Die middag staat Eber als een geit aan een pin vastgebonden aan een boom, een touw om zijn hals en de handen gebonden op zijn rug. Als Wolte op hem toeloopt zegt hij niets. Hij kijkt hem ijzig aan. Hun ogen ontmoeten elkaar en hun blikken lijken niet meer los te komen. Dan komt er een knipoog. Van Wolte. “Ik had je haast niet herkend”, zegt Wolte. “Ik weet niet hoe je er aan komt, maar die platte scheve neus die je nu hebt, heb je ook nog niet zo lang.” “Cadeautje van Hermen”, is Ebers antwoord. ” Wist je toch wel, had ik al een tijdje. De simpele Hermen heeft zich door Gert wijs laten maken dat hij de baas was. Toen ik dacht dat ik dat was sloeg hij erop. Hermen heeft later verteld wat Gert uitgekraamd heeft. Ik heb hem een nieuwe kans gegeven omdat hij spijt betuigde en inzag hoe dom hij geweest was. Zo zie je maar weer: van je vrienden moet je het hebben.”

Wolte snapt dat die laatste woorden ook voor hem bedoeld zijn. Eber blijft hem doordringend aankijken. Zijn monotone verwijtende zinnen  en doordriingende blik dwingen Wolte tot een verklaring. “Ik moet je nu bewaken, dus ik heb de tijd. Laat ik beginnen met toen ik terugkwam naar Drenthe, lang, lang geleden, na ons gezamenlijke avontuur bij de Romeinen. Ik ben naar huis gegaan, zoals de bedoeling was”, zegt Wolte. “Ik had beter weg kunnen blijven. Mijn liefje was van me in verwachting, toen we vertrokken. Om de familie niet te schande te maken heeft haar vader zo snel mogelijk een kerel voor haar geregeld. Tegen de tijd dat ik terugkwam moesten zowel die kerel als haar vader niets van me hebben… of het moest mijn kop zijn. Ik ben uitgejouwd door het hele dorp. Het was verschrikkelijk, Eber! Jarenlang was ik een uitgestotene. En dan denk je dat je eindelijk een thuis gevonden hebt, maar dan wordt je weer uitgestoten! Ik vertrok naar het oosten. Rooie Hieke nam me toen al op in zijn dorp. Bij hem vond ik weer vrienden, een vrouw, een thuis. Ik heb lak aan de rest van de wereld, net zoals die lak heeft aan mij. Maar als Hieke zegt dat ik op de kop moet staan dan sta ik op de kop. Voor hem ging ik door het vuur. Alles wat ik nu heb, heb ik heb ik aan hem te danken!”

“En je oude vrienden dan Wolte, mogen die verrekken?” “In Drenthe had ik weinig vrienden meer, op jouw vader en grootmoeder, en later jou en twee of drie anderen na. De rest van de bevolking heeft me vervloekt om hoe ik naar gerechtigheid zocht. Mijn naam zal nog lang op hun lippen zijn.” Die laatste woorden van Wolte zitten vol verbittering. Hij vervolgt met: “Jarenlang was ik overal. Ik leefde van wat de bossen en de velden me opleverden, je weet het Eber, ik heb je toen eerlijk bijna alles verteld. Bijna alles, dat van Rooie Hieke hield ik maar achter, want je zou maar wantrouwig worden…. En toen kwam dat roofplan van Hieke. Het was na een paar mislukte oogsten, de pokken en de veepest. Alles ten westen van Hieke’s stam zou kapot gaan, de mensen zouden onvrijen voor zijn stam worden, het vee zou zijn vee worden, en als de grond goed genoeg was, zou de hele stam zich verplaatsen. Dat was een plan van Hieke’s zoon. Ik zou de verkenner en de gids voor ze zijn.” “Dus je was gewoon een vuile verrader?”, vraagt Eber. “Als ik ooit vrij kom, zet ik mijn pugio onder je borstbeen en wrik het los tot ik je hart eruit kan scheuren. Dat is de honden nog niet waard!”

Meteen krijgt hij een pets van Wolte. “Hou je kop man! En het spijt me van die klap Eber, maar ze moeten om ons heen niet denken dat we vrienden zijn….” “Vrienden, je hebt ons verraden! “Laat me nou uitpraten idioot! Zelfs Hermen de Simpele was nog slimmer dan jou!”, zegt Wolte. “Die wist dat ik altijd vrienden bleef met wie mijn vriend was!” “Nou, laat je horen….”, zegt Eber, en Wolte vertelt verder. “Ik heb jullie nooit verraden! Ik heb hoog spel gespeeld. Nooit zou ik mijn familie verraden, hoe ze mij ook uit hebben gestoten. Mijn verbond met jou was oprecht. Samen hebben we met de tactiek van de verschroeide aarde Rooie Hieke ontmoedigt. Samen hebben we zijn plunderaars in de pan gehakt. Als ik moet kiezen tussen Rooie Hieke en mijn familie, dan is de keus niet moeilijk. En nu moeten we beiden zien te overleven, want ik heb geen idee hoe lang mijn dubbelspel nog kan duren. Ik heb gevraagd of ik jou persoonlijk mag afleveren bij de Romeinse handelaren.”

“Romeinse handelaren?”, vraagt Eber. “Ja, daar spelen er ook genoeg dubbel spel. Je gaat over een dag of wat met nog meer mensen naar het zuiden en wordt tussen stapels huiden en nog meer spul, samen met wat vrouwen en jongemannen verruild voor wapens en zo. Onderweg kan ik misschien zorgen dat je weg kunt komen.” Wolte wordt dan geroepen, er moet even wat overlegd worden. Hij laat Eber aan de boom staan. Eber roept hem na: “En Gert, hebben jullie die verrader echt laten lopen?” Abrupt draait Wolte zich om. “Die verrader, Eber, die had jou ook van kant kunnen maken, dan had hij zijn doel ook bereikt, als hij je kop had ingeleverd. Wat denk je zelf? Denk je nu echt dat ze voor een stelletje boeren als ons een risico willen lopen? We gaan alle drie kapot, Gert, jij en ik, als er niet snel wat verandert.”

Eber wordt de dagen daarop goed behandeld. Wil een slaaf wat opbrengen, dan moet hij sterk en gezond zijn. Hij heeft al snel gezelschap van een stel jonge boeren en arbeiders uit andere streken waar Hieke’s zoon huis heeft gehouden, die zich in de bossen verstopt hadden. Ze zijn alsnog gepakt. Er zijn nog een stel vrouwen bij, die uiteindelijk ergens als huishoudelijk personeel terecht zullen komen. Dat betekende dus gewoon: overdag vrouw helpen, ’s nachts man helpen. De avond voor het vertrek van de troepen keurt Hieke’s zoon zijn gevangenen. Een naam heeft Eber niet gehoord. Zoals hij zelf ‘De zoon van Garm’ was, is de status van deze jonge rooie reus bepaald door ‘De zoon van Hieke’. Hieke’s zoon roept Wolte bij zich. “Het zijn er teveel om allemaal ineens mee te nemen, Wolte. Het lijkt me beter dat je met een man of wat achterblijft en een paar dagen later op weg gaat naar Noviomagus. Daar brengen deze slaven vast wel wat geld in de buidel. Jij bent één van mijn trouwe kameraden. Ik kan je dit werk met een gerust hart toevertrouwen.” Wolte wil nog wat zeggen: “Maar ik zou toch…” Hieke’s zoon praat er overheen en zegt op een doordringende toon: “Je bent toch een kameraad, of niet?” Wolte zegt al niets meer.

Daar hadden ze niet op gerekend, Eber en Wolte. De volgende morgen voor het opgaan van de zon breken de krijgers op. Het kamp zal verplaatst worden. Op zoek naar een nieuw doel. Eber loopt met zijn handen op zijn rug en een touw om zijn nek aan de staart van een van de paarden mee naar het zuiden. Wolte heeft het nakijken. Hij zal over 2 dagen vertrekken. Teveel gevangen krijgers bij elkaar en je hebt zo een opstand, had de zoon van Hieke nog gezegd. En misschien vertrouwt hij Wolte ook niet bij Eber. Hoe dan ook, een lange rij slaven te voet, paarden met huiden en ander gerief, wat jagers voor de voedselvoorziening voor onderweg, geflankeerd door enkele ruiters, trekt in het licht van de sterren  en het eerste morgenlicht door het veld en het volgende veen. “Daar gaan je goede bedoelingen”, denkt Eber, met de tranen in de ogen. Was hij maar nooit teruggegaan. Was hij maar boer geworden, ergens in het Romeinse rijk. Wolte kijkt hem verbeten na en wendt dan zijn ogen af, om te voorkomen dat Ebers ogen en de zijne elkaar nog zouden ontmoeten. De zoon van Hieke had beslist. Het lot van Eber is bezegeld.

Vorig artikelEen reis door de tijd aan de hand van de collectie van de werkgroep archeologie Steenwijk
Volgend artikelDe wulp

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.