Als Gert zijn verhaal gedaan heeft, breekt het tumult los. De Etten krijgen niet de kans rustig over zijn woorden na te denken. De omstanders vragen één voor één het woord of roepen door elkaar heen. Er zijn in de reactie verschillende stromingen te onderscheiden. Een deel van de mensen vindt, dat het gezeur over de ruige hoogte nu maar eens op moet houden. De oorlog ligt nu achter ons. We moeten verder en niet terug blijven kijken. Gert heeft zijn straf gehad door al die bange jaren die hij door moest maken. Eber is weg, nou en? Er zijn zovéél mensen verdwenen of gedood bij die slag bij de ruige hoogte. Een ander deel geeft Gert gelijk. Het was op dat moment niet te voorzien dat de plunderaars verslagen konden worden. Ja, de eerste slag, maar wat zou daarna komen? Heeft Eber ook maar één keer duidelijk gemaakt hoe hij dat aan wilde pakken met zijn handjevol mannen? Adal heeft het volk gered. Adal is vooral belangrijk geweest. Die vocht als een wilde.

En Eber? Ja, die commandeerde, maar als hij de zoon van de Grote Moeder was, waarom heeft die hem dan niet geholpen? Dan zou hij geen mensen nodig gehad hebben, mensen die sneuvelden in de strijd, dan zou het zonder hebben gekund, en zou hij ook wel weer terugkomen. Deze gedachte wordt in het bijzonder gesteund door de boeren uit Noord-Drenthe, waar Gert’s familie vandaan komt. Weer een andere groep is van mening, dat Gert zoveel verraad gepleegd heeft -je leider overgeven aan de vijand en vluchten in een situatie dat je volk je nodig heeft-, dat zijn hoofd nog die dag moet rollen. Een vierde groep zoekt het nóg anders. Als Gert verraad gepleegd heeft, zijn al die boeren en arbeiders die Ebers strijd niet steunden en hem in de steek lieten door weg te trekken, dan ook geen verraders geweest?

Gert daarvoor straffen is oneerlijk. Dan moet je alle anderen ook straffen. Het idee komt ook naar voren dat er helemaal geen tweede alles verwoestende oorlog is geweest, de oorlog waar Gert bang voor was. De angst van Gert was groter dan zijn inschattingsvermogen. Ja, zegt men dan, maar is fantasie dan zo schadelijk dat je zelfs de doodstraf kunt eisen? Je kunt Gert hooguit verwijten, dat door zijn gedrag een vrije boer zijn vrijheid verloor. Veertien jaar gelededen. Ook dat was genoeg voor de doodstraf. Veertien jaar geleden had zijn hoofd moeten rollen. Nu lijkt het in het licht van de stamgebruiken beter om hem hetzelfde lot als Eber te laten ondergaan. Gert moet verkocht worden. Geef maar mee aan de altijd aanwezige Romeinse kooplieden.

De Etten gaan in beraad. Hoewel hun uitspraak heel wat tongen losmaakt, kiezen ze voor de laatste oplossing. Gert wordt verkocht aan Antonius van Noviomagus. De prijs die hij opbrengt valt tegen. Een oudere arbeider gaat snel dood en is weinig waard. Het geld wordt aan de familie van Adal meegegeven om het aan Hilde te overhandigen. Jonge Garm, Ebers zoon, komt het in ontvangst nemen. Hij maakt direct van de gelegenheid gebruik om eens goed met Antonius over de zaak door te praten, terwijl de besprekingen van de Etten verder gaan over andere onderwerpen. De vraag waar Jonge Garm mee zit, is of ooit te achterhalen is waar zijn vader gebleven is. De ogen van Antonius beginnen te glinsteren. Natuurlijk is dat te achterhalen. Laat Jonge Garm maar meegaan naar Noviomagus, dan zal hij alles in het werk stellen om uit te zoeken waar Eber gebleven is. Misschien leeft hij nog wel, dan kan hij Eber vrijkopen voor het geld, dat hij voor Gert ontvangen heeft. Jonge Garm legt dit idee enthousiast voor aan Witte Maante, die dit keer zijn broer thuisgelaten heeft. Er moet toch één kerel op de hoeve achterblijven. Daar, op die Lotting, nemen ze een besluit. Ze zullen beiden meegaan naar Noviomagus. Ze kennen die omgeving niet. Ze zullen hem wel leren kennen. Ze zullen het voetspoor van hun familie terug volgen, in de hoop Eber te vinden. Als dat niet lukt hoeven ze zichzelf nooit wat te verwijten. De tocht zal hen naar de plaatsen brengen waar hun familie zoveel over verteld heeft. Alleen dat al, dát is de moeite waard. Ze beseffen niet, dat de tocht hen uiteindelijk zelf naar de plaats van oorsprong van hun geslacht zal brengen.

Daags na de Lotting breken de Romeinse kooplieden en hun begeleidende soldaten weer op. Vóór de herfstregens moeten ze deze onherbergzame oorden verlaten hebben, anders moeten ze er overwinteren. Met een hoofd vol goede raad van hun moeder Hilde en een hart vol verwachtingen van de toekomst, verlaten Jonge Garm en Witte Maante de boerderijen aan het stroompje. Ze sluiten zich aan bij de stoet die zuidwaarts trekt. Hun broer en stiefbroer Rooie Bernt, heeft hun het avontuur afgeraden. Ze vinden Eber toch nooit. Maar die Rooie  ziet wel vaker iets niet zitten en mag de eerste maanden op het vee en de arbeiders en onvrijen letten. De beide jongemannen – Jonge Garm en Witte Maante – vertrekken met verschillende motieven. Witte Maante wil meer zien van de wereld dan de koeien en varkens rond de hoeves. Uit de verhalen over zijn grootvader Maante heeft hij gehoord, dat deze overal rondzwierf en eer en roem op het slagveld behaalde. Nu hoeft dat slagveld nog niet zonodig, maar het voorbeeld van grootvader verdient wel navolging.

Zelfs al wordt het wel het slagveld. Van kinds af aan hebben de drie jongens van de hoeves elkaar geoefend in het hanteren van de wapens. Adal gaf instructies. Zijn leeftijd ging op den duur parten spelen zodat zijn zonen en stiefzoon hem de baas werden. Jonge Garm wil vooral zijn vader ontmoeten. En als dat niet kan, wil hij iets leren kennen van de wereld waar zijn vader zo lang geleefd heeft. De zoon van de Grote Moeder, zeggen de mensen! Het is gewoon een man van vlees en bloed. Beslist geen godenzoon. Maar wie of wat hij precies is kan alleen ervaren worden als hij gevonden wordt. Als hij nog leeft. Ergens weet Jonge Garm zeker, dat zijn vader nog leeft. Is dat het typische voorzeggende gevoel dat zijn vader soms ook had, volgens sommige mensen?

De jongens verdienen de begeleide reis door te helpen bij de verzorging van de paarden en ossen van de Romeinen. Het geeft hen afleiding. Het werk verkort de dagen. Onderweg doet de stoet verschillende dorpen en samenscholingen aan. Er wordt handel gedreven en de mensen vermaken zich. Jonge Garm leert de waarde van een paard kennen als hij de zijne vergokt met het bikkelspel. Dagen achtereen moeten hij en Witte Maante om de beurt lopen. Het ene paard is overbelast door de dubbele bepakking en in de omgeving van Noviomagus dreigt het dier in elkaar te zakken. Die avond wint Witte Maante een nieuw paard van een boer uit de omgeving. Jonge Garm wordt kwaad als hij hoort van Witte Maante, dat hij daarbij vals gespeeld heeft. Had hij dat niet eerder kunnen doen? Het had een heel eind lopen kunnen besparen! Witte Maante legt uit, dat hij doodsbang was, dat ze de truc zouden ontdekken. Als ze erachter gekomen waren dat hij vals speelde, hadden ze hen niet meer meegenomen. Zo dicht bij Noviomagus durft hij ook in dat opzicht een gokje te wagen. In de stad aangekomen worden ze aan het werk gezet in de stallen van het garnizoen. Ze zullen moeten eten en drinken, zolang Eber niet boven water is. Dit werk is een mogelijkheid om hun levensonderhoud te betalen. In de tussentijd gaat Antonius op zoek in de archieven van de stad. De jongens werken zij aan zij met Gert, die doorverkocht is naar het leger.

Er gaat een week voorbij voordat Antonius wat van zich laat horen. Ze moeten maar eens langskomen. Als ze dat doen, na met veel moeite toestemming gekregen te hebben van de garnizoenscommandant, is het nieuws dat ze horen weinig hoopgevend. De registers van de slavenmarkt geven aan, dat er in het bewuste jaar tientallen slaven uit het noorden verkocht zijn. Het kunnen er ook honderden zijn. De plaats van herkomst staat namelijk vaak niet vermeld. Ze zijn verkocht aan gegoede burgers of tussenhandelaren. In dat laatste geval is niet duidelijk waar ze uiteindelijk bleven. Eén groepje van 16 slaven is buitengewoon interessant. Daarna kwamen er een hele tijd geen slaven uit het noorden meer. Dit zou kunnen wijzen op die slag bij de ruige hoogte, waar ze het zo vaak over hebben. De slaven zijn verkocht aan….. Antonius noemt een hele rij namen. Jonge Garm vraagt hem de rij een paar keer voor te lezen, tot hij hem uit zijn hoofd kent. Lezen kan hij niet. Al die namen, al die slaven, en dat zoveel jaar geleden. Zullen ze ooit te achterhalen zijn? En wat zeg je tegen hun meesters? Als die ze niet verkopen wil, wat dan? Doen ze er niet beter aan de hele zaak te vergeten en hier in Noviomagus een toekomst op te bouwen? Het stalwerk is niets voor hen. Ze verdienen beter. Ze zouden een prachtige tijd kunnen hebben in het leger. Antonius wil dit wel voor hen regelen. De twijfels en de verleiding die hij de jongens voedt, is hen haast teveel. Ze zullen toch geen toestemming van de commandant krijgen om zoveel tijd vrij te maken dat ze al die meesters af kunnen op tijden dat ze welkom  zijn. Jonge Garm en Witte Maante overwegen hun situatie op de terugweg naar de stallen. Ze zien maar één oplossing: Eén van hen zal tijdelijk moeten leven van het geld dat ze bij zich hebben. Die kan dan op onderzoek uitgaan. Maar als er dan te weinig is om Eber uiteindelijk terug te kopen? Voor de staldeuren bedenken ze een oplossing…

Vorig artikelNieuwe verhalen op basis van de kleinste aanwijzingen – deel 6
Volgend artikelNachtvlinders

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.