Hilde haar moeder gevraagd om te komen helpen. Er moet gegeten en gedronken worden. Nee, ze eten niet op de voorraad van Eber, ze nemen allemaal wel wat mee, maar ze gaan er min of meer van uit dat Hilde dat wel zal doen. Als de leidende boeren hun beraad willen afsluiten, want er is toch niet met goed fatsoen wat met Eber te bedenken, heeft Hilde overleg gehad met haar moeder, en vraagt het woord: “Met zo’n moeilijke beslissing als deze, is het niet raadzaam om als mens je door wat voor angst, bedreiging, of wat dan ook uit het veld te laten slaan, terwijl je nog niet eens een veldslag geleverd hebt. Dat moeten godin beslissen. We deden dat vroeger wel met een paardenorakel. Wat laat de Godin het paard nu zeggen?” Even zijn ze verstomd, maar de doorlopend door debatterende mannen zijn niet snel stil te krijgen. “En als het paard twijfelt?” “Dan vragen we het de vogels, of we slachten een dier en kijken naar de lever, zeg het maar. Maar waarom zou het paard twijfelen, als de Godin het als middel gebruikt om ons te leiden?”

Na de maaltijd lopen ze naar een hoge boom, ongeveer 10 armlengten van de rand van veen en zand. Eber heeft zijn hengst bij zich. Het beest heeft als dekhengst die dag nog zijn best gedaan voor twee merries van de etten, zoals hij al sinds de terugkeer van Eber zorgt voor gezond nageslacht van de lokale paarden. Het dier sjokt achter Hilde aan. Het snuffelt aan haar kleding. Twee man staan aan de rand van het water. Ze blazen op een hoorn. Eber zegt oude woorden. Dan wordt de vraag voorgelegd: “Vrouwe van het Ven, moeten wij vechten en moeten wij om de vijand af te schrikken de aarde verschroeien?” Eber kan zijn formule niet afmaken. Hilde neemt het over. “Vrouwe van het Ven, leidt ons paard. Als het rechtsom rond de boom loopt is uw antwoord volmondig ‘Ja’, als het ‘Nee’ is, laat het paard linksom om de boom lopen”. Dan richt ze zich tot de hengst: “Paard loop. Vrouwe, stuur het paard.” Als gestoken door een horzel schiet het paard naar voren en galoppeert een paar rondjes achter elkaar om de grote boom. De mannen zien het met verbazing aan. Dit is wel zo duidelijk. Ebers tactiek moet worden uitgevoerd, zegt de Godin.

Het besluit is gevallen. En ook weer niet. Als de mensen weer naar huis gaan, hoort Eber hen van op een afstandje alweer mopperen. Het is hem in zijn kop geslagen. Zo gek zullen ze toch nooit zijn, dat ze hun eigen hoeves in brand steken? Die avond is Eber niet te genieten. Die idioten hier worden afgemaakt, en hij kan niets doen. Dan – als hij besluit om toch maar te gaan slapen – hoort hij ineens een ander paard bij zijn hengst. Wie is daar? Tegen de tijd dat hij echt onder zijn deken kruipt, is alles in kannen en kruiken. Denkt hij. O ja, en Hilde fluistert hem nog wat in het oor, voor hij in slaap valt. Hun paard sjokt toch graag met Hilde mee, als ze eetbare wortels en andere planten gaat zoeken? Nou, het paard krijgt dan ook wat lekkers. Maar alleen als hij hard rond een boom gaat lopen, als zij roept: “Stuur het paard!”. Ja, ze heeft hem een trucje geleerd. Is niet erg toch? Vandaar dat het paard aan haar kleren snuffelde. Hij rook al iets.

Vorig artikelDe aardkundige geschiedenis van de Hondsrug
Volgend artikelLezing: Van prooi naar vee – op zoek naar de vroegste landbouwdieren in Nederland

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.