Albert Metselaar Hoogeveen
De slag om de ruige hoogte

DE GIDS

“De zoon van de Grote Moeder roept op tot de strijd!” De boodschap gaat die zomer van hoeve tot hoeve, van zuid naar noord en van oost naar west.  De boeren en arbeiders horen tegelijkertijd van de gruweldaden die in het noordoosten gebeurd zijn. Niemand kent iemand die er echt geweest is. Maar iedereen weet dat de geruchten waar moeten zijn, want ze zijn even gruwelijk als die van vorig jaar uit het terpengebied. De zoon van de Grote Moeder. Eber heeft er zelf niet om gevraagd. Sterker nog, met dat zijn bijnamen krachtiger worden, gruwelt hij er meer van. Maar misschien dat het de mensen nu kan helpen moed te verzamelen. Als een zoon van een god hen voor zal gaan in de strijd, moeten ze wel winnen. Op de boerderijen wordt overal flink gediscussieerd over de wenselijkheid van het verlaten van de familie. De oogst is net binnen, maar de feesten zijn nog niet geweest. Er kan zo niet eens aan oogstfeesten gedacht worden. Geen mens die nu plezier kan maken. Valt er wat te vechten? Kunnen ze niet beter hun hebben en houden bij elkaar pakken en elders opnieuw beginnen? Zo blijven de discussies aanhouden, net als toen Ebers krijgsgroep werd samengesteld. Maar nu lijkt er echt wat te gaan gebeuren. Nu is het kiezen of delen, gaan of blijven, vechten of vluchten.

Vooral aan de vuren van uitgeweken Tencteri en hun nazaten wordt daarover gepraat. De familie van Eber is niet de enige groep Tencteri die in Drenthe een nieuw bestaan heeft opgebouwd. Per slot van rekening hebben ze al vaker hun boeltje gepakt. Moeten ze vechten voor een gebied en een volk dat hen tegen wil en dank opgenomen heeft en nog steeds laat blijken dat ze zelf meer en beter zijn? Ja, zeggen anderen weer. Nu hebben ze de kans te laten zien wat ze waard zijn. Als ze zich nu onthouden van de strijd, is ieder lid van de oude stam van de Tencteri ongewenst. Als ze nu ervoor zorgen dat mede door hen de overwinning behaald wordt, hebben ze voor altijd een plaatsje in de Drentse samenleving. Maar valt er wat te overwinnen? Wie is de vijand en hoe sterk is die? Wat zijn zijn wapens, hoe geoefend zijn ze, waar valt hij aan?

Terwijl overal in Drenthe mannen, jong en oud, hun keuzes maken, en die met de families bespreken, rijden Eber, Gert van Taarlo en Adal op het oude pad over de ruige hoogten en langs het ruige meer. In hun hoofd zitten dezelfde vragen als die elders aan de vuren gesteld worden. Zij zoeken naar antwoorden. En naar twee mannen, ruiters, die gezien zijn op diverse plaatsen. Ze kwamen uit het noorden, verdwenen in het veen en kwamen er elders weer uit. Wie zijn ze, waar gaan ze heen en wat hebben ze aan informatie verzameld? Want dat deden ze. Kijken en vragen. En dan weer weg. Ze worden het veen in geleid, op een punt ten noorden van Ebers hoeve. Zijn hoeve is blijkbaar niet opgevallen. Maar wie gaat er nu door het onbekende veen?

De droge zomer heeft haar sporen achtergelaten in het uitgestrekte moerasgebied. De meren zijn soms tot minder dan de helft van het normale oppervlak teruggedrongen. Op de anders zo weke bovenlaag van de venen er omheen zit een uitgedroogde korst, die dik genoeg is om een man te dragen. Daarmee is het gebied voor onbekenden nog verraderlijke geworden dan het voordien al was. Een man wordt erdoor gedragen, een man op een paard zakt er onherroepelijk doorheen. Zouden de sporen van de beide verkenners anders duidelijk afgetekend zijn in de drassige bodem, nu is slechts een geoefend oog in staat de ruiters te volgen. De veenweg is zo stevig dat de hoeven er amper in herkenbaar zijn. Het is vooral het droge gras, dat door de hoeven geknakt is, dat aangeeft waar de paarden liepen van de beide mannen die door Eber, Gert en Adal worden gevolgd. Het gras loopt op verschillende plaatsen door tot op de verraderlijke veenkorst, evenals de heideplanten en de opschietende jonge berken. In de herfst zullen die planten daar al snel weer afsterven. Het geeft het gebied nu het aanzien van een breed toegankelijk gebied. Toch volgen de sporen steeds het soms nauwelijks herkenbare veenpad.

Het verbaast Eber. Sowieso is het opvallend dat de verkenners de route door het veen nemen, en niet de betere en bredere paden door het zuider woud en de velden en wouden in het midden en het noorden van Drenthe. Dat had meer voor de hand gelegen. Daar leven mensen op hun hoeven. Daar is meer te zien. Of kiezen de verkenners voor een ‘onzichtbare’ terugtocht? Hoe het ook zij, de sporen zullen hen uiteindelijk bij de ruiters brengen, waar ze deel van uitmaken. Misschien dat er dan méér duidelijkheid is. Als de rand van het bos ten noorden van het veen in zicht komt, zien ze in de verte enkele rookpluimpjes voorzichtig hun weg naar omhoog zoeken. Het doet hen denken aan de rook van de open vuren die bij een legertje verwacht mogen worden. Blijkbaar voelen de plunderaars zich veilig genoeg om zich aan die vuren te laten kennen. Hoe zou het ook anders. Er was in geen velden of wegen een macht die hen zou kunnen keren. Of toch wel? Eber, Adal en Gert laten hun paarden achter. Ze lopen verder, oplettend dat ze niet gezien of gehoord worden. Ze slagen erin om zo dichtbij te komen dat ze van onder een braamstruik de vuren en de krijgers kunnen zien. Ze hebben zelfs geen wachtposten uitgezet, denkt Eber. Zien kan wel, horen kan nog niet.

Ze besluiten de bescherming van de nacht af te wachten. Om de beurten blijven ze tot de duisternis valt van onder de braamstruik de 80 à 90 krijgers in de gaten houden. Tijdens Ebers wacht komen er twee mannen het kamp binnen rijden. Ze worden enthousiast ontvangen en vertellen wat ze in de omgeving gezien hebben. Blijkbaar zijn het de beide verkenners, die inmiddels de wijde omgeving rond het kampement gezien hebben. Er wordt zo luidruchtig met elkaar omgegaan, dat Eber een gedeelte van het verslag kan volgen. De koeien worden geprezen. De bevolking zal goede slaven opleveren. Wat het schokkendste is, is de mededeling dat de weg door het veen nog steeds goed begaanbaar is. Nog steeds! Blijkbaar is één van de verkenners goed bekend in deze omgeving. Eber denkt in flarden van uitspraken iets bekends te horen, maar het wil niet lukken erachter te komen wie die man is. Hij zit met de rug naar Eber toe. Het postuur, het loopje, dat moet wel een bekende zijn. Even denkt Eber…., nee, dat kan niet. De verkenners worden stiller als een met kostbare wapens getooide roodharige reus met hen in gesprek treedt. Blijkbaar is hij de hoofdman. Rooie Hieke, heet de man, zoals ze later horen. De ene verkenner gebaart in de richting van waar Eber gekomen was. Hij lijkt een route uit te willen duiden. Eber denkt aan de methoden die de Romeinen wel toepasten. Als een legeronderdeel in een onbekend gebied kwam, werden er plaatselijke gidsen ingehuurd die hen op de hoogte stelden van de situatie. Hier moet ook zo’n gids, zo’n verrader aan het werk zijn. Eber neemt zich voor in het donker vooral te proberen erachter te komen wie die gids is. Desnoods maakt hij hem van kant, als hij de kans krijgt. Die rotzak moet niet de kans krijgen zijn werk af te maken. Met die gedachte nog in zijn hoofd schrikt hij van Gert, die hem op de schouder tikt. Gert zal hem aflossen. Eber kruipt terug naar Adal, eet een stuk gedroogd vlees en probeert wat te slapen. De nacht zal niet veel slaap opleveren. Eerder het tegendeel.

Het is net na het ondergaan van de zon als Eber, Adal en Gert ieder van een kant het kampement naderen. Ze kunnen de krijgers zo dicht naderen, dat ze woordelijk kunnen verstaan wat er gezegd wordt. Er is nu geen enkele twijfel meer over het doel van de tocht. Ze zullen over de veenweg het midden van Drenthe binnendringen. Zo zijn ze binnen de kortste keren en vrijwel ongemerkt in het hart van het gebied. Daar zullen ze toeslaan. Ze zijn behalve op slaven en huiden ook uit op jongvee. Het lijkt erop dat ze in hun eigen gebied, ergens in het oosten, de veepest gehad hebben. Eber heeft met enige moeite in het schijnsel van één van de vuren de gids weer herkend. Het is zijn postuur en zijn wapenuitrusting die hem onderscheidt van de anderen. Vooral de boog is opvallend. Er wordt flink gedronken. Er is bier genoeg voorhanden, gebrouwen door een inmiddels leeggeplunderde boer. Met zijn mes tussen zijn tanden glijdt Eber op handen en voeten tussen de struiken door. Als het bier zijn werk doet, zal de gids de vuren verlaten en zich even terugtrekken in de bosrand. Eber wacht achter de struik die het dichtst achter de gids staat. Uiteindelijk na lang wachten, loopt deze naar de bosrand, pal langs Eber, en staat dan even stil. Als hij uitgepist is en zich omdraait zal het vuur zijn gezicht verlichten. Dan zal Eber weten wie hij is en wie hij was. Want zo gauw hij dan weer bij de struik langs loopt, zal Eber hem van achteren de hand op de mond leggen, een mes tussen zijn ribben steken en hem achter de struik trekken. De man draait zich om. Eber laat hem stomverbaasd aan zich voorbijlopen. Hoe kan hij in Godsnaam hèm het zwijgen opleggen. De gids heet… Wolte!

Als rond de vuren de meeste mannen zijn gaan slapen, kruipen Eber, Adal en Gert terug naar de braamstruik. Samen lopen ze naar hun paarden. In alle rust brengen ze elkaar op de hoogte van wat ze gehoord hebben. Eber zwijgt over Wolte. Hoe zou hij duidelijk kunnen maken wat hij doormaakt? Zijn beste vriend leidt de vijand naar hun boerderijen… Hij zal zijn beste vriend moeten bestrijden. Eber is ervan overtuigd dat de strijd hard en moeilijk zal zijn. Aan beide zijden zullen mannen sneuvelen. Alles hangt af van hoeveel mannen zich op het laatste moment nog bij hen aan zullen sluiten. Adal en Gert zijn diep onder de indruk van de slagkracht en de organisatie van de indringers. Gert heeft vernomen dat de slaven van de laatste paar weken samen met het jongvee en de huiden door een dertigtal krijgers weggevoerd zijn. Ze gaan naar hun boerderijen en naar de markten. Als de krijgers teruggekeerd zijn, zullen er tegen de 120 man klaarstaan. Adal vernam wanneer de inval ongeveer plaats zal hebben. Hij is er in geslaagd dicht in de buurt van de hoofdman te komen. Deze besprak met de gids de doortocht door het veen. Over zes nachten is het volle maan. In de nanacht zullen ze door het veen trekken, over de door de gids verkende route. Bij het eerste ochtendgloren zullen ze aanvallen. Het is bij het ochtendgloren van de eerstvolgende morgen dat Eber, Gert en Adal uit elkaar gaan. Gert zal achterblijven om de invallers in de gaten te houden. Adal rijdt terug naar de hoeves aan het stroompje. Hij zal iedereen waarschuwen en enkele betrouwbare boeren of arbeiders ophalen om Gert af te lossen. Eber gaat op zoek naar Wolte. Want die zal hij vinden. Al is het het laatste wat hij zal doen.

Vorig artikelThe Dutch Dolmens
Volgend artikelWartime American bomber crashed near Exloo

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.