Hoe compleet ook, de overwinning heeft diepe wonden nagelaten. Eber is na het overwinningsfeest spoorloos verdwenen, Hilde ook. Toen Adal een paar dagen later diens uitrusting kwam brengen, was de hoeve verlaten. Kleine Bernt en de andere keren niet terug van het slagveld. Ze mogen dan voortleven in de verhalen van de familie, ze leven niet meer voort voor de ogen van hun geliefden. Verder blijken er toch enkele plunderaars ran Rooie Hieke ontkomen te zijn. Hoeveel? Niemand weet het, maar enkele gewonden melden zich, ze kunnen  niet anders. Het is van honger sterven of kreperen door de verwoningen, of hopen op menselijkheid. De mannen roepen om genade en hopen die te krijgen door zich absoluut niet te verzetten. Ze zijn voor het vuur uitgerend, wisten de pijlen te mijden en hadden het geluk niet te verdrinken. Een veertiental gevangenen wordt verdeeld over de families van de gesneuvelden. Ze zullen die tot hun dood toe als onvrijen dienen. Om te voorkomen dat ze ooit weer iemand tot last zijn, wordt door Adal hun tong uitgerukt en een oog uitgestoken. Zo kunnen ze nooit meer samenspannen en zijn ze gehandicapt in het gevecht. Bij de eerste de beste misstap zullen ze alsnog ter dood gebracht worden.

“Mamma! Mamma!” Het klinkt bij herhaling, daar onder de boom aan de rand van het ven. De kleine Akke huilt. En dan weer is ze even stil, herhaalt het “Mamma! Mamma!” Ze heeft honger en trekt aan het haar van haar moeder, die daar rustig lijkt te liggen slapen onder de boom. Akke heeft zich al dagen gevoed met bessen, waar mamma van vertelde dat ze die eten mocht. Ze dronk water uit het ven. Maar haar maag wil meer. Ze trekt weer aan mamma. Hilde begint langzamaan te reageren. Eerst een knipperend oog, dan een beweging van een arm. Dan draait ze bij. Akke is blij. Haar mamma is wakker en nu krijgt ze vast te eten. Hilde gaat rechtop zitten. Wat is er gebeurd? Ze trekt Akke troostend tegen zich aan. Ze voelt haar buik. Waar is de pijl? Er is zelfs geen litteken te zien. Ze herinnert zich weer dat ze stervend naar het ven gebracht wilde worden. Maar ze is niet dood! Waar is haar ongeboren baby? Ze was zwanger, haar buik is plat! Was de baby dood, maar waar is die dan? Achter haar ligt een baby, een jongetje. Ze pakt het op, voedt het met het vocht uit haar gezwollen borsten. Hilde huilt, teveel raadsels en emoties om aan te kunnen en een hongerig kind, hoe verder? Ze pakt na het voeden van haar baby de kleine Akke bij de hand, wandelt met haar terug naar de lege hoeve en maakt wat te eten voor hun beiden. Het is het begin van een tijdperk van raadsels. Waar is Eber? Waar zijn al de onvrijen gebleven? Waar…….?  Akke zegt en doet soms dingen, waar uit blijkt dat ze meer heeft gezien dan ze kan vertellen. Soms vraagt Hilde, maar meestal zwijgt ze verder, als ze merkt dat de kleine Akke meer heeft gezien dan haar kleine hoofd aankan. Misschien later.

Als Hilde enkele weken later gevonden wordt, terug op haar eigen hoeve, is ze dwalende. Letterlijk. Er lijkt een groot gat in haar geheugen te zijn. Wat er gebeurd is, ze kan het niet vertellen. Bij zijn bezoek aan de hoeve van Eber en Hilde rende plotsklaps een klein meisje uit de struiken: Akke. Daar verstopt ze zich nog doorlopend. Ze moet heel veel gezien hebben, maar ze kan nog niet voldoende praten, ze kan niet vertellen wat er is gebeurd. Bij het verzorgen van Akke is Hilde weer moeder, stukje bij beetje komt haar geheugen terug, maar niet dat ene. Niet wat er gebeurd is op de hoeve, los van die pijl die er niet meer is. Hilde blijft op de eigen hoeve bij het veen. Ook bij haar komen nieuwe onvrijen. Niemand wil het risico lopen dat kerels van Rooie Hieke samenspannen, tong eruit of niet, dus de onvrijen worden vermengd. Hilde krijgt een gezin van de hoeve van Adal in huis, plus één van de gevangenen. Het is een al wat oudere man, die zich schikt in zijn lot. Ze hebben hem de tong laten houden, omdat hij zo duidelijk maakte dat hij al dat stropen en vechten zat was, dat hij graag aan het werk wilde. Hij had teveel bloed gezien.

In de huishoudens van Hilde en de weduwe van Kleine Bernt keren zo arbeidskrachten terug, maar blijft de boer zelf voor altijd weg. Kleine Bernt’s weduwe trekt al na enkele maanden in bij een boer bij de dubbele voorde. Een weduwnaar, die de kinderen van Kleine Bernt liefdevol opneemt. Het is een eigenerfde boer, oftewel: het familiehoofd van de mensen in de hoeves bij de dubbele voorde. De zoon van Kleine Bernt zal zijn – Kleine Bernts – hoeve erven, als hij groot genoeg is. De hoeve waar Kleine Bernt zijn dagen sleet, wordt aan een arbeider verhuurd. Hij krijgt de kans te laten zien wat hij als boer waard is, tot dus die jongen erin komt, met de afspraak dat er dan voor de arbeider een nieuwe hoeve gebouwd zal worden. Een mooit vooruitzicht.

Hilde neemt de dagelijkse leiding over Ebers plaats over. Ze leidt dat jaar de oogst en oefent alvast met de ploeg, om in het andere voorjaar haar mannetje te kunnen staan. Boerenzonen die hun hulp aan komen bieden, azend op een mooie jonge weduwvrouw met maar liefst drie boerderijen, worden netjes maar duidelijk afgewezen. Eber leeft, zegt Hilde, ze weet het. Hoe ze dat weet? Ze weet het, zoals ooit Rana dingen wist.  Adal neemt nog dat najaar Ebers plaats in tussen de Etten. Als meier heeft hij daar eigenlijk geen recht op. Als neef van Eber, de zoon van Grieze Garm, de zoon van de Grote Moeder en leider van de slag om ruige hoogte, en als nazaat van Hermen de Hakker, krijgt hij de plaats die hij verdient. Hij is de erfgenaam. Tot hij hoort dat Hilde zwanger is. Van Eber. Het wordt ook nog een jongetje. Als Eber een volwassen zoon had gehad, dan had het anders gelegen. Nu is Adal erfgenaam. Tot Ebers zoon oud genoeg is, maar dan moet hij wel bewijzen dat hij de positie ook aankan. Adal heeft dat inmiddels door zijn rol in de slag om de ruige hoogte al gedaan. Adal houdt de uitrusting van Eber in huis, omdat daarmee zijn positie gevestigd is. Zo lijken alle wonden te helen. Sterven moeten we allemaal. Ziektes eisen soms nog meer doden. Het is eigenlijk niet meer geweest dan een jaar, zoals ook een jaar met een mislukte oogst en ziekte zou zijn geweest. Het leven gaat verder, net als de ondoorbreekbare cyclus van de seizoenen.

Slechts enkele weken na de grote veenbrand, komen de eerste toppen van het jonge groen al weer door de zwartgeblakerde bovenlaag. De regen voorkwam dat het vuur diep invrat. Overal liggen de kiemen van nieuw leven onder de as. De as vormt op zich een vruchtbare mest voor de toekomst. De bomen sterven deels af en zetten deels nieuwe loten of laten nieuw blad zien in het volgende voorjaar. De natuur kent vele wijzen om te overleven. Een deel van de veenweg langs ruige hoogte, is door het vuur zo aangetast dat versteviging gewenst is. De boeren en arbeiders uit de omgeving kappen bomen en leggen de stammen overdwars op het veen, tussen de andere stammen, zodat de weg weer volledig bruikbaar is. In het zomerseizoen, natuurlijk, want in natte tijden, is bijna niets begaanbaar, laat staan de route langs het ruige meer en ruige hoogte. De weg nodigt ook boeren van over de Reest uit om naar het gebouwtje in het veen te komen. De plaats waar de gevallenen herdacht worden, en een beeld van een Vrouwe van het Veen herinnert aan ieder nieuw begin, de door haar uitgezonden zegenende vruchtbaarheid. Ze komen, de boeren, van verre. De helden ter ere van wie het tempeltje gebouwd is, stierven ook voor hun zaak. Door de ondergang van Rooie Hieke zijn ze weer veilig.

De herinneringen aan Eber, de zoon van Grieze Garm, de zoon van de Grote Moeder, worden bezongen als was hij een halfgod. Niemand weet beter dan Hilde,  dat Eber een mens was als ieder ander. Gelukkig is de slag om ruige hoogte en de dreiging van de plunderaars al na enkele jaren vergeten. De mensen hebben wel wat anders aan hun hoofd dan stilstaan bij het verleden. Het gebouwtje in het veen raakt in verval. Niemand kijkt er meer naar om. Wat blijft zijn de verhalen, verteld aan de vuren. Akke en Garm, de kinderen van Eber, horen ze aan en laten ze bij zich neerzakken. Ze herkennen er hun vader amper meer in. Garm, Kleine Garm, heeft zijn vader nooit gekend. Hij werd maanden na zijn verdwijnen geboren. Als ze willen weten wie hun vader was, vragen ze het Hilde. Hilde vertelt dan over Eber, over de oude Grijze Garm, Hermen, Maante en Rana. En ze vertelt dat hij nog leeft. Ze weet het.

Zes jaar na de slag om de ruige hoogte sterft de vrouw van Adal in de bevalling. Ze heeft een moeilijke zwangerschap gehad, waarin ze regelmatig bezocht leek door ziekmakende geesten. Hilde hielp haar regelmatig, als ze alleen niet door haar werk heenkwam. Na haar dood ving Hilde de beide kinderen op. Ze kwamen een tijdje aan haar vuur slapen. Witte Maante en Rooie Bernt waren genoemd naar de grootvader en de oom, terwijl de kleurtoevoeging wees op hun haardos. Rooie Bernt is geboren in het jaar dat Kleine Bernt bij de ruige hoogte sneuvelde. Sommigen beweren dat de geest van een overledene terugkomt in degene die kort na hun dood hun naam krijgt. Maar iedereen weet natuurlijk dat Kleine Bernt zijn plaats in het geestenwereld voor geen goud af zou willen staan om nog eens dit aardse leven over te moeten doen. De kinderen gaan zich hechten aan Hilde, die ondanks het overnemen van mannenwerk, voldoende van haar vrouw-zijn heeft bewaard om een lieve moeder en vrouw te zijn. Ze lijkt ook amper ouder te worden. Ze straalt gewoon. Dit laatste merkt ook Adal. Hilde en Adal komen zo vaak bij elkaar over de vloer, dat ze pas merken hoe ze zich aan elkaar zijn gaan hechten als Adal met Hilde wil praten over het terughalen van de kinderen, om haar niet verder te belasten. Eén van zijn arbeidsters kan de zorg wel overnemen. Het gesprek erover beginnen ze op het hooiland en lijkt te eindigen in de bosrand, als ze vrijend elkaars liefde lijken te gaan ontdekken. Dan schrikt Hilde terug. Eber leeft! Er is geen denken meer aan terughalen van de kinderen. Adal zal zelf ook aan Hildes vuur komen. Maar wel aan zijn eigen kant. Dit duurt zolang het duurt. Het duurt tot de nacht dat Adal zijn lust niet meer de baas is, en Hilde hem van de hoeve af mept, voor hij te dicht in haar buurt kan komen. Eber leeft. Dat heeft Adal te respecteren. Hij neemt zijn kinderen mee en slaapt weer op zijn eigen hoeve. Hij heeft het altijd goed kunnen vinden met de vrouw van zijn broer Kleine Bernt. Ze komt aan zijn vuur. Aan zijn zijde.

Of hij leeft of niet, die Eber, de zoon van Grieze Garm, de Etten zijn het erover eens dat er ook iets zakelijks geregeld moet worden. Adal en enkele andere Etten komen langs en de stok wordt gelegd over een afspraak rond Ebers erfenis. Al zijn bezittingen, de drie hoeves en al het land wat er bij hoort, komen toe aan de Kleine Garm, de zoon van Eber. Adal mag het land beheren en aan meiers uitgeven, maar moet er steeds van doordrongen zijn, dat het niet het zijne is. Hij mag de erfenis ook niet toe laten vallen aan zijn eigen kinderen, zolang Kleine Garm leeft. Als de Kleine Garm sterft zonder nageslacht, is zijn zuster Akke de erfgename, mits ze een man heeft, of die al aan haar voorbestemd is. Omdat Akke en de oudste zoon van Adal niet meer zijn dan achternicht en achterneef, oordelen de Etten, dat het verstandig is, dat die met elkaar trouwen. Dan zal over een jaar of wat de erfenis toch in Adals geslacht terechtkomen. Waar Etten zich al niet mee bezighouden. Ja, en dan is er nog wel de kwestie Hilde. Kan ze wel als vrouw alleen op die hoeve blijven, nu Adal vertrokken is? Hilde is het zat. “Als jullie denken dat ik een kerel nodig heb om zaken te doen, dan let nu maar eens op!” Ze grijpt de Etten één voor één in hun nek, knijpt even goed door en lijdt ze dan naar de deur. Adal knijpt er tussenuit voor hij aan de beurt is. Buiten de deur geeft Hilde nog een duidelijke boodschap af: “Adal is een goeie kerel, maar hij moet eerst maar eens zorgen dat hij de plaats aankan, die Eber voor hem open heeft gelaten. Zolang hij leeft, zal Ebers zoon Kleine Garm de leidersrol van de familie niet opeisen. Ik beheer zijn erfenis, Adal is het familie hoofd, en Kleine Garm volgt hem op als Adal uit de tijd is. Hoeft ie niet bang te zijn voor zijn plaats tussen de Etters.” Dat laatste wordt bewust verkeerd uitgesproken. De ‘Etters’ kijken elkaar aan. Dan moet het zo maar. Ze gaan naar huis.

In het bosmeer van het leven heerst volmaakte harmonie. Het water ligt er rimpelloos bij. De bomen houden de wind tegen. Het water spiegelt hen terug naar de mensen die langs de oever lopen. Dan valt er een steen in het bosmeer. De harmonie is verstoord. De wereld wordt onrustig. De steen zorgt voor een opspattende straal water, als het gat dat hij in de waterspiegel heeft gevormd met een klap dichtslaat. Dan gaan er golven, golfjes, rimpels, van groot naar klein, tot de waterspiegel weer zo glad is, dat alle bomen en mensen weer gespiegeld worden. Het is wachten op een volgende steen.

De eerste steen heet Eber. Zijn terugkeer – jaren geleden al weer – lijkt alles te veranderen, en toch wordt het weer rustig. Niemand lijkt zich meer af te vragen of er wel een steen verzonken ligt, daar in het meer, want de waterspiegel is glad getrokken. Een tweede steen is de de komst van de plunderaars en de slag om de ruige hoogte. Velen weten niet wat er omheen is gebeurd. Net zomin als mensen de binnenkant van de steen kennen. Alle rimpels trekken weer weg. De waterspiegel ligt glad te wachten op wind, een volgende steen, of misschien een vis die lucht komt happen?

In de stilte van de tijd, gaat alles op in de seizoen en het ritme van de akkers. Ploegen, zaaien, onkruid eruit houden, oogsten, dorsen, feesten, rusten, ploegen, zaaien, onruid eruit houden, oogsten, dorsen, feesten, rusten………

Vorig artikelDe zeearend
Volgend artikelFossielen en bijgeloof

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.