In het Hunebedcentrum is een nieuwe vitrine te zien met vondsten van amateurarcheologen uit Noord Nederland. In deze wisselvitrine worden vondsten tentoongesteld uit de collecties van leden van de AWN Noord, de noordelijke afdeling van de vereniging voor vrijwilligers in de archeologie. Ditmaal is de vitrine gevuld door leden van de Werkgroep Archeologie Steenwijk (WAS).

De WAS zoekt al decennia in de omgeving Steenwijkerland en vinden naast zwerfkeien en fossielen ook veel archeologische vondsten uit de Prehistorie. naast zwerfkeien en fossielen ook veel archeologische vondsten uit de Prehistorie. Momenteel zijn de vondsten van de werkgroep tot september te zien in een wisselvitrine in het Hunebedcentrum.

De vondsten in de vitrine zijn onder andere gevonden door leden van de werkgroep: Jan Been, Zwaan Beijk, Toos de Vries, Annemiek Engwerda en Harry Bruin, sommige vondsten zijn uitgeleend of geschonken aan de werkgroep. Onderaan het artikel lees je meer over de bijdragen van de vrijwilligers in de werkgroep.

Het ontstaan van de Stuwwallen bij Steenwijk

Steenwijk heeft een bijzondere geografische ligging, de stuwwallen die de westelijke uitlopers van het Drents-Fries plateau vormen. Dit hele gebied is gevormd door de ijskap die in de voorlaatste ijstijd (Saalien: 238000 – 126000 jaar geleden) over Noord Nederland lag. De landijskap stuwde veel materiaal voort, en aan de randen van de ijskap werden hierdoor grondmorenes afgezet: pakketten leem, zand, grind en zwerfkeien. Deze afzettingen vormen en de stuwwallen bij Steenwijk, en ook die bij Gaasterland en op Texel zijn veroorzaakt door hetzelfde proces. De Steenwijker Aa stroomt ten noordoosten door het dal tussen de stuwwallen en het Drent-Fries plateau, waar ooit een uitloper van dit dikke pakket ijs heeft gelegen.

Ook de grote stenen waar de Hunebedden mee zijn gebouwd zijn door het landijs meegevoerd naar Drenthe. Het is aannemelijk dat de fossielen uitgestald in de wisselvitrine in het Hunebedcentrum, in de omgeving Steenwijk zijn gevonden ook door het landijs zijn meegevoerd.

Drents Fries Plateau
Detailfoto

Midden Oude Steentijd (Midden Paleolithicum)

In de laatste ijstijd (Weichselien: 116000 – 11700 jaar geleden) trokken Neanderthalers door heel Europa. Ze waren tijdens verschillende warmere fases van de IJstijd aanwezig in Nederland. Op het Drents Fries plateau zijn veel van hun artefacten aan het licht gekomen omdat hier geologische lagen uit die tijd niet zo diep onder het oppervlak liggen.

Deze oermensen zijn bekend van hun vuistbijlen, maar ze gebruikten ook kleinere werktuigen zoals deze bladspitsen, die waarschijnlijk fungeerde als speerpunten. Deze bladspitsen zijn karakteristiek voor de laatste fase waarin Neanderthalers aanwezig waren in Nederland, tussen de 50000 en 43000 jaar geleden.

De Neanderthaler kwam rond 40000 jaar geleden op meerdere plekken in Europa in aanraking met de anatomisch moderne mens. Ze waren waarschijnlijk minder talrijk dan de nieuwkomers en delfde uiteindelijk het onderspit. Dit zal niet overal een geschiedenis van conflict en competitie zijn geweest: Neanderthalers en moderne mensen plantte zich namelijk voort en mensen in Europa en Azië hebben nu nog gemiddeld rond de 2% Neanderthaler DNA.

Late Oude Steentijd (Laat Paleolithicum)

De laatste ijstijd zorgde tot zo’n 15000 jaar geleden voor zeer onherbergzame omstandigheden in Noordwest Europa, waardoor mensen zich lange tijd niet noordelijker begaf dan Zuid Duitsland en Frankrijk. Aan het eind van de IJstijd werden de omstandigheden beter waardoor de toendra en vervolgens de berken en dennenbossen zich noordwaarts uitbreidde. Laat Paleolithische jagers kwamen in die tijd naar Nederland. Eerst kwamen rendierjagers (Hamburgcultuur) op de uitbreidende toendra en later andere groepen (Federmessergroepen) in de bossen.

Aan deze gematigde beboste fase kwam abrupt een eind rond 12900 jaar geleden, waarna het klimaat terugviel naar poolwoestijn- en later weer toendra-omstandigheden. Rendierjagers (Ahrensburgcultuur) keerde terug naar Nederland in deze laatste periode (de Jonge Dryas). Uit de omgeving van Steenwijk hebben we hier kernen, klingen en voorbeelden van werktuigen uit het Laat Paleolithicum, waaronder een ‘krombeksteker’ en een mogelijke spits die karakteristiek zijn voor de Hamburgcultuur. Karakteristiek voor de werktuigproductie uit deze tijd is het slaan van langwerpige scherven (klingen) van vuursteenkernen.

Midden Steentijd (Mesolithicum)

Na de laatste ijstijd stabiliseert het klimaat naar gematigde omstandigheden waarin de bossen terugkeren, uitbreiden en steeds verder diversifiëren. Eerst zien we de terugkomst van berken en dennenbossen, later ook hazelaar, iep, eik, els en es. Jagers en Verzamelaars van de Midden Steentijd (Mesolithicum) joegen op verscheidene dieren  met pijl en boog, waarbij meerdere kleine stukjes vuursteen (microlieten) werden geschacht met onder andere berkenpek. Men gebruikte schrabbers, gemaakt van afslagen van vuursteen, om bijvoorbeeld huiden of planten te preparen voor gebruik. Soms werden vuursteenkernen, het bijproduct van afslagproductie, gebruikt als bijl

Nieuwe Steentijd (Neolithicum)

Rond 7000 jaar geleden vestigden boeren samenlevingen zich in Zuid Limburg, en in het millennia daarop volgend was er steeds meer interactie tussen de boeren en de inheemse jagers en verzamelaars in het rivierengebied. Uiteindelijk begon men in deze gebieden ook boeren gebruiken over te nemen, en kreeg veeteelt en akkerbouw naast het gebruikelijke jagen, vissen en verzamelen van wilde planten een plek. Deze brede economische stijl is kenmerkend voor de Swifterbantcultuur. De trechterbekercultuur (de hunebedbouwers) komt hieruit voort rond 5400 jaar geleden. Topvondsten zoals een knophamerbijl uit de omgeving Steenwijk waren waarschijnlijk statussymbolen binnen de trechterbekercultuur.

Bronstijd

Aan het eind van de Nieuwe Steentijd komen nieuwe bevolkingsgroepen naar Nederland: de Bekerculturen. Deze groepen spraken Indo-Europese talen en begroeven hun doden in grafheuvels. In de omgeving van Steenwijk zijn pijlpunten, mesjes en een dolk uit deze periode gevonden. Vanaf ca. 4000 jaar geleden verspreidde het gebruik van brons ook naar deze regio via de handelsnetwerken die deze groepen onderhielden. Hier liggen twee bronzen bijlen uit de omgeving van Steenwijk.

wie zijn de vinders

Piet Wiersma was de nestor van de werkgroep archeologie Steenwijk. Een paar jaar geleden verliet hij de werkgroep. Piet organiseerde vele zoekdagen in de omgeving van Steenwijk. Onder leiding van Marcel Niekus gingen we dan op zoek naar Midden Paleolieten Ook heeft Piet aan meerdere archeologische opgravingen deelgenomen zoals de opgraving van Peest.

Jan Been is al heel veel jaren lid van de werkgroep. Hij deed prachtige MP vondsten in de omgeving van Steenwijk en hij ontdekte een grafheuvel in Havelte. Ook Jan heeft geholpen bij de opgravingen in Peest. Regelmatig zoekt Jan op de akkers rondom Steenwijk naar artefacten. Fossielen gaan in de tas, evenals spinsteentjes, kraaltjes, scherven, enz.

Zwaan Beijk ontdekte in 2004 op een inloopochtend van de WAS de archeologie. Haar grote passie is het zoeken van artefacten. Op een akker in de buurt van haar woning zoekt zij al 4 jaar om de geschiedenis van deze plek te kunnen achterhalen. Artefacten van laat Paleolithicum tot Bronstijd  komt ze op deze akker tegen.

Jacob de Vos vond op 23 augustus 1953 een strijdhamer (diabaas) tijdens de aanleg van het hoofdriool in de Piet Heinstraat in Steenwijk. Zijn zoon Henk de Vos schonk in 2020 de strijdhamer aan de Historische Vereniging Steenwijk. Waarschijnlijk is de strijdhamer gebruikt voor ceremonieel gebruik. Kennelijk was de hamer zeer waardevol voor de eigenaar want de hamer is ooit gebroken en van een nieuw steelgat voorzien. Gebruiksperiode waarschijnlijk Laat Neolithicum ca. 2900-2500 v. Chr.

Alie van Dijk heeft de knophamerbijl geërfd. Haar grootvader woonde tegen De Eese aan in Steggerda en vond als kind de bijl op het land. Er werd mee gespeeld zonder te beseffen dat men een knophamerbijl van 3000 jaar oud in huis had. Nu wordt het goed bewaard en ligt het in een mooi doosje.

Toos de Vries en Annemiek Engwerda zijn zoekvriendinnen en lopen al jaren wekelijks met de metaaldetector over de landerijen. Zij rapen dan ook de fossielen en bijzonder gevormde steentjes op. Om hun kennis, kunde en interesse voor archeologie te vergroten hebben zij zich ongeveer 6 jaar geleden aangesloten bij de werkgroep archeologie van Steenwijk.

Harry Bruins is 2 jaar geleden in Steenwijk komen wonen en heeft zich meteen bij de werkgroep gemeld. In de 80-ger jaren is de interesse voor de archeologie ontwikkeld. Bij de aanleg van het fietspad bij Wijthmen zag Harry toevallig allemaal scherven liggen en kwam hiermee terecht bij Ruud v. Beek. Het bleek dat Harry een Romeinse nederzetting had ontdekt. Samen met Ruud heeft hij hier een publicatie over geschreven. Harry heeft ook veel samengewerkt met Goudbeek uit Dalfsen.

Vorig artikelZilveren munten en wisselvitrine
Volgend artikelDE LOYALITEIT VAN WOLTE – Hoofdstuk 14

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.