Als Eber zijn ererondje door de arena maakt, handen triomfantelijk omhoog, toegejuicht door het publiek, ziet hij dat Gungerius volop geld int, van de gewonnen weddenschappen. Eber denkt aan de beloofde vrijheid. Hij heeft gedaan wat hij had afgesproken, nu is de beurt aan Gungerius. Een deur gaat open. Men wenkt naar hem. Een volgende gevecht staat op het punt te beginnen. Hij kan zich terugtrekken in de ruimte onder de tribune. Even een emmer water over zich heen. Even wat drinken. Het doet hem goed. Waar is de tunica? Die ligt nog in de arena. Komt later wel. Waar blijft Gungerius?

Als na twee rondes er weer zegenvierende overwinnaars en bebloede lijken zijn binnengebracht, komt de aanvoerder van de gladiatoren naar hem toe. “Nog één ronde, en dan ben jij weer, Eberius!”. Hoezo? “Ik heb één ronde afgesproken, mijn taak zit erop!” “Jouw baas kan er geen genoeg van krijgen, we zetten je de volgende ronde buiten de deur, en dan vecht je of je wordt direct afgemaakt. En als je nu al blijft weigeren, werken wij hier met je af”, is het resolute antwoord. Eber beseft wat er is gebeurd. Gungerius heeft hem in de arena gekregen. Het is nu vechten tot Gungerius er genoeg van heeft, of tot hij sneuvelt, en net als de andere ongelukkigen hier in een lijkenput wordt gegooid. Hij is er in gevlogen. Gungerius wil geld zien, en dat geld moet hij, Eber, voor zorgen. Op dat moment ziet hij geen andere mogelijkheid dan het spel meespelen. Het dodelijke spel in de arena. Tussentijds werken zijn hersenen op topvermogen, op zoek naar mogelijkheden om uit deze cirkel van de dood te komen.

De deur gaat open. Eber wordt door enkele soldaten met lansen met de punten naar buiten geduwd. Het publiek juicht. Hun kampioen is terug. De wilde Germaan uit het noorden. Hij loopt nog steeds zonder tunica, maar zo denken ze hier dat de Germanen gewoon zijn te vechten, en dit is een echte wilde Germaan. Ze beduiden hem om voor de magistraat van de stad te komen. Als Eber onder diens balkon staat, enkele meters boven de vloer van de Arena, komt hem iets bekends in de man voor. Hij kan het even niet thuis brengen. “Kampioen van het noorden, held van ver, jij, die samen met Gungerius onze stad heeft uitgedaagd, kies je wapens voor je volgende strijd!”. “Wie is mijn tegenstander’, roept Eber, “Mens of beest, of is het een menselijk beest?” “Je vecht tegen de kampioen van Bonna, en jouw wapen zal zijn wapen zijn” “Ik wil een schild en een spatha”, roept Eber. “Een Romeinse spatha? Weet jij wat je daar mee moet?” “Kom zelf naar beneden als jij daar aan twijfelt!”, roept Eber terug. Het publiek brult. Die idioot daar beneden durft de magistraat uit te dagen.

Eber krijgt zijn schild en zijn spatha, het lange zwaard dat hij gebruikte in zijn dagen als soldaat en tijdens de slag om de ruige hoogte. Het wordt stil op de tribunes als de gladiatorenuitgang opnieuw open gaat. Eber wordt stil als hij zijn tegenstander erkent. De kampioen is Negus. De man die hij nog maar een paar weken kent, maar die een vriend is geworden. Een man die hem duidelijk heeft gemaakt: “Als wij tegenover elkaar komen te staan, dan maak ik je dood!” “Wie dit gevecht overleeft, die is een vrij man!”, roept de magistraat van Bonna. Hij heeft een houten zwaard in zijn handen. Het symbool van de vrijgelaten en in het burgerschap verheven gladiator. En dan herkent Eber de man op het balkon. De magistraat, aan wiens zijde Gungerius een plaatsje heeft gekregen.

Het sein wordt gegeven. Het is een periode van om elkaar heen draaien, klappen uitdelen, klappen opvangen met het schild, of met het zwaard, en eigenlijk niet veel verder komen. Beide mannen lijken niet hard om hard te willen gaan. Maar het valt niet op. Ze hebben zolang samen getraind en zijn zo goed op elkaar ingespeeld, dat voor de buitenwacht dit een gevecht op leven en dood lijkt. “Ik moet je kapot maken”, zegt Negus dan. “Als we daar op uit zijn, verwonden we elkaar zodanig, dat we beiden kapot gaan, wie er ook wint”, is de reactie van Eber. “Er is geen andere weg”, zegt Negus. “Die is er wel”, zegt Eber. “Vertrouw op mij, duik onder mijn volgende slag door, en alles komt goed.” Eber haalt uit, Negus duikt, en voor ie het weet heeft ie een slag van de linkervuist van Eber te pakken, zodat ie bloedend in het zand van de arena valt. Eber duwt hem met zijn voet op de grond. Hij heft zijn zwaard, alsof hij Negus de genadestoot wil geven. Dan draait hij zich in de richting van de Magistraat, en zegt op een wat jolige, ietwat uitdagende toon:

“Herken je mij nog, Caelius Mallius Marcus, de grote magistraat van Bonna? Hier spreekt Eberius, centurion van de Auxillairy van het XXe Legioen Valeria Victrix. Van jou kreeg ik mijn vrijheid en burgerschap na 25 jaar trouwe dienst. We deelden lief en leed, bloed en strijd, zege en terugtocht. We deelden de vrede. En wat gebeurt hier, onder jouw ogen? Ik heb strijd gevoerd achter de noordgrens van het Rijk, om daar de vrede te bewaren tegen oprukkende indringers. Ik wordt door corrupte ambtenaren en kooplieden als gevangene overgenomen, na verraden te zijn door mensen die met de Romeinse troepen handelen. Is dat de dank die ik heb verdiend? Is dat de vrijheid die ik gekregen heb na 25 jaar trouwe dienst? 15 jaar heb ik gewerkt op de villa van de man naast jou. Ik heb hem rijk gemaakt door te vechten. Ik heb alles gedaan wat het Rijk wilde, alles wat de onderdanen wilden. Ik wil nu naar huis, met mijn zoon. En deze man, die ik hier verslagen heb, wiens leven hier nu in mijn hand en in mijn zwaard rust, die wil ik mee. Ik vraag jou nu aan je woord te houden. Geef mij al mijn rechten terug. En geef mij dit lijk, want dat zal het worden als ik dit gevecht tot het eind moet brengen dat ervoor bedacht was. En aan dit lijk heb jij ook niks!”

Even is de magistraat stomverbaasd, en dan is de herkenning van die man daar beneden ook compleet. Hij reageert even uitgelaten: “Eberius, wat doe jij daar in je blote kont? Man, kun je niet fatsoenlijk op een feestje komen? En je bent nog even brutaal als altijd hoor ik wel, zo ken ik je weer! Jij vocht in mijn Legioen, ik was jouw commandant, jij bent vrij en ik ben burger. Aanvaard dit zwaard als teken van jouw vrijheid, aanvaard mijn vriendschap en aanvaard het geld dat Gungerius met dit laatste gevecht en zijn gokken gewonnen heeft, want het komt jou toe! En vertrek met dat stuk vlees aan je voeten naar je familie, want als jij te lang in de buurt blijft hou ik geen gladiator over!” Hij pakt het zwaard weg, dat Gungerius al die tijd bij zich heeft gehouden, en laat het naar beneden brengen. Het wordt Eber overhandigd door een centurion.

Eber heeft zware twijfels aan de laatste woorden van de magistraat. Geen gladiatoren over? Nou…. Als Negus alles op alles had gezet, had zijn jeugd en uithoudingsvermogen het gewonnen van zijn eigen ouderdom, maar de opzet is geslaagd. De bluf, de erkenning en herkenning. Het heeft gewerkt. Die avond is Eber gast in de villa van Caelius Mallius Marcus ze vertellen over hoe hun leven is verlopen. De magistraat had familie in Bonna, mensen uit de hoogste politieke top van die dagen. Vandaar dat hij zich hier vestigde. Gungerius schikte zich in zijn lot. Met het geld van het eerste gevecht kon hij zijn villa weer op orde brengen, dat was zeker. Negus genoot mee van al het goede des levens, maar hield ook hier consequent de helm op, die een deel van zijn/haar gezicht bedekte. Het was Caelius Mallius Marcus al snel duidelijk dat dit geen slaaf-meester verhouding was. Het geld dat gewonnen was met het tweede gevecht, daarvoor kocht Eber de dagen erna drie jonge, verse hengsten, ging opnieuw op zoek naar diverse producten om in het noorden uit te proberen, kocht cadeau’s voor zijn familie. Wie er ook nog maar van zou leven. En hij liep ook tegen een teleurstelling aan. De verzorgster van Julius. Ze hadden zo lang bij elkaar geweest. Hij wou haar graag mee naar het noorden. Hij kocht haar vrij, Gungerius liet haar met graagte gaan voor een bedrag dat beneden haar waarde was, want ze wist teveel van zijn vrouw, en zonder haar kon deze haar waardigheid veiliger bewaren. Maar de verzorgster – naar naam is niet overgeleverd – koos ervoor om naar haar eigen familie te gaan. Eber aanvaarde haar keus. Hij vertrok met Julius en Negus naar de Tencteri, de achtergeblevenen in het oorspronkelijke stammengebied van deze oude stam aan de Rijn. Bepakt en bezakt. Met de nodige wapens.

Vorig artikelTHE HUNEBED SONG ( SONG OF THE DOLMEN )
Volgend artikelTips voor de meivakantie bij het Hunebedcentrum

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.