DE GEMASKERDE RUITER – Hoofdstuk 7

0
386
Albert Metselaar Hoogeveen
De slag om de ruige hoogte

Als dan op een avond weer een vluchteling aankomt bij de hoeves aan het oude diepje, waar Ebers familie woont, dan wordt het een onrustige nacht. De boodschap is dat een volgende groep moordende plunderaars in aantocht is. Ze zijn nog geen twee dagreizen ver weg. Wat moeten ze doen? Praten, veel praten, dat is het gevolg. De op de hoeves aanwezige krijgers van Ebers kleine legermacht vergeten zelfs de hoorn te blazen. Het blijft bij praten. Na een korte nacht zijn ze uitgepraat. Bij het eerste licht verschijnt er een gemaskerde ruiter, gekleed in hertenleer, als een oude jager. Vanachter zijn donkere houten masker met puntbaard, brult hij zijn bevelen. Ze krijgen nog zolang het duurt om zes koeien uit te melken, en dan moet alles buiten staan wat ze hebben aan voedsel en vee. Hij komt terug, met al zijn kameraden. En staat het er niet, dan wordt iedereen vermoord. Hij brult en giert vanachter zijn masker, terwijl zijn paard stijgert, hij slaat met zijn lans op zijn schild, en lacht, zoals boze geesten dat zullen doen, en dan verdwijnt hij weer. Op naar de volgende hoeve.

Buitenzetten en dan alles laten roven? Zo gek zijn ze toch niet? Onmiddellijk worden alle vrijen en onvrijen aan het werk gezet. Hoeve na hoeve raakt op drift. Alles wat men mee kan nemen aan vee, voedsel, voorraad, het gaat allemaal op paarden, ossen, koeien, geiten, alles wordt ingezet en men begint een trektocht naar het zuiden. Vluchtelingen worden niet meer opgevangen, men is zelf vluchteling, in de hoop achter de rivier die Drenthe scheidt van het Zuidland  in veiligheid te zijn. Dwars door de wouden, langs hoeves en steenbergen, tot de overzijde van de grensrivier wordt bereikt. De Grote Trek is begonnen en afgerond. De Grote Veilige Trek. Zo wordt het later genoemd, als de kinderen van alle families, de vrijen en de onvrijen, hun herinneringen doorgeven aan hún kinderen en kleinkinderen.

Als ze weg zijn, zien ze achter zich de rookpluimen al opstijgen. De gemaskerde ruiter kwam langs, vertellen de oudsten van de familie later. Ze bleven achter, verscholen in het struikgewas. Ze hadden geen keus. Ze konden niet mee. Ze moesten zichzelf maar zien te redden, met al het eten dat ze meekregen, tot het moment dat de families terug zouden komen. Dat duurde niet zo lang. Het waren warme dagen, ongeveer 13 nachten lang, ze konden zich goed redden en het was goed te slapen in de buitenlucht. ’s Nachts sliepen ze in grote spanning, met als enige troost dat de ouderen die samen oud mochten worden, man en vrouw, de laatste dagen bij elkaar mochten doorbrengen, wat er ook gebeurde. En wat er gebeurde: de gemaskerde ruiter had op het moment van terugkeer slechts één man bij zich. Hij had een linnen zak over zijn hoofd. De ruiters hielden er blijkbaar rekening mee dat ze bespied zouden worden, en wilden nog steeds niet herkend worden. Ze gingen de hoeves in, bliezen het smeulende vuur weer op, en gooiden houtskool op de daken van de hoeves en de spiekers, de voorraadschuurtjes. Ze gooiden vuur in het hoge graan. Hier en daar ging een stuk bos mee. Die dag gloeide de avond en de nacht rood op, zodat de andere morgen de zon moeite had om door te breken, vanwege alle rook.

Zo werd een strook van oost naar west door het Drentse land volledig kaal gebrand. De hoeves van Ebers familie bleven gespaard. De mensen waren wel weg, maar daar hielden de brandpartijen op. Wat de ouden wel zagen, was dat de gemaskerde ruiter en zijn zak-over-de-kop kameraad in de dagen erna een paar keer langskwam, en alles inspecteerde wat er maar te zien was. In die dagen gingen ook hoeves en spiekers, akkers en stukken bos ten noorden van de al verbrande strook Drenthe in vlammen op. Het viel de ouden in de struiken op dat de gemaskerde ruiter en zijn kameraad ook dat in de gaten hielden. Ze leken daar niets mee te maken te hebben. Eén had zelfs horen zeggen….”Nu gebeurt het. Waar zouden ze precies zijn?” Toen waren ze weer weg.

Direct na de eerste komst van de gemaskerde ruiter hadden de krijgers van Eber hun hoorns gepakt en waren gaan blazen. Drie stoten op de hoorn, even wachten, weer drie stoten op de hoorn. Al snel werden de stoten beantwoord, van alle kanten. De krijgers waren gealarmeerd en trokken naar de hoeve van Eber, bij de ruige hoogten, met genoeg voorraad om een krijgstocht van een week of twee vol te kunnen houden. Het waren geen twintig man, het waren er veel meer. Het waren er rond de vijftig. Wat die andere 30 allemaal doen konden, dat wisten ze ook niet, maar ze kookten van woede en wilden niet op de vlucht. Daar had Eber stiekem al op gehoopt. Die middag werden ze al bijgepraat door een verkenner. Hessel, waarvan een enkeling nog wist dat hij de zoon was van de verdwenen Wolte, had zich eveneens bij Eber gevoegd. Hij had een oudere onvrije bij zich, trouw tot op het bod, en waar Hessel reed, reed ook die man, in zijn stokouderwetse jachtkledij, net als Wolte, alsof hij zo uit het woud kwam.

De dagen erop gaan er meer verkenners eropuit Hessel en zijn onvrije houden hun eigen gebied in de gaten, twee andere groepjes trekken twee aan twee ten westen en ten oosten ervan naar het noorden, op zoek naar de vijand, wie de vijand is, en hoe sterk deze zal zijn. Onder de verkenners is ook Gert van Taarlo, één van de knechten op de hoeves van Ebers familie. Na enkele dagen komen Gert en zijn kameraad niet terug. Betrapt en gevallen in de strijd? Anderen nemen de plaats in. Eber maakt nieuwe krijgsgroepjes. De vertrouwelingen, de kleine groepjes mannen die door dik en dun hebben getraind, die samen op de hoeves aan het werk waren en samen zich bij Eber voegden, trainen nu zelf de mannen die ze mee hebben genomen, toen de rest van de families op de vlucht sloegen. Lans, schild, mes, en als dat er niet is, wordt het wel gemaakt. De simpele jachtschilden, gevlochten van biezen, huid erover en soms takken of plantenstengels er ussen gedrukt. Die jachtschilden, bedoeld om je achter te verstoppen als je het wild benadert, ze kunnen bij wat komen gaat goed werk verrichten. Tijd om beter te maken is er niet. Dit kan in een paar dagen worden gemaakt. De lansen zijn vaak niet meer dan de jachtlansen waar wilde zijnen mee worden gejaagd. De zwijnen uit het noorden kunnen ook bloeden aan de punten. Het is allemaal goed genoeg.

Na een week lijkt alles rustig te zijn. De ouden in de struiken zien voor het laatst de gemaskerde ruiter en zijn kameraad met de kop in de zak. Alles wat brandde, is uitgebrand. De wouden zijn stil, zoals ze nog nooit zo stil waren. De mensen zijn weg. Er zijn ook geen nieuwe branden meer gesticht in het noorden, vertellen de verkenners. Hessel en zijn onvrije komen bijpraten aan de vuurplaats van Eber. De kleine Akke ziet het gebeuren. Ze hoort vertellen over spannende dingen. Ze pakt haar houten ruitertje en zijn paard en komt dan van onder haar deken vandaan. Ze komt stilletjes bij de mannen aan het vuur zitten. Ze luistert en zegt… “Ome Wolte, wat was dat spannend! Bent jij dat ook, deze ruiter?” Ze duwt hem haar speelgoed in handen. “Ja, zegt Wolte, dat ben ik ook hoor, en dat is Hessel ook, en je vader ook, als hij op zijn paard zit.” Die kleine meid hoefde niemand wat te vertellen. Ze heeft ome Wolte direct herkend, gewoon aan zijn postuur. Hij komt zo vaak bij haar vader bijpraten. En Hessel kent ze ook al. Bij hen voelt ze zich net zo veilig als bij haar vader en moeder. Die gemaskerde ruiter en de man met ze kop in de zak, Wolte en Hessel, dat zijn haar kameraden. Hun daden kan ze later doorvertellen aan haar achterkleinkinderen.

Eber had een zwaar gesprek gehad, toen hij Wolte had gevonden, na hun verkenningstocht door het veen en het afluisteren van de stropende ruiters uit het noordoosten. Maar Wolte had hem weten te overtuigen van het gevaarlijke spel dat hij speelde. Uiteindelijk was het niet Ebers, maar Woltes plan dat de zaak zou moeten redden. Wolte zou ervoor zorgen dat er een strook verschroeide aarde zou ontstaan, waarop de vijandige ruiterij dood zou lopen. Dat was inmiddels ook gebeurd. En maar goed ook. Er waren twee groepen ruiters op strooptocht. Daar had niemand op gerekend. De ene was tot branden en roven overgegaan ten noorden van de verschroeide strook, en daarop weer vertrokken. Dat was zo mooi opgelost, al had de oplossing ook veel leed veroorzaakt. Wolte  had zich voordien al gemeld bij de hem bekende vijand. Zijn volk had hem in de steek gelaten en hij wilde wraak nemen. Dat was de smoes die gepikt werd. Samen met de zoon van de grote rooie leider van de troep, had hij toen een verkenningstocht uitgevoerd. Zo had hij hen van zijn betrouwbaarheid weten te overtuigen. Hij had zijn verkenningsmaat en daarmee ook de vijand geleerd hoe ze via een pad in het veen naar het rijke gebied konden komen, zonder gezien te worden, en zo ook ongezien weer konden vertrekken. Waarom? Omdat op dat pad ook een perfecte hinderlaag te leggen was, voor een kleine eenheid krijgers. Voor Ebers krijgers, oftewel: zijn bende. In plaats van een mes tussen zijn ribben, wat Eber had voorgenomen om Wolte mee te ontvangen, werd het een stevige omhelzing van twee oude kameraden. Ze stonden zij aan zij in dezelfde strijd. En met deze daad zou Wolte uiteindelijk weer zijn plaats in de familie kunnen terugwinnen. Wolte vertrok. Hij zou zich weer bij de grote rooie leider melden. De volgende dag zouden ze via de veenroute binnenvallen………

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.