DE VERRADER

“Het spijt me Eber, ik kan niet anders.” Eber hoort het maar amper. Hij heeft een barstende hoofdpijn en knippert met zijn ogen in het licht van de door de takken vallende zon. “Het spijt me Eber, ik kan niet anders.” Langzaam dringen Gert’s woorden tot hem door. Eber wil zich oprichten maar wordt dan gehinderd door de riemen om zijn armen en benen. “Maak me los, idioot!”, snauwt hij Gert in het gezicht. Gert zegt niks en doet niks. “Maak me los zeg ik je!” “Het moet zo lopen”, is Gert’s antwoord. “Het spijt me verschrikkelijk… Je hebt zelf gezien wat voor overmacht we tegenover ons hebben gehad. Vechten heeft geen zin, Eber. Jij moet zonodig de held uithangen. Wij zijn geen vechters, maar onder jouw leiding zijn we zelfs in staat om een legertje van ik weet niet hoeveel man op de been te brengen ook. Maar wat heeft dat voor zin, Eber? We vechten ons dood! We hebben misschien genoeg plunderaars afgeslacht, maar de overigen zullen bloedig wraak nemen.”

“Maak me los, lafbek!”, is Ebers reactie op zijn verhaal. Hij probeert al schoppend en schokkend los te komen. Hij vloekt en tiert als Gert hem oppakt en over zijn paard legt. ZIJN paard.  “Als jij er niet meer bent, zal niemand meer willen vechten”, zegt Gert. “Ik breng je naar de hoofdman, in ruil voor het leven van mijn familieleden. Schik je maar in je lot. Als het een beetje meezit krijg je nog een lang en gelukkig leven bij de één of andere boer of grootgrondbezitter. Dat is beter dan wegrotten op de heide of ergens onder de struiken en je familie de dood injagen!” Gert schreeuwt het uit, bij die laatste woorden. Gert is woedend. Maar Eber is niet overtuigd van zijn gelijk.

Op een tocht naar het oosten, in het eerste morgenlicht, hoort Eber vanaf zijn onplezierige positie meer. Gert was als verkenner in de handen van de plunderende troepen gevallen. Hij wist niet wat hij zag. Ze stuurden hem naar het oosten, waar een groot kampement was. De mensen die Drenthe aanvielen waren hooguit een kwart van deze manschappen. Onoverwinnelijk, en waarom? Ze kennen geen onvrijen. Alle mannen worden opgenomen als krijger. Alle krijgers zijn vrije mannen. Alleen wie weigert, valt de eer te beurt om zijn vrijheid weer te verliezen. Dan is men onverbiddellijk. Aan het werk, en als er aan je verdiend kan worden, dan wordt je verkocht of geruild tegen wapens. Gert is voor de keus gesteld. Ze hadden in het noorden van Drenthe familie van hem gevangen genomen en weggevoerd. Ze zouden mee moeten vechten of verkocht worden. De vrouwen waren bij voorbaat al niet geschikt als krijger, vonden ze, dus die zouden allemaal verkocht worden. Er moesten wapens komen. Als Gert de leider uit zou kunnen leveren, zou hij zijn familie weer mee kunnen krijgen. Hij had geen idee waar hij met hen naar toe moest. Naar Drenthe? Dat zou nooit meer kunnen. Dan werd duidelijk wat hij had gedaan.

Dit is stukje bij beetje wat Gert vertelt. Blijkbaar heeft hij behoefte om zich te verdedigen, om uit te leggen waarom hij niet anders kon. En hij heeft het gedaan om de rest van Drenthe te redden. De mensen kunnen zich wel dood vechten, maar tegen deze overmacht heeft het geen zin. Wegwezen of gewoon meedoen, aansluiten, dat moet er gebeuren. Dan leef je tenminste nog. “Ik bijt je de strot door en spuw je in de varkensstront”, mompelt Eber nog, als Gert hem een doek voor zijn mond bindt. O ja, en Hilde wilde niet mee. Ze vocht als een roedel wolven. Een pijl schakelde haar uit. De schutter, één van de plunderaars, trok zich nog die middag met Ebers vee en onvrijen terug naar het oosten, om voor het donker ergens aan de andere kant van het veen te kunnen zijn. De onvrijen verklaarden één voor één mee te zullen vechten met de plunderaars. Zo redden ze hun vrouwen en kinderen. Gert zou wachten tot Eber terug zou keren. Dat was de afspraak. En Gert had geen keus. Kwam hij niet met Eber, of met zijn hoofd, dan zou zijn familie twee dagen later sterven.

Er valt een lange stilte in het grote kamp van de plunderaars, aan de andere kant van het veen, als een onbekende uit het bos komt rijden en aan een touw een op een paard gebonden man achter zich aan leidt. Gert zoekt naar de hoofdman. Als hij die gevonden heeft verzamelen de krijgers zich rond de mannen en de paarden. Niemand zegt iets. Doodnerveus begint Gert wat te stamelen. “Zo”, zegt een jonge rode reus, de zoon van de hoofdman die de dood vond in de strijd om de ruige hoogte. “Zo. We krijgen hier niet vaak visite, Gert. Heb je een geschenk meegenomen? Aardig van je!” Hij spreekt met een tongval die verraad dat hij van ver komt, maar zijn dialect is goed te volgen. Zo erg ver weg zal hij dus niet komen. “Wie ben je en wat kom je hier doen?” “Dat weet je toch?”, stamelt Gert, onzeker dat hij begint te worden. “Ik ben Gert van Taarlo. Ik breng u de oorlogsleider van de Drenten, in ruil voor het leven van mijn familie.” “Zo, dus je weet welke kant we opgaan. Je weet ook hoeveel mannen hier zijn, in dit kampement. Wat weet je nog meer?” Die vraag had Gert niet verwacht. Was het angst, naïviteit of gewoon domheid? Gert beseft dat hij met open ogen in een val gelopen is, die hij zelf opgezet heeft. Hij heeft Eber aan de jonge rode reus overgeleverd, maar zal hij hier ooit weg kunnen komen? Hij weet teveel…..

Tot zijn grote schrik haalt de rode hoofdman er ook nog iemand bij. Gert wordt lijkwit als hij daarin Wolte herkent, de moordenaar van de Romeinse koopman. Wolte, de gemaskerde ruiter. Wolte, de denker. Wolte, die een meesterlijk plan had uitgedacht, om met de verschroeide aarde de invallers af te schrikken, en ze dan in het veen af te maken. Wat doet Wolte hier? Maar Wolte zal in ieder geval bevestigen dat de hoofdman met Eber een goede vangst heeft gedaan. Wolte loopt eens langs de nog steeds op het paard gebonden Eber. “Dit is gewoon één van die domme Drentse boeren”, zegt hij dan. “Niks oorlogsleider! Hij schiet nog geen koe en hij weet amper hoe hij zijn eigen hoeve moet leiden.” Hij spuugt op Eber! “Dit stuk stront mag aan het werk in het varkenshok!” Eber scheldt hem de huid vol. Ze doek voor de mond is al zover weggezakt dat het geluid wijd te horen is, en tevens zo onverstaanbaar is dat niemand er wat van snapt.

De mannen er omheen lachen hem uit, drijven de spot met hem. Uiteindelijk kijkt de hoofdman Gert aan en zegt: “Je hebt geluk dat ik in een goede bui ben. Je hebt me in ieder geval een sterke slaaf gebracht. Als je zelf niet zo dom was, was je misschien ook de moeite waard. Welke idioot verraad er nu zijn eigen volk? Dan heb je voor ons al helemaal geen loyaliteit! Uit mijn ogen! Als je nu maakt dat je wegkomt, zal ik je de hersens niet inslaan. Maar wacht niet tot ik van gedachten verander!” Gert druipt af, als ene geslagen hond, met zijn staart tussen de benen, Eber aan zijn lot overlatend, zich troostend met de gedachten dat zijn missie in ieder geval volbracht is. De Drenten zullen niet vechten, maar leven. Hij heeft ze gered. En zijn familie. Maar hoe verder?

Vorig artikelBoerderij Orvelte, ouder dan gedacht
Volgend artikelFashion in Prehistory

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.