Ganggrab von Katelbogen; Grossherzogliche Alterthümersammlung aus der altgermanischen und slavischen Zeit Mecklenburgs, 1837

Een reus zou, uit woede op de heren van kasteel Herzberg, hebben geprobeerd de offersteen op de Eisenberg van kasteel Wallenstein op kasteel Herzberg te gooien om het te vernietigen. Maar de steen kwam vast te zitten in zijn mouw en viel op de grond in de buurt van Willingshain, in Hessen. De vijf groeven in de steen zouden afkomstig zijn van de vingers van de reus. En ongeveer 250 meter ten zuidwesten van de Sunderburg (bij Schöngeising in Opper-Beieren) liggen de zogenaamde Opfersteine (“offerstenen”) in een kleine holte in het hoge bos. Ze worden ook wel “bloedstenen” genoemd. Er zijn twee bijna evenwijdige, licht roodachtige groeven te zien.

In het voorgaande artikel over offerstenen, verhalen over offerstenen, beschreef ik diverse offerstenen in Nederland, Duitsland en enkele bekende stenen uit de Slavische mythologie. Vingers van een reus, klauwen van de duivel, de voetafdruk van een heilige. Soms gaat het juist om een hoefafdruk in een steen, en soms bloeden ze (als je er met een speld in prikt). Op diverse manieren wordt in volksverhalen duidelijk gemaakt dat het om speciale stenen gaat, en soms zijn er daadwerkelijk gaatjes te zien (ook wel napjes genoemd), of andere speciale vormen.

In mijn artikel over kinderstenen zijn voorbeelden te vinden van verhalen dat vrouwen in de steen prikten om zwanger te worden en in wie bouwde de megalieten op het Iberisch schiereiland werd al het voorbeeld gegeven dat er soms aan een steen gelikt werd om betere borstvoeding te kunnen geven.

Offers op de Opfersteine of Blutsteine bij Schöngeising

Volgens bepaalde theorieën zouden de napjes zijn aangebracht om steenstof te verzamelen. Dit kwam ook in veel latere tijden voor. Uit Bohemen is overgeleverd hoe jonge ambachtslieden naar hun kerken gingen en baksteenstof van de kerkmuren schraapten. Het meel werd om de nek gedragen in een leren buidel en diende als talisman om te beschermen tegen letsel of de dood. 

Ook in Nederland komt dit voor, een fenomeen dat we hier als ‘krabsporen’ (of ‘schaafsporen’) kennen. Zulke krabsporen treffen we regelmatig aan op de muren van kerken en andere religieuze gebouwen maar ook op bijvoorbeeld grafzerken, stadhuizen en stadspoorten. Ze bestaan uit gleuven en komvormige holten.

Bij onderzoek van website De Belemiet, een website over geologie, werden krabsporen op 482 locaties aangetroffen. Daarvan bevinden zich er 173 in Nederland, 217 in Duitsland, 71 in België, 7 in Luxemburg, 1 in Denemarken en 13 in Frankrijk. Maar ook in andere Europese landen en zelfs daarbuiten komen ze voor.

Ze vonden verscheidene locaties in Nederland en België waar het poeder nog steeds wordt gebruikt: de Sint-Gerlachuskerk in Houthem/Sint Gerlach (NL), de Sint Gerlachuskerk in Banholt (NL), de Sint Catharinakerk in Montfort (NL), de Goddelijke Zaligmakerkerk in Hakendover (B), de Sint Evermaruskapel in Rutten (B) en de Saint Mortkapel in Haillot (B).

St. Michael am Gurtstein in Weidenberg
Krabsporen in de stenen en het voegwerk in Gransee

In Duitsland worden de sporen Wetzrillen, Teufelskrallen en Elfenmühlen genoemd. De wetstenen met slijptekens zijn vooral te vinden op middeleeuwse kerken, op grafstenen, maar ook bij fontein troggen. Er is geen schriftelijk bewijs, geen informatie, van de oorsprong van de slijpgroeven en ronde markeringen. Men kan dus aannemen dat het aanbrengen van dergelijke tekens in het geheim gebeurde en niet aangemoedigd werd in het bijzijn van de Kerk. De meeste slijpgroeven en cirkelvormige markeringen zijn opzettelijk aangebracht en bevinden zich op de buitenmuren bij deuren (binnen het bereik van uitgestrekte armen).

Naast deze kerken en kapellen waar het gebruik van het steenpoeder nog steeds actueel is, leverde literatuuronderzoek meer plaatsen op waar in het vrij recente verleden de mensen gewijde aarde en steenstof konden krijgen. Details zijn bekend over de Kilianskirche in Bietigheim-Bissingen (deelstaat Baden-Württemberg). De kosteres vertelde dat de krabsporen zijn ontstaan door het winnen van steenpoeder waarmee schapen gezegend werden. Het poeder werd over de schapen gestrooid als die in processie rond de kerk werden geleid.

In Egypte wordt door gidsen bij de oude tempelcomplexen verteld dat de bootvormige gleuven daar het gevolg zijn van vrouwen die steenpoeder hebben afgekrabd. Dat poeder vermengden ze dan met voedsel waarna ze het opaten om vruchtbaarder te worden. Steenpoeder dat op deze manier van kerkmuren en andere religieuze gebouwen was gewonnen, was een heilig poeder. In het volksgeloof was het een echt medicijn. Verder kon het ook gebruikt worden om het kwade af te weren.

Boven: Er is een kapel gebouwd op de napjessteen van Eisgarn

Links: Er is een kapel rond de napjessteen gebouwd in Schönegg

Tegenwoordig zijn er in diverse kerken andere manieren gevonden. Er wordt zand gezegend en dit wordt aan gelovigen uitgedeeld. In de Saint Mortkapel in Haillot uit de vijftiende eeuw kunnen gelovigen nog steeds geheiligde aarde meenemen om door het voer van de dieren te mengen. Deze zouden dan gevrijwaard blijven van ziekten en men zegt dat koeien er zelfs meer melk door zouden gaan geven. De aarde vinden we in de kapel in een gat onder het altaar rondom de bovenkant van een grote steen die mogelijk een menhir is. Zekerheid kan daarover echter niet gegeven worden, omdat de steen nog nooit goed onderzocht is. Onbekend is hoe diep hij onder de grond zit. Het kan heel goed een megaliet zijn, want niet veel verder ligt de ‘Pierre de Diable’ (duivelssteen). Dit is een 4½ ton zware steen die we met zekerheid tot de menhirs mogen rekenen. Werd er Haillot in vroegere tijden van de steen geschraapt? En werd hier later een kapel over geplaatst?

Een Duitse studie vermeldt dat men het steenstof gebruikte bij dodenrituelen door het steenstof in het graf te strooien. Ook werd het gebruikt bij een pas getrouwd stel: door het steenstof over hen te strooien zoals we dat nu met rijst of bloemen gebeurt. Men gebruikte het ook bij pasgeborenen of bij vrouwen die pas waren bevallen.

In het Friese Rinsumageest zijn napjes te vinden. Niet in de kerkmuur deze keer. De kommetjes zijn te vinden op twee stenen van een steenkrans (kleine granietkeien aan de randen van het grafveld). Het waren dus niet ‘zomaar’ stenen of keien. De plaats waar de kerk staat moet in de oudheid een belangrijke cultusplaats zijn geweest. Er zouden muntjes in de napjes zijn gelegd volgens verhalen. Er zijn nog vier andere bijzondere stenen bij deze kerk: de stenen naast de deur van de kerk werden al genoemd in het artikel over kinderstenen, hier zouden de kinderen onder geboren worden.

Een bekende steen op Rügen is de Findling van de marktstad Bergen. Tot 1996 lag de steen ongeveer 60 meter zuidelijker aan de rand van het kerkplein. Het werd tijdens bouwwerkzaamheden herontdekt onder de oude overblijfselen van de fundamenten van een gebouw dat omstreeks 1700 als “Schlusserey” werd gebouwd en tot het midden van de 19e eeuw dienst deed als gevangenis.

De Findling van Bergen was in de vroege middeleeuwen de oordeelssteen van de stad

Aan de buitenrand van de steen werd een ouder wiggat gevonden, dat gebruikt kon worden om een voetstuk te bevestigen. De hoogste rechtbank op Rügen was de Bergener Stapel. In de Middeleeuwen was de Stapel het “toneel” (vaak een hofsteen) van waar de rechter het vonnis uitsprak. Dit prinselijke gerecht werd wekelijks in de open lucht gehouden op het marktplein voor het kerkhof. Hieruit kan worden afgeleid dat de kei in de vroege middeleeuwen de oordeelssteen van Bergen was.

De offersteen van Quoltitz, ook op Rügen, werd door de eilandbewoners altijd een offersteen genoemd. Door de vele sporen van menselijke verwerking heeft het al vroeg de verbeeldingskracht van de eilandbewoners geprikkeld en de verhalen zijn van generatie op generatie doorgegeven. Deze sagen en legendes zijn sinds het begin van de romantiek (aan het einde van de 18e eeuw) dankbaar overgenomen door tal van lokale onderzoekers en schrijvers van reisliteratuur. De aangrenzende begraafplaats, die vandaag niet meer bestaat, en de nabijgelegen stroom, ooit bekend als “Bloodbek” (bloedstroom), maakten de site bijna perfect als offerplaats.

De sporen van menselijk werk aan de Quoltitz-offersteen omvatten talrijke kleine inkepingen met een diameter van 5 tot 6 centimeter die “kommen” of “bekers” worden genoemd (op Rügen “bloedkorrels” genoemd). Deze napjes zijn van zeer vroege oorsprong en moeten worden geclassificeerd als een cultisch-ritueel evenement dat nog niet duidelijk wetenschappelijk kan worden verklaard. Het tweede dat opvalt, is een geul van ongeveer 12 cm breed (en net zo diep) over de steen aan de noordwestkant. Archeologisch onderzoek is het oneens over de herkomst. Sommigen zien het als een poging om de steen te verdelen, anderen kennen er een rituele betekenis aan toe.

Ingrid Schmidt stelde de vraag of de Slavische plaatsnaam Quoltitz kan worden afgeleid van kval (Oudnoors), kwaljan (Germaans) en quelan (Oudhoogduits) dat doodslag, pijn, gewelddadige dood of kwelling betekent. Maar werd hier echt geofferd? Het zou kunnen dat het gemalen steenmeel diende als een soort geneeskrachtig poeder, dat aan zieke mensen of ziek vee betekent. Was het juist een middel om van pijn af te komen?

Dan zou het ganggraf van Qualitz, noord-zuid georiënteerd en in 1966 opgegraven en gereconstrueerd door Ewald Schuldt, eenzelfde betekenis kunnen hebben. Het ligt in het district Rostock in Mecklenburg-Vorpommern. Het werd gevonden in een ronde keienheuvel en heeft van Ernst Sprockhoff nummer 371 gekregen. Het complex is gebouwd tussen 3500 en 2800 v.Chr. Twee van de dekstenen hebben napjes (op één zijn 5 aangetroffen, de ander heeft 122 stuks). Foto’s van dit hunebed en tekeningen waarop de napjes duidelijk te zien zijn, kun je op de pagina met materiaal van Willem Donker vinden. Ongeveer 130 meter verder ligt het Ganggrab von Katelbogen, afgebeeld bovenaan dit artikel.

Offersteen van Quolitz

De “Brillinge stenen” of het “Brillinge Altaar” in Zweden, zoals het in een oude inventarislijst wordt genoemd, is een komsteen van onbekende datum in het noorden van de Zweedse stad Uppsala. Het is een zogenaamde offersteen vanwege de meer dan honderd kleine napjes (in het Zweedse Älvkvarnar, elfenmolens, genoemd) op de platte bovenkant van de steen. Deze Älvkvarnar zijn 3 tot 7 centimeter in diameter en 0,5 tot 2,5 centimeter diep. Ten zuidwesten van de steen is een kleine begraafplaats aangetroffen.

Er wordt vermoed dat de zwerfstenen die de fundering vormen van de kerk van Heemse onderdeel van een offerplaats waren. Oorspronkelijk was deze plek namelijk een Saksische offerplaats. Rond 800 werd het eerste houten kerkje opgericht.

Er ligt een grote zwerfsteen voor de kerk. Ook hiervan wordt vermoed dat het een Germaanse offersteen was. Hierover bestaat een legende die verhaalt over een jongeman die hier geofferd zou worden en dat de heilige Lebuïnus dit voorkwam.

Saksische offersteen voor de Sint-Lambertus of Witte Kerk in Heemse.

In Oldenzaal ligt een speciale steen op het marktplein. Kooplieden mochten pas handelen op de markt als men “voorbij den groten stein was gekomen.” Er wordt aangenomen dat de steen, oorspronkelijk staande op de Tankenberg, een site was die verbonden was met de Germaanse godin Tamfana. De steen is waarschijnlijk naar het centrum van de stad verplaatst om de hardnekkige heidense praktijken in de vroege middeleeuwen te voorkomen. 

Volgens Tacitus (Annales 1, 51) was Tamfana (of ten onrechte Tanfana) een godin van de Marsiërs, een Germaanse stam. Volgens het verslag van Tacitus is Tamfana de oudste vermelding van een naam van een Germaanse godheid. Tacitus schreef over de vernietiging van een tempel van Tamfana. De passage is een van de weinige die Tacitus’ eigen verklaring in Germanië tegenspreekt dat de Germaanse stammen geen tempels hadden.

“Germanicus verwoestte een afstand van vijftig mijl met vuur en zwaard. Geen leeftijd, geen geslacht vond medelijden. Zowel profane als heilige plaatsen, waaronder tempels die zo beroemd zijn onder die stammen (van de Marsi), die zij het heiligdom van Tamfana noemen, werden met de grond gelijk gemaakt.”

Er werd een groot feest gevierd toen de Romeinen toesloegen. Het festival kan ofwel gerelateerd zijn aan de datum van de herfst-equinox (in het jaar 14, 24, 25 september) of het kan een oogstfeest zijn geweest. 

Wilhelm Engelbert Giefers stelde voor dat Tanfana afgeleid van tanfo, verwant met Latijnse truncus, en verwees naar een bosje op de plaats van Eresburg, verwant aan de Irminsul (dit heiligdom werd door Karel de Grote vernietigd, zoals beschreven in megalieten in de maneschijn). A.G. de Bruyn, een geleerde van de Oldenzaalse folklore, noemde het splitsen van de naam in Tan en fana op toponymische gronden en vanwege een postzegel uit 1336 gevonden in de buurt van Ommen (waarop een vrouw te zien is met een dennenboom geflankeerd door een zonnesymbool en een katachtig wezen en een vogel). Hij stelde voor dat ze een maan- of een moedergodin was, misschien verwant aan de Carthaagse godin Tanit. Deze godin wordt ook teruggevonden in Tas-Silġ (zie plaats van de reuzen; megalithische tempels op Malta).

Horkenstein

Men denkt dat de Horkenstein in Dalhausen (Duitsland) in de vroege geschiedenis is gebruikt om de zonnewendes te markeren of als offersteen voor het offeren van mensen of dieren (zoals aangegeven door een ‘bloedgroef’). Volgens volksverhalen nam de duivel de steen uit het oosten om Sint -Liudger te doden, maar liet hij hem hier vallen toen hij werd overgestoken door een missionaris. Volgens een andere legende werden hier na de Varusslag Romeinse krijgsgevangenen geëxecuteerd door een reus genaamd Horcus. Er zijn verschillende pogingen om de naam zelf te interpreteren, zoals Högr, Oudnoors voor “heiligdom”, of Eorcanstan, Angelsaksisch voor “heilige steen”, of horkos, oud Grieksvoor “eed”. Van tijd tot tijd zou hier ’s nachts op de oude locatie bij de Wihekeln (“gewijde eiken”) een spookachtige figuur zijn verschenen.

Ook bij Stonehenge is een offersteen te vinden. Deze offersteen, waarvan de naam misleidend is omdat hij gemakkelijk te verwarren is met de altaarsteen, bevindt zich momenteel in het midden van de noordoostelijke opening van de ringmuur, bij wijze van spreken bij de uitgang van het complex. Deze groene zandsteen komt hoogstwaarschijnlijk uit Wales, waar meerdere afzettingen van zo’n rots zijn.

Er is maar een klein deel te zien van de ‘offersteen’ bij Stonehenge

De audiogids die bezoekers rond het monument leidt, merkt op dat deze steen waarschijnlijk rechtop stond en dat de rode vlekken geen bloed zijn (dat allang verweerd en weggespoeld zou zijn) maar insluitsels van ijzeroxide.

Soms worden de offerstenen juist in verband gebracht met boter of vet. Voorbeelden werden al genoemd in megalieten in de maneschijn. Een informatiebord over de Butterstein bij Hohenlangenbeck staat nu bij de kerk en hij is verbonden met het verhaal van een botersteen die ooit in de richting van Püggen lag (in de buurt van de verdwenen stad Feldmark). Het verhaal in het kort: om de eer van een bruid te bewijzen, stapte een koetsier op een steen “als boter” en liet een voetafdruk achter. De plaats Feldmark is verdwenen, net als de Butterstein. Maar een vrouw vertelde “er is een botersteen bij de kasteelruïne Beetzendorf, misschien is dat dezelfde?”.

De Butterstein Beetzendorf (in Saksen-Anhalt) is een napjessteen, mogelijk is het een overblijfsel van een hunebed. Deze steen staat niet meer op de originele plek, maar is nu in het Schlosspark te vinden. Grosssteingrab Tannenhausen wordt ook wel Botter, Brood un Kääs (Butter, Brot und Käse of in het Nederlands boter, brood en kaas) genoemd. ‘Bûter, brea en griene tsiis, wa’t dat net sizze kin is gjin oprjochte Fries.’ Als je niet in Friesland woont kan het zijn dat je deze uitspraak nog nooit gehoord hebt, maar voor elke Fries is hij bekend.

Het kon het einde zijn van je leven als je deze zin niet kon uitspreken, want in de strijd tegen de Hollanders werd op deze manier getest of je uit Friesland kwam. In Ostfrieland is het dus de benaming van een hunebed. Het waren ooit twee afzonderlijke hunebedden, een gedeelte is gerestaureerd. Over Botter, Brood un Kääs wordt verteld: een reus was begraven in de buurt van Tannenhausen, en hij kreeg een stuk boter, een brood en kaas om mee te nemen naar het dodenrijk als proviand voor de reis. In de loop van de millennia zijn de drie geschenken echter in steen veranderd en liggen ze daar nog steeds.

Carn Menyn in de Preseli Hills is ook een botersteen. Carn Menyn ligt op de top van de Preseli-bergrug, dicht bij de stenen omgeving van Bedd Arthur, beide worden genoemd in koning Arthur en megalieten. Het wordt soms Carn Meini (“rots van stenen”) genoemd, maar dit is een moderne verbastering van de oorspronkelijke naam.

Butterstein Beetzendorf

Volgens een legende mag de opvallende inkeping op een van de stenen van het hunebed Heidenkrippe in Erxleben, waarin regenwater zich verzamelt, nooit uitdrogen. Foto’s zijn te vinden in een artikel van Willem Donker; Heidenkrippe. De term “heidense kribbe” gaat op deze inkeping terug. Hier zou een christelijke generaal zijn soldaten voor een strijd tegen de heidense Wenden hebben gezegd: “We zullen onze vijanden verslaan, net zo zeker als dat ik mijn paard van deze steen water zal geven.” Hij gaf toen zijn paard de sporen en het trapte een hoefdiep gat in de nog zachte steen. De strijd zou zegevieren en de commandant kon nu water drinken uit de depressie waarin het regenwater zich inmiddels had verzameld. Deze legende is ook overgeleverd in de vorm van een ballade uit 1827.

Een variant van deze legende vertelt ook over een strijd tegen Wenden, maar draait om twee christelijke broers die samen in de strijd vechten. Wanneer een van de broers gewond is, draagt ​​de andere hem naar de niet-Joodse kribbe, maar kan nergens de wonden van zijn broer wassen en zijn dorst lessen. Als hij uiteindelijk op de steen knielt en tot God bidt, stroomt er plotseling in grote hoeveelheden water uit de holte.

St. Patrick werpt Cromm Cruach en de twaalf kleinere idolen neer

In Het tripartiete leven van Saint Patrick uit de 9e eeuw wordt een godheid Cenn Cruach genoemd, en zijn cultusbeeld bestaat uit een centrale figuur bedekt met goud en zilver, omringd door twaalf bronzen figuren.

Wanneer Patrick het nadert, tilt hij zijn crozier op, de centrale figuur valt met zijn gezicht naar beneden, met de afdruk van de crozier erin achtergelaten, en de omringende figuren zinken in de aarde.

De “demon” die het beeld bewoont, verschijnt, maar Patrick vervloekt hem en werpt hem naar de hel. Jocelins 12e-eeuwse Life and Acts of St. Patrick vertelt ongeveer hetzelfde verhaal. Hier wordt de god Cenncroithi genoemd, geïnterpreteerd als “het hoofd van alle goden”, en wanneer zijn beeld valt, brokkelt het bedekkende zilver en goud af tot stof, met de afdruk van de crozier achtergelaten op de kale steen.

Crom Cruach wordt beschreven als een verschrompelde god, verborgen door mist en er wordt gezegd dat hij werd aanbeden sinds de tijd van Érimón. Een vroege Hoge Koning, Tigernmas, zou samen met driekwart van zijn leger zijn gestorven tijdens het aanbidden van Crom op de avond van Samhain, maar de aanbidding ging door totdat het sekte-beeld door Patricius (St. Patrick) werd vernietigd met een voorhamer. Ging dit om een menhir, omringd met een steencirkel? Werden hier voorchristelijke inkervingen verborgen door de steen om te draaien en de figuren zo te verbergen, en werd de steen gekerstend door er een crozier in af te beelden? Werden de kleinere stenen begraven? Ging de heidense aanbidding ondanks alles toch door en besloot men het later te vernietigen?

Wereldwijd komen offerstenen voor. Vaak zijn er oude verhalen aan verbonden en zijn er bloedsporen, vingerafdrukken of klauwen van een duivel in te zien. Soms kwam dit, omdat de steen zo zacht als boter zou zijn. In sommige gevallen gaat het juist om een heilige of (voorchristelijke) god die met de steen in verband wordt gebracht. Er werden spijkers in geslagen of met andere middelen gaten gemaakt, waardoor steenstof werd verkregen. Soms werden de napjes gebruikt omdat er water uit gedronken kon worden. Dit was onheil werend of pijnstillend, soms werd mens en dier er meer vruchtbaar door. Ook werd er vet of boter in de napjes gesmeerd, wat soms als zalf diende (en ook geneeskrachtig zou zijn) en in andere gevallen als offer voor de bovennatuurlijke wezens (zoals elfen).

De voorchristelijke gebruiken komen nog steeds voor. In bepaalde gevallen is de prehistorische steen in of onder een kapel of ander christelijk bouwwerk terecht gekomen. En in bepaalde gevallen is de kerkmuur nu de plek waar de steenstof wordt geschraapt, soms wordt er zelfs zand van een andere plek gehaald en gezegend. Maar ook in deze tijd wordt er nog steeds van de oeroude stenen geschraapt.

Marinda Ruiter

De napjes op het portaal van de kathedraal van San Zeno in Verona, geplaatst op het reliëf van Dietrich von Bern’s (Theodoric’s afdaling naar de hel), zijn beroemd

Bronnen

Langs oude krachtplekken in het Overijsselse Vechtdal, VVV fiets en autoroute van 120 km

Heilige plekken ontdekken: plaatsen van verering en sacrale bouwwerken, Stefan Brönnle

https://nl.wikipedia.org/wiki/Sint-Lambertuskerk_(Heemse)

https://twentseherfstroute.jouwweb.nl/de-marktsteen

https://en.wikipedia.org/wiki/Tamfana

https://de.wikipedia.org/wiki/Tamfana

https://de.wikipedia.org/wiki/Stonehenge

https://de.wikipedia.org/wiki/Opferstein_(Eisenberg)

https://de.wikipedia.org/wiki/Opferstein_von_Quoltitz

https://de.wikipedia.org/wiki/Ganggrab_von_Qualitz

https://de.wikipedia.org/wiki/Findling_Bergen

https://de.wikipedia.org/wiki/Brillinge-Stein

https://de.wikipedia.org/wiki/Sunderburg#%22Opfersteine%22

http://www.debelemniet.nl/itemkrabsporen.html

http://www.debelemniet.nl/itemkrabsporen2.html

http://www.debelemniet.nl/itemgeneeskrachtigegewijdeaardesteenpoeder1.html

https://www.kerktieltwinge.org/2020/05/krabsporen-op-de-kerk.html?m=1

https://meensel-kiezegem.be/wp-content/uploads/2020/04/mk_krabsporen_napjes.pdf

https://www.odoorn.nu/nieuws/689

https://jokessterrenkruid.blogspot.com/2021/09/de-kerk-van-rinsumageest-de-crypte-de.html?utm_source=feedburner&utm_medium=feed&utm_campaign=Feed:+blogspot/WSmoCF+(Sterrenkruid)&m=1

https://www.fotocommunity.de/photo/stonehege-in-ostfriesland-megali-folkert-saueressig/8313443

https://www.az-online.de/altmark/beetzendorf-diesdorf/butterstein-maer-2504546.html

https://stringfixer.com/nl/Carn_Menyn

https://www.ziegelzeichen.de/lexikon/wetzzeichen/

Afbeeldingen

Zwerfsteen Heemse door Onderwijsgek – Eigen werk, CC BY-SA 2.5 nl, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=3613670

Offersteen bij Stonehenge door Stefan Kühn, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=7114498

Findling Bergen door Lappländer – Eigenes Werk, CC BY-SA 2.0 de, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=947432

Quolitzh door Lappländer – Eigenes Werk, CC BY-SA 2.0 de, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=956656

Katelbogen door Georg Christian Friedrich Lisch (1801-1883) – Friderico-Francisceum oder Grossherzogliche Alterthümersammlung aus der altgermanischen und slavischen Zeit Mecklenburgs, Gemeinfrei, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=26552893

Offersteen Schöngeising door Zinnmann – Eigenes Werk, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=78284380

Butterstein Beetzendorf https://tw.strahlen.org/praehistorie/sachsenanhalt/beetzendorf.html

Krabsporen http://www.schabespuren.de/wetzrillen/index.php/Fragliches

St. Michael https://www.wikiwand.com/de/Wetzrille

De napjes http://www.ssdi.ch/Uebersicht/Wetzrillen%20und%20Pechsteine.pdf

Horkenstein CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=1845699

Cromm Cruach Door text:Curtis Dunham illustration:John Innes – Wurra-Wurra; a legend of Saint Patrick at Tara, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=50327368

Vorig artikelDrum maken van rawhide – Oertijdparkvaardigheden – deel 5
Volgend artikelBEET – Hoofdstuk 19

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.